CHRÉTIENS ET MUSULMANS FRÈRES DEVANT DIEU?
-
samenvatting van het gelijknamige boek
van Christiaan van Nispen tot Sevenaer SJ door Jaap van Eekelen ten behoeve van personen die te Driebergen
werken aan contact tussen christenen en moslims, anno 2005
Voorbemerkingen:
-
de
schrijver van het boek woont en werkt nu 42 jaar in Caïro; hij is jezuïet;
-
de
vragen, die het boek oproept voor de situatie te Driebergen, zijn cursief
gedrukt
In de Inleiding geeft de schrijver een
overzicht van het boek
In deel 1, p.17-75, geeft Christiaan het verhaal van zijn eigen
ervaring met de dialoog met moslims. De rest van het boek, deel 2, p.77-18,
plaatst die ervaring in een breder kader waarop hij vervolgens reflecteert:
‘Analyse van de voorwaarden om tot dialoog te komen’.
In de
inleiding echter op het gehele boek, delen 1 én 2, geeft Christiaan aan hoezeer
voor hem het woord ‘ontmoeting’ van belang is: ‘De ontmoeting is de basis en de
conditio sine qua non van de dialoog. De ontmoeting kan de grond van het hart (le fond du coeur) bereiken. Zij kan
doen ontdekken dat God ’t ons schenkt dat wij elkaar ontmoeten in Hem’ (p.13).
De grond en
bron van dit boekje is dan ook de hartsvriendschap die Christiaan met een
aantal mannen en vrouwen moslims heeft gesloten. De opdracht op blz. 4 van het
boek luidt: ‘Ter nagedachtenis aan Mahmûd Ragab, mijn broeder in God, van wie
de vriendschap tot de bron van dit boek behoort (est à la source de ce livre)’.
Het
jezuïetengroepje in Beiroet waarin Christiaan een 44 jaar geleden aankwam, was
op respect voor en vriendschap met de moslims en Arabieren gericht. In Beiroet
was een wijk, Basta, waar uitsluitend moslims woonden. Een van zijn docenten,
een pater d’Alverny, zei hem: ‘Er zijn mensen die als ze het over deze wijk
Basta hebben, zeggen “Oh, die vuile wijk”. Misschien is er in Basta een beetje
meer vuil dan in andere wijken, dat weet ik niet. Maar wat ik wel weet is: zo
spreekt je niet over mensen van wie je houdt’. Christiaan: ‘Deze woorden hebben
mij diep geraakt. Zij zijn voor mij een criterium geworden waarmee we onze
blik, onze houding, onze manier van spreken kunnen onderzoeken. In diepste
wezen vertegenwoordigen zij een heel program. Ik ontdek steeds meer hoe dit een
houding van je hart en een spirituele stellingname uitdrukt’. Het respect van
deze d’Alverny, aldus Christiaan, ‘had niets van een syncretisme dat het
verschil tussen christendom en islam zou ontkennen. Het was integendeel een
hoogst positieve manier om het verschil te leven. Voor hem was dit een vrucht
van zijn geloof in Christus’ (p. 21-22).
Bij het
lessenpakket van jezuïeten die in Beiroet werden voorbereid om in het Nabije
Oosten te werken, hoorde een cursus ‘De kruistochten zoals de Arabieren die
zien’.
Toen hij in
1962 in Caïro Arabische en moslimfilosofie ging studeren ontstonden er zijn
eerste vriendschappen met moslims. Terugblikkend schrijft hij: ‘Gaandeweg ben
ik me rekenschap gaan geven hoezeer het persoonlijke contact en de ware en
oprechte vriendschap een brede toegangspoort vormen om een andere godsdienst te
ontdekken’ (p.24). Werkend aan een proefschrift over twee Egyptische
moslimfilosofen realiseerde hij zich dat kennis door vriendschap en kennis door
studie elkaar zeer vruchtbaar aanvullen (p.28 en p.116 onderaan).
Waren
de bijeenkomsten van christenen en moslims in het verleden in Driebergen
zodanig dat er een ontmoeting mogelijk was tussen moslims en christenen? Wat is
hiervoor nodig?
Op weg met de
‘Association de la Fraternité Religieuse’ (p.28-36)
In 1941 kwam
er in Egypte een groep tot stand die zich bezig ging houden met een dialoog
tussen moslims en christenen. Dat was toen bepaald niet de mode. Een jaar na de
Egyptische revolutie van 1952 werd de groep verboden: de nieuwe Egyptische
regering was als de dood voor alles wat een geheim genootschap zou kunnen zijn.
In 1975 was de situatie ontspannener. De dialooggroep werd heropgericht.
Christiaan was daarbij betrokken. ‘Wij probeerden nader tot elkaar te komen. We
probeerden niet de godsdiensten dichter bij elkaar te brengen. Maar wij als
leerlingen van die godsdiensten wilden dichter bij elkaar komen.’ (p. 30). Deze
groep bestaat nog steeds. Zij draagt de naam ‘Association de la Fraternité
Religieuse’. Een
oud-rector van de universiteit al-Azhar, die lid van de groep was, heeft een
gebed ontworpen waarmee zij steeds hun bijeenkomsten afsluiten. Dit gebed staat
op p.31 (in een bijlage voeg ik de Nederlandse vertaling van dit gebed toe).
Christiaan is
zeer positief over deze groep, maar signaleert ook het gevaar. Soms kregen de
christenen het gevoel opgeslokt te worden bínnen het islamitische systeem.
Iemand opperde: op de koptische scholen zou een korte samenvatting van de
islamitische geloofsleer gegeven moeten worden, en op de moslimscholen van de
christelijke. Hierop antwoordde een zeer respectabele en vriendelijke moslim:
‘Maar wij hebben toch al de betere samenvatting van het christendom in de
koran’! Het is in zulke situaties moeilijk voor de christenen om als ánders
herkend te worden. [Dit lezend realiseer ik mij: op een parallelle manier
zullen joden in het contact met christenen vaak het gevoel hebben opgeslokt te
worden, terwijl wij dit niet in de gaten hebben en menen heel vriendelijk te
zijn.]
Het gevaar bestaat dat wij christenen van onze kant hetzelfde doen, en
dit niet in de gaten hebben. Het is dus goed als de een aan de ander vraagt wat
hij/zij werkelijk beleeft in het contact. (p.34)
De commissie ‘Gerechtigheid en Vrede’ (p.36-43)
In 1987 was
Christiaan betrokken bij de heroprichting van de Egyptische commissie
‘Gerechtigheid en vrede’. De commissie bestond uit koptisch-orthodoxe
christenen en katholieken. Zij organiseerde bijeenkomsten over onderwerpen die
van vitaal belang waren voor de Egyptische maatschappij. Bij de organisatie van
die bijeenkomsten betrokken zij moslims. Sommigen van hen werden vrienden van
de commissie, sommigen zelfs vaste medewerkers. Deze moslims kwamen uit heel
verschillende delen van het spectrum van de moslimwereld. Hoewel deze commissie
niet op de dialoog tussen christenen en moslims gericht is, bereikt zij soms
een grotere diepgang in het onderlinge gesprek dan bovengenoemde Association,
vooral in de jaren negentig, die getekend werden door het terrorisme en door
een verharding in de verhouding tussen moslims en christenen. (p.36-38) ‘In
deze context is de commissie ‘Gerechtigheid en vrede’ een plaats geweest waar
christenen en moslims alle kanten van deze maatschappelijke problemen gezamenlijk
en in alle vrijmoedigheid onder ogen hebben gezien’ (p.38).
Het
bovenstaande roept voor ons de vraag op:
Als wij met Driebergse moslims gesprek willen aangaan, welk gespreksonderwerp
zal dan het vruchtbaarst zijn: de geloofsleer van beide godsdiensten? de
geloofsbeleving van de ‘leerlingen van de twee godsdiensten’ die wij zijn? Of
belangrijke kwesties waar wij in het daagse leven of in de Nederlandse
samenleving als geheel tegen aan lopen?
En passant
vertelt Christiaan dan op de bladzijden 40-42 een verhaal over de openheid in
het moslimland Egypte naar christenen, een openheid die mij verraste. Het in
Egypte zeer gezaghebbende ‘Centre d’Al-Ahram pour les Études Politiques et
Stratégiques’ heeft in 1997 en in 1998 twee ‘Rapporten over de religieuze
situatie in Egypte’ uitgebracht. Op nauwkeurige en objectieve manier brengen
deze rapporten het religieuze leven in Egypte in kaart, evenzeer van de
christenen als van de moslims. Leden van genoemde commissie ‘Gerechtigheid en
Vrede’ werd om medewerking gevraagd. Voor het tweede rapport werd Christiaan
verzocht een hoofdstuk te schrijven ‘over de uitnodigingen die sinds een aantal
jaren kerkelijke instellingen (katholieke, orthodoxe en protestante) richten
tot moslimsprekers. Mij werd gevraagd na te gaan: wie nodigde uit? waarom?
welke moslims werden uitgenodigd? wie vormden het publiek? wat was het
resultaat van die bijeenkomsten? Men wilde zich niet tevreden stellen met het
vermelden van het simpele feit van die ontmoetingen, maar men trachtte dieper
te graven en te ontdekken wat er gaande was’ (p.41). Van deze twee rapporten
zijn viermaal zo veel exemplaren verkocht als van andere rapporten van dit
centrum.
Momenteel
houdt genoemde commissie ‘Gerechtigheid en Vrede’ zich bezig met de zeer
intelligente en in haar ogen gevaarlijke publicaties van de Amerikaan Samuel
Huntington (‘The Clash of Civilisations and the Remaking of World Order’,
1996). Huntington gaat uit van een botsing tussen ‘de westerse christelijke
beschaving’ en ‘de oosterse moslimbeschaving’. De commissie wil tonen dat
samenwerking tussen moslims en christenen die deel uitmaken van één samenleving
mogelijk is en zeer vruchtbaar kan zijn. Zij sluit hierbij aan bij stromingen
binnen de islam in Egypte die de capaciteit van de islam aan de orde stelt om
‘de verschillende ander’ te accepteren (zowel de verschillende moslim als de
niet-moslim). En zij roept de christenen in Egypte op zich volledig aan de
Egyptische maatschappij te engageren. (p.42-43 en voetnoot 21)
De wetenschap en het denken als
ontmoetingsplaats
(p.43-50)
Van een groot
christen en geleerde, Georges Anawati (1905-1994, een pater Dominicaan, geboren
in Alexandrië uit een van oorsprong Syrische familie), vertelde het
(vrouwelijke) hoofd van de afdeling filosofie van de universiteit van Caïro
vijf jaar na zijn dood: ‘ik ken hem vanaf mijn kinderjaren, want hij was een
groot vriend van mijn vader. Ik ondervond van zijn kant altijd een groot
respect. Tijdens een periode van beproevingen in mijn leven spoorde hij mij aan
overeenkomstig de spirituele eisen van mijn geloof als moslim te leven,
speciaal die van het gebed’ (p.45).
Dit getuigenis van een moslimvrouw over
een voorman van christenen roept bij mij een fundamentele vraag op: hoe zien
wij een andere godsdienst als de islam?
-
een
helaas flauwe afspiegeling van ons christendom, het is niet anders, we moeten
hen respecteren, sneu voor die mensen dat ze dáár geboren zijn en daardoor het
christendom missen. maar gelukkig hebben zij goede kanten?
-
of:
als God iets van zichzelf openbaart, leidt dit in verschillende tijden en bij
verschillende volkeren tot verschillende verhalen. Hij is niet in één boodschap
te vangen. Met het kleiner worden van onze wereld opent zich een uitdaging, een
kans: mensen van verschillende godsdiensten kunnen naar elkaar gaan luisteren.
In de beleving en verhalen van een andere godsdienst, in het engagement en de
levenskunst die haar mensen tonen, kunnen we weer andere muziek van dezelfde
ene God horen.
Deze woorden zijn van mij, maar ik meen er de visie mee
weer te geven die ik beluister in dit boek. Zij fascineert mij.
De
autobiografie van deze pater Anawati danken wij aan twee bevriende moslims
die hem in de laatste fase van zijn leven een serie interviews hebben afgenomen
(p.46).
Egypte heeft
een sleutelrol gespeeld in de ontwikkeling van het religieuze denken in de
moslimwereld van de 19e en de 20e eeuw. De laatste 15
jaar kan het die rol niet meer spelen. De verbanning van Nasr Hâmid Abû Zayd,
die nu in Leiden doceert, is daar een teken van. De vrijheid van denken is
ingesnoerd. Een van de zeer belangrijke kwesties die speelt is de volgende. Kan
het religieuze denken profiteren van de verworvenheden van de moderne
wetenschap? Onder ons christenen heeft deze vraag tot heftige discussies geleid
als het gaat om het verstaan van de bijbel. Het is begrijpelijk dat dit bij
moslims een nog moeilijker vraag is als het gaat om het verstaan van de koran.
Vanwaar dit verschil? ‘Voor moslims betekent de koran meer dan de bijbel voor christenen.
Je moet de betekenis van de koran niet vergelijken met de betekenis van de bijbel, maar met de betekenis van de Christus
in het christelijk geloof’ (p.48). Overigens is dit verzet tegen een nieuwe
hermeneutiek van het heilige boek tevens een cultureel verschijnsel; ook in de
koptisch-orthodoxe kerk van Egypte is dit verzet sterk (p.49).
Kennismaking met andere landen met een
moslimmeerderheid (p.51-59)
Op deze
bladzijden beschrijft Christiaan iets van de contacten tussen moslims en
christenen in twee andere landen: Algiers en Indonesië. In beide landen is hij
enkele malen uitgenodigd. Maar het centrum van zijn ervaring is Egypte, dat een
prominente plaats inneemt in de moslimwereld en tegelijk de grootste groep
christenen kent van het Nabije Oosten.
De spirituele dimensie in de ontmoeting
(p.60-68)
De laatste
jaren wordt het Christiaan steeds duidelijker dat de spirituele dimensie
belangrijk is in de ontmoeting tussen moslims en christenen. Veel moslims
lijden eronder dat sinds 11 september 2001 de islam vooral als een politieke
realiteit wordt gezien. Dat moslims allereerst gelovigen zijn, verdwijnt uit
het oog. (p. 60) In de gesprekken die hij meemaakt verlaat men steeds meer het
polemische gesprek om te komen tot een leren kennen van elkaars geloofshouding.
Geloof wordt daar steeds meer verstaan als een persoonlijke relatie met de
levende God. (p.61)
Goed, tot
zover dit deel 1 van het boek. Ik noteerde er veel uit. Waarom? Wat horen wij
ooit over pogingen in Arabische landen om tot ontmoeting en samenwerking van
moslims en christenen te komen ….?
Deel 2: ANALYSE VAN WAT ER NODIG IS OM
TOT DIALOOG TE KOMEN
Hoofdstuk 2:
De historische en sociale context van de dialoog tussen christenen en moslims (p.77-104)
Wij dragen
allen een culturele en religieuze erfenis met ons mee die onze blik op moslims
beïnvloedt. En omgekeerd.
De groep waar
we deel van uitmaken heeft een sterke invloed op de relaties die we met mensen
van een andere godsdienst aangaan. (p.77)
Wat speelt er
mee bij de blik van een moslim op christenen?
De moslim
heeft de bijbel hoog. Hij geeft hoog op van christendom en jodendom. Maar daar
ligt precies ook een moeilijkheid: hij pretendeert de waarachtige jood en de
waarachtige christen te zijn. De moslims zien zich als authentieke voortzetters
van de missie van Jezus. Jezus wordt dan ook ‘profeet van de islam’ genoemd.
(p.78) Op de bladzijden 79-80 worden koranteksten gegroepeerd die aangeven wat
de houding van de moslim ten opzichte van de christen moet zijn.
Op de
bladzijden 85 en 86 bovenaan wordt dit aangevuld met wat in het moslimdenken
ten aanzien van christenen verder is ontwikkeld: christenen hebben na de dood
van Jezus zijn evangelie gewijzigd. Vooral Paulus is de eeuwen door getekend
als een vervalser van de boodschap van Jezus, profeet van de islam. Maar deze
‘verandering’ van de Schrift is in de loop van de eeuwen door moslims op twee
manieren uitgelegd: sommigen zeggen dat wij christenen de tekst hebben
veranderd. Anderen zeggen dat wij de tekst niet goed begrijpen.
Er wordt ook
heel uiteenlopend gedacht over de mogelijkheid dat christenen eeuwig heil
verwerven (p. 86).
Ingrijpend
wordt de blik van veel moslims op christenen meebepaald door politieke
gebeurtenissen. De koloniale veroveringen door het Westen zien zij als een
religieus gebeuren, als een voortzetting van de kruistochten. In een aantal
gevallen hebben zij de dekolonisatie dan ook beleefd als een godsdienstige
bevrijding. Sinds de golfoorlog speelt deze thematiek opnieuw krachtig. De
terminologie die de Amerikaanse presidenten soms gebruiken draagt daar nog aan
bij.
Ongelukkigerwijs
mengt dit zich met wat in hen aan onmacht is ontstaan om een slachtoffergevoel
te boven te komen. (p.87)
Positief
worden de Arabisch sprekende christenen gewaardeerd om de vooraanstaande rol
die zij gespeeld hebben in de strijd in de 20e eeuw tegen de
koloniale westerse onderdrukking: in ‘de Arabische renaissance’. Toen
nationalistische Egyptenaren in 1919 de strijd tegen de Engelsen om
onafhankelijkheid begonnen, kozen zij als symbool de halve maan én het kruis.
Hun slogan was: ‘De godsdienst behoort aan God, en het land aan allen’. De
inzet van christenen werd zozeer gewaardeerd dat er in sommige kiesdistricten
met een grote moslimmeerderheid christenen werden gekozen. Ook in het
Palestijnse verzet is de rol van christenen van belang.
Maar nu de
verschillende nationalistische bewegingen zich in een langdurige en diepe
crisis bevinden, gaan deze hun identiteit meer en meer ontlenen aan de islam.
Hoe kijken
moslims aan tegen de eeuwen dat zij, moslims, de halve wereld veroverden?
Interessante vraag. Het antwoord van Christiaan houdt voor mij enkele
verassingen in. De moslims noemen hun veroveringstochten waar zij niet lang na
de dood van Mohammed mee begonnen ‘openingen’. Zij openden de veroverde landen
voor de prediking van de islam. Er zijn moslimauteurs die er ook veroveringen
in zien. Maar die hadden dan een economisch en politiek doel. ‘Terecht
verzetten moslims zich als men hen ervan beschuldigt dat zij de islam al direct
met het zwaard zijn gaan verspreiden. Dit protest is gerechtvaardigd: in het
algemeen hebben de veroveraars de bewoners van de veroverde landen níet
verplicht moslim te worden.’
De komst van
de moslimlegers lijkt in een aantal landen te zijn ervaren als een bevrijding
van de onderdrukking door Byzantium. Zij betekende eindelijk een einde aan de
wrede oorlogen tussen Byzantijnen en Perzen die Egypte en Syrië al geruime tijd
teisterden. (p. 81)
Wat speelt
er mee bij de blik van christenen op moslims?
Voor de
middeleeuwse Europese christen was de moslim ‘de ander, de niet-christen’ bij
uitstek. De reactie op dat anders-zijn was in het algemeen negatief en gericht
op confrontaties. In 732 werd aan de oprukkende moslimlegers bij Poitiers een
halt toegeroepen. In Oost-Europa gebeurde dit pas in 1683 bij Wenen. Er waren
de kruistochten (1095-1291) en de ‘reconquista’ van Spanje, tot 1492. (p.83)
Opmerkelijk
dat er in diezelfde middeleeuwen ook een positieve culturele uitwisseling
tussen het christelijke Europa en de islam plaatsvond, vooral in Spanje en op
Sicilië. Op p. 83 onderaan en p. 84 bovenaan wordt de onschatbaar waardevolle
invloed van de Arabische cultuur op de Europese kort aangeduid. En als heel
positief gebeuren noemt Christiaan de ontmoeting tussen Franciscus van Assisië
en sultan ayyoubide al-Malik al-Kamil, in 1219 tíjdens de vijfde kruistocht.
(p.84)
In de
katholieke kerk hebben we tot de 20e eeuw moeten wachten voor we er
een positieve blik op de islam ontmoeten. Die treffen we aan in twee documenten
van het Tweede Vaticaans Concilie. Hoe is dit in de reformatorische kerken? (p.
84 onder – 85 boven)
Hoe kunnen we, gegeven deze historische en sociale factoren,
het best aan een toenadering beginnen?
‘Begin met de
“dialogue de la vie”, de dialoog van het gewone leven. Deze is vaak impliciet
…. wanneer mensen naar elkaar luisteren,
hun vooroordelen overstijgen en samen iets aanpakken. Al samenwerkend komen we
tot een “dialogue de l’action”, een samen zoeken wat er nodig is voor het
ontwikkelen en verder opbouwen van de eigen stad, voor de verdediging van de
rechten van de mens, etc.’. (p.94)
‘Waar de
ontmoeting persoonlijk wordt, en de dimensie van het geloof gaat omvatten, kan
de dialoog de gestalte krijgen van een uitwisseling van religieuze ervaring en
van geestelijk leven, en zo tot een verdieping van onze ontmoeting in God
leiden.’ (ibid.)
Als laatste
besteedt Christiaan aandacht aan de mogelijkheid dat er onder strikte
voorwaarden een naar elkaar luisteren ontstaat wat betreft geloofsleer. (ibid.)
Van belang is
het onderscheid dat Christiaan maakt met de oecumenische dialoog tussen
christenen. Díe heeft als uiteindelijk doel tot eenheid te komen. Dit is niet
het doel van de interreligieuze dialoog tussen christenen en moslims. ‘Deze
moet het onherleidbare verschil tussen de twee godsdiensten respecteren, wat
ons niet verhindert alles te zoeken wat de beide godsdiensten gemeenschappelijk
hebben, en zelfs elkaar te ontmoeten in God, in de aanbidding van de ene en
enige God.’ (p.91)
En de mensen die zeer bewust giften
hebben gegeven: kunnen die voor iets worden uitgenodigd dat contact oplevert?
Christiaan
laat het – althans in de westerse wereld - zeer in zwang zijnde woord ‘dialoog’
voorafgaan door een ander woord: ‘ontmoeting’. Hij omschrijft dit begrip als
volgt:
‘De ontmoeting
vertegenwoordigt iedere betrekking tussen personen – en ook tussen
gemeenschappen – waarin zij niet elk op de eigen plaats blijven staan, maar
waarin zij naar elkaar toe bewegen, een betrekking waarin er iets gebeurt, iets
zich realiseert. …. In een ontmoeting geeft de ene persoon in zijn leven ruimte
aan de andere persoon, en begint die te ontdekken. Dikwijls begint dit met de
ontdekking “wat weet ik weinig over die andere persoon, terwijl ik soms al
jaren met die ander te maken heb!”.’ (p.106-107)
Groepen komen
nog moeilijker in beweging naar elkaar dan personen. Er is soms een schok, een
crisis nodig voordat zij daartoe komen. En er zijn voorlopers nodig die dit
stimuleren. (p.107)
Een
authentieke dialoog is vrucht van een ontmoeting. ‘De dialoog is een ontmoeting
die zich woorden schept. Een dialoog die niet stoelt op een ontmoeting, hoe
simpel ook, wordt een woordenspel, puur woorden die niets zeggen.’ (p.107)
In het
Midden-Oosten zijn de meeste christenen en moslims content met een goede vorm
van samenleven en samenwerken zonder dialoog. Zij beschouwen de dialoog als een
importartikel uit het Westen. ‘Wat is hun motivatie ermee? Toen zij hier in het
koloniale tijdperk de macht hadden, kwamen zij nooit met de mogelijkheid van
dialoog op de proppen.’
En over de
dialoog tussen moslims en christenen in de westerse landen schrijft hij: ‘het
is nodig dat degenen die er met elkaar in gesprek gaan, over dezelfde
mogelijkheden en capaciteiten beschikken om zich uit te drukken. Zonder dat zal
de relatie blokkeren of onechte trekken krijgen ….’ (p. 109)
En hij werkt
dit in mijn ogen zeer trefzeker uit: ‘Dit onderstreept hoe belangrijk het is
om, als men wil dat een ontmoeting uitmondt in een waarachtige en vruchtbare
dialoog, de context te begrijpen en te kunnen analyseren. Dit is dikwijls
moeilijker dan men denkt. Men moet allereerst de eígen situatie kunnen
verstaan. Wij zijn inderdaad sterk geconditioneerd door onze geschiedenis, onze
culturele erfenis, ons milieu en heel onze collectieve verbeeldingskracht.
Vanuit deze conditionering zijn wij gemakkelijk geneigd dat wat van ons
verschilt, vooral cultureel van ons verschilt, te depreciëren. Hoe meer wij
ertoe komen ons van deze werkelijkheid bewust te worden, hoe meer wij in staat
zullen zijn bruggen te slaan, een zodanige stap naar de ander te zetten dat een
reële dialoog mogelijk wordt’.
Vervolgens
gaat het erom de situatie van ieder van de gesprekspartners te verstaan, en te
proberen hun reacties, die ons soms zeer in de war kunnen brengen, te verstaan
in hun context.’(p. 109)
Voldoen
wij aan deze twee voorwaarden?
Een dialoog
moet een duidelijk doel hebben. Anders wordt het folklore, en vergroot het
slechts de afstand. (p. 110)
Hadden
de Marokkanen en wij een gezamenlijk doel voor ogen toen wij de afgelopen jaren
enkele gemeenschappelijke bijeenkomsten organiseerden?
Christiaan
citeert een moslimvriend die stelt dat het doel moet zijn het mogelijk te maken
dat christenen en moslims sámen de grote uitdaging aangaan een menselijke
samenleving te scheppen. En hij vervolgt: ‘Een van de doeleinden van de dialoog
is op een positieve manier met het verschil te kunnen leven, in respect, in de
acceptatie van de ander zoals die is, zonder geweld of minachting en zonder het
verschil te moeten camoufleren. Dit zou tot de ontdekking kunnen leiden dat de religieuze
en culturele verschillen, in plaats van een tegenstelling een aanvulling kunnen
zijn’. (p.110)
Ik
vraag me af: gelovige moslims tonen reserve ten aanzien van al de aandrang die
momenteel op hen wordt uitgeoefend om in onze samenleving te integreren. Zou
het bevrijdend kunnen zijn als wij christenen met hen in gesprek gaan en
vertellen dat ook wij niet volledig in de Nederlandse samenleving willen
integreren. En als wij concreet aspecten van onze samenleving noemen waarin wij
niet meegaan?
Ik merk
dat het hen ook al goed doet, als ik zeg: ‘wij moeten initiatieven ontplooien
die autochtone Nederlanders helpen zich te integreren in de multiculturele
samenleving die Nederland geworden is’.
In Egypte betekenen
de koptische en de moslimcultuur een verrijking voor elkaar. In Europa zou een
parallelle verrijking kunnen plaatsvinden. In het vorige hoofdstuk zagen we al
dat zo een verrijking in de middeleeuwen op sommige plaatsen plaatsvond. (p.
110) Onze multiculturele scholen kunnen
hierin een eminente rol spelen. (p. 110-111)
Problemen
tussen godsdiensten zijn veelal uitdrukking van maatschappelijke problemen. Als
we ze niet als zodanig verstaan, blazen we de conflicten alleen maar aan.
Dan geeft de schrijver
een aantal eisen waaraan een positieve ontmoeting en een constructieve dialoog
moeten voldoen. Zo niet, dan wordt het een teleurstelling. Onder 11 kopjes
besteedt hij hier 14 bladzijden aan. Ik geef slechts enkele elementen hieruit.
Allereerst: Er
bestaat een islam-ideologie en een islam-geloof, een christendom-ideologie en
een christendom-geloof. ‘Laten we niet vergeten dat iedere godsdienst
blootstaat aan het risico een ideologie te worden, een gesloten denksysteem en
een rigide gedragskader. Zij legt dan meer op dan dat zij voorstellen doet, zij
sluit dan meer dan dat zij opent. De tot ideologie geworden godsdienst deelt de
ander in en sluit hem op in onbeweeglijke categorieën. Het geloof daarentegen
opent, het opent het hart voor de levende God en zijn mysterie, en ook opent
zij het hart voor de kinderen van God, voor de menselijke wezens, voor hen
állen, zoals het hart van God onweerstaanbaar geopend is voor állen.
Godsdiensten die tot ideologie zijn verworden, kunnen moeilijk of helemaal niet
met elkaar communiceren. Zij daarentegen die hun godsdienst vanuit een
geloofshouding léven, kunnen elkaar werkelijk in God ontmoeten’. (p. 119)
Dan nog
slechts aanduidend: in een dialoog mag ieders bijdrage het karakter hebben van
een getuigenis. (p.122) Dit getuigenis moet een zo groot mogelijke
transparantie bezitten. Wat ik niet zou kunnen zeggen aan bevriende moslims,
mag ik ook niet zeggen als zij er niet bij zijn. (p.124). ‘Er is een diep en
radicaal respect voor de ander nodig. …. Dit respect is iets heel anders dan
adhesie, dan bijval.’ (p.124)
Tot slot van
dit hoofdstuk geeft Christiaan vijf bladzijden met aanwijzingen voor als de
gesprekspartners een gesprek over de geloofsinhouden willen aangaan.
(p.128-133)
Een cruciale
vraag komt in hoofdstuk 4 aan de orde: is de God naar wie de christenen
proberen te luisteren bij de inrichting van hun leven dezelfde God als die aan
wie de moslims gehoor geven?
In de achtste
eeuw zag Johannes Damascenus de moslims als eenvoudig een ketterse groep
christenen. Christiaan zegt: het verschil is ernstiger. ‘De visie van de
moslims op Jezus en op zijn heilbrengende rol (met hun ontkenning van de
verlossing door het kruis), hun verstaan van de verhouding van Jezus tot God,
en, in het verlengde daarvan, de voorstelling die de moslims zich maken van
God, al die elementen maken van de islam een andere godsdienst dan het
christendom. De erkenning van dat verschil is weldadig voor beiden, want zij
helpt de relatie met elkaar in waarheid te leven. Ja, zij is een van de
aspecten van het respect voor elkaar.’ (p.137)
Dit neemt niet
weg dat Christiaan telkens van vreugde wordt vervuld als het hem gegeven wordt
een moslim te ontmoeten in zijn of haar geloof in God.
‘Het geloof van
de moslims – hun aanbidding en hun gebed, het geheel van hun eredienst, en ook
hun verplichting aalmoezen te geven, te vasten, op bedevaart te gaan – richt
zich op de levende God die transcendent is, dwz anders dan zijn schepselen, de
geheel Andere, die ons tegelijk oneindig intiem nabij is. Hun geloof richt zich
op de schepper van hemel en aarde, die zich door zijn schepping aan de mensen
openbaart, die ware gelovigen en aanbidders heeft doen opstaan als Abraham en
zoveel anderen, en van wie de natuur oneindig overstijgt wat wij ons kunnen
voorstellen of zeggen. ….’ (p. 137).
Er is nog een
belangrijk ontmoetingspunt dat ons geloof verwant maakt aan het geloof van de
moslims: beiden leven wij ons geloof en onze verhouding tot God door de vorm
die wij gewetensvol aan ons leven geven. (p.139 bovenaan)
Christiaan
haalt verrassende uitspraken aan van het Tweede Vaticaans concilie en van paus
Johannes Paulus II die hetzelfde zeggen. (p. 138 - 140)
De paragraaf ‘De zin van het mysterie’ (p.141-145) is
misschien de mooiste van het hele boek. Hij speelt het klaar om iets
aansprekends te schrijven over de zin van het mysterie van de heilige
Drieëenheid voor het praktisch leven van christenen. Maar hij weet ook bloot te
leggen wat voor positieve uitwerking het godsbeeld van de moslims op hún leven
heeft. En daarnaast wijst hij bij de godsbeelden van christenen én moslims de
risico’s aan.
Dan volgen er 14 bladzijden over ‘Het
gebed als plaats van ontmoeting’ (p. 145-156, ja 158). Christendom en islam
vormen verschillende godsdiensten. Daarom verschillen de vorm en inhoud van hun
gebed. Het is goed dit verschil te kennen en te respecteren.
Het christendom kent het liturgische en
het persoonlijke gebed. In de islam is na de geloofsbelijdenis het gebed de
eerste plicht van religieuze observantie. Er zijn precieze voorschriften over
de frequentie, de tijden en de inhoud. Daarnaast kennen de moslims het vrije
gebed met smeekbeden maar ook met lofprijzing, dankzegging en gebed om
vergeving. Tijdens het rituele gebed is het moment van ter aarde buiging een
moment waarop veel moslims persoonlijk gebed vervlechten met het rituele.
Moslims kunnen zeer ontroerd raken als je hen vraagt: ‘wil je voor mij
bidden?’.
Christiaan heeft aan een aantal moslims
een vijftiental vragen over hun gebedspraktijk voorgelegd. De antwoorden die
hij weergeeft openen voor ons iets van hun innerlijke wereld. (p.148 – 158)
Christiaan van Nispen pleit ervoor om
in onze dagen, nu de islam ons vooral als een ons bedreigende politieke
werkelijkheid wordt voorgesteld, tot ontmoeting en gesprek te komen op het vlak
van spiritualiteit en gebed. Vergis je niet: ‘Als ik spreek over spiritueel
leven, bedoel ik niet dat te scheiden van het gewone en daagse leven met al
zijn economische, sociale, culturele en politieke aspecten, maar ik beoog die
dimensie van het geloof, van relatie met God, die aanwezig kan zijn bij al die
aspecten van het leven en er werkelijk invloed op kan hebben’ (dit schreef hij
in het boek al eerder, op p.136).
Leert
dit hoofdstuk ons iets voor onze contacten met moslims in Driebergen?
Hoofdstuk
5: Samen in de maatschappij (p.
161-178)
De ontmoeting en de dialoog tussen
christenen en moslims vindt niet in abstracto plaats. Het is een ontmoeting van
mensen die verantwoordelijkheid dragen voor onze samenleving. De grote
uitdaging is: kunnen christenen en moslims als ze elkaar in hun verschillend
gelovig zijn beter kennen en respecteren, gezamenlijk meer bijdragen aan een
goede en rechtvaardige samenleving?
Ook dit onderwerp pakt van Nispen
grondig aan. Op blz. 163-164 vat hij de vooroordelen en simplificaties samen
waarmee christenen de mogelijkheid afwijzen samen met moslims aan een
gezamenlijke maatschappij te werken. En op blz. 164-165 de niet vriendelijker
oordelen en beelden die bij moslims leven ten aanzien van christenen en die hen
sterken in de overtuiging dat er met christenen niet valt samen te werken.
Vervolgens doet hij rustig uit de
doeken dat de werkelijkheid bij beide groepen geschakeerder en daardoor bemoedigender
is dan de stereotype beelden suggereren.
CONCLUSIE
(p.179-182)
Ik vermeld alleen: als christenen en
moslims elkaar nader komen, mag dat nooit tegen een derde zijn. Nee, het moet
ertoe bijdragen dat álle mensen aan hen ‘naderbij’ komen.
NAWOORD
- door Zeinab El Khodeiry,
hoogleraar middeleeuwse filosofie aan de universiteit van Caïro
(p.183-186).
‘ …. Dit is het eerste boek dat een
tastbare ervaring met ontmoeting en dialoog met de ander beschrijft, en dat
erin slaagt verder te komen dan voorafgaande pogingen die theoretische
verhandelingen presenteerden. …. Dankzij zijn voortdurende en oprechte
pogingen, dankzij zijn openheid van geest, verwerft pater Christiaan een
diepgaande kennis van de islam, van zijn denken, en van zijn leerlingen. Deze
kennis overstijgt die van veel moslimgeleerden. Hij slaagt erin de problemen
van de moslims uit te leggen en hun actuele houdingen ten aanzien van de
westerse christen te rechtvaardigen. Hij corrigeert het valse beeld dat het
Westen heeft van de islam, een beeld waar haar media een grote
verantwoordelijkheid voor dragen ….
Zijn voortdurende ontmoeting met de
moslims, vooral in Egypte, voor wie hij een diepe liefde koestert, en van wie
hij zich beschouwt als een van hun geadopteerde zonen, inspireert hem tot een
nieuwe filosofie, die van de ontmoeting die de waarachtige dialoog begunstigt.
….
Zonder de inspanningen die moslims zich
getroost hebben, en zonder de stappen die zij hebben gezet in antwoord op de
uitnodiging die Pater Christiaan tot hen richtte, zou hijzelf er niet in
geslaagd zijn een dergelijke filosofie te ontwerpen, een dergelijk project, een
dergelijke hoop. Maar het is God en Hij alleen, die heeft gewild en die heeft
bewerkt dat de verschillende mensen elkaar gezamenlijk ontmoeten teneinde een
beter leven te ontwerpen.’ (blz. 183-186)
P.S.: wat níet in dit boek staat: de
Hoge Raad voor Cultuur te Caïro heeft besloten een Arabische vertaling van dit
boek te laten maken. Er komt ook een Nederlandse vertaling.
En wat ook niet in het boek staat: je
doet er goed aan dit boek te kopen, nu de Franse editie of straks de Nederlandse, die over – pak weg – een half jaar zal verschijnen.
Het boek is zo doorwrocht dat mijn samenvatting er niet helemaal recht aan kan
doen.
----------------------------------------------------------
bijlage:
Het gebed gemaakt door shaykh Ahmad
Hasan al-Bâqûrî (p.31)
Moslims en christenen eindigen hiermee
hun gezamenlijke bijeenkomsten in de in 1941 opgerichte en in 1975
heropgerichte dialooggroep.
God, Gij zijt het tot wie we ons
richten,
Gij zijt het in wie wij ons vertrouwen
stellen,
Gij zijt het van wie wij de hulp
inroepen,
Gij zijt het wie wij smeken:
schenk ons de kracht van het geloof in
U,
en het goede gedrag door de leiding van
uw profeten en gezondenen.
En wij smeken U, o God, ieder van ons
te maken
trouw aan zijn geloof en aan zijn
godsdienst,
zonder de bekrompenheid die onrecht
doet aan onszelf,
en zonder het fanatisme dat onrecht
doet aan onze medelandgenoten.
Wij smeken U, onze Heer,
onze religieuze broederschap te zegenen
en te maken dat oprechtheid de gids is
die er ons leidt,
gerechtigheid het doel dat we er
nastreven,
en vrede het goed dat we er vinden:
o Levende, o Eeuwige,
o Gij aan wie zijn de glorie en de eer.
Amen.