De weegschaal
In de streek
waar mijn grootvader geboren werd leefden de meeste mensen van het werk in de
vlasbrekerijen. Reeds vijf generaties lang ademden zij het stof in dat opsteeg
uit de gebroken stengels en lieten zich langzaam vermoorden: geduldige,
vrolijke geslachten, die geitenkaas en aardappelen aten en soms een konijntje
slachtten.
’s Avonds sponnen en breiden zij in hun
kamertjes, dronken pepermuntthee en waren gelukkig. Overdag braken zij het vlas
in ouderwetse machines, weerloos prijsgegeven aan het stof en aan de hitte die
uit de droogovens stroomde. In hun kamer stond één hard plankenbed voor de
ouders, met daaromheen de banken waarop de kinderen sliepen. ’s Morgens rook
het in alle huisjes naar uiensoep; zondags was er pap en de gezichtjes van de
kinderen bloosden van vreugde als de zwarte eikelkoffie op bijzondere
feestdagen licht werd, steeds lichter van de melk, die moeders glimlachend in
hun koffiekoppen goot.
De ouders
gingen vroeg naar hun werk, de kinderen moesten het huishouden doen: zij
veegden de kamer aan, ruimden op, wasten de vaat en schilden aardappels,
kostbare geelachtige vruchten waarvan ze de dunne schil moesten laten zien om de verdenking van
eventuele verkwisting of slordigheid af te wenden. Wanneer de kinderen uit
school kwamen moesten zij de bossen in om - al naar het jaargetijde -
paddestoelen of kruiden te plukken: lievevrouwebedstro en tijm, kummel, munt en
vingerhoedskruid en als zij ’s zomers het hooi van hun magere weiden hadden
gehaald verzamelden zij de kamillen. Zij kregen een pfennig voor een kilo
kamillen, die in de apotheek in de stad voor twintig pfennig per kilo aan
nerveuze dames werden verkocht. De paddestoelen waren kostbaar: zij brachten
twintig pfennig per kilo op en werden in de winkels in de stad voor 1 mark 20
verkocht. In de herfst, als het vocht de paddestoelen uit de grond drijft,
gingen de kinderen diep de groene duisternis der wouden in en bijna iedere familie
had haar eigen paddestoelenplekje, plekjes die van geslacht op geslacht werden
overgefluisterd.
De vlasbrekerijen en
de bossen behoorden aan de familie Balek en de Baleks hadden in het
geboortedorp van mijn vader een kasteel; de vrouw van het hoofd der familie had
van oudsher naast de bijkeuken een klein kamertje, waar paddestoelen, kruiden
en kamillen gewogen en betaald werden. Daar stond op tafel de grote weegschaal
van de Baleks, een ouderwets, met brons verguld ding, vol krullen en
tierelantijnen, waarvoor reeds de grootouders van mijn grootvader hadden
gestaan met de mandjes met paddestoelen en de zakken met kamillen in hun vuile
kinderhandjes, vol spanning toekijkend hoeveel gewichten mevrouw Balek op de
weegschaal moest leggen tot de zwaaiende wijzer precies op het zwarte streepje
bleef staan, op de dunne streep der gerechtigheid die elk jaar opnieuw moest
worden getrokken. Dan pakte mevrouw Balek het grote, in bruin leer gebonden
boek, schreef het gewicht erin en betaalde het geld: pfennigen of groschen en
heel, heel zelden wel eens een mark. Toen mijn grootvader een kind was, stond
daar een grote fles met zuurtjes, van die zuurtjes die een mark per kilo
kostten en als de mevrouw Balek, die toen over het kamertje regeerde, een goede
bui had, deed ze een greep in de fles en gaf alle kinderen een zuurtje en de
gezichten der kinderen bloosden van vreugde zoals zij bloosden wanneer moeder
op bijzondere feestdagen melk in hun koffiekoppen goot, melk die de koffie
licht kleurde, tot hij zo blond was als de vlechten van de meisjes.
Een der wetten, die
de Baleks het dorp hadden geschonken, luidde: niemand mag een weegschaal in zijn
huis hebben. De wet was reeds zo oud, dat niemand er meer over dacht wanneer en
waarom zij was ontstaan en zij moest worden nageleefd, want hij die haar schond
werd uit de vlasbrekerij ontslagen, zijn paddestoelen, zijn tijm en zijn
kamillen werden niet gekocht en de macht der Baleks reikte zo ver, dat ook in
de naburige dorpen niemand hem werk gaf en niemand de boskruiden van hem wilde
kopen. Maar sinds de tijd dat de grootouders van mijn grootvader als kleine
kinderen paddestoelen hadden geplukt en afgeleverd, die dan in de keukens van
de rijke lui in Praag werden gebruikt bij het vlees of als vulsel van
pasteitjes, sinds die tijd had niemand eraan gedacht de wet te schenden: voor
het meel waren er inhoudsmaten, de eieren kon men tellen, de stof die men
gesponnen had werd met de ellestok gemeten en de ouderwetse vergulde weegschaal
zag er niet uit, alsof zij niet zou deugen. Vijf geslachten hadden de dingen,
die zij met kinderlijke vlijt in het bos hadden verzameld, aan de schommelende zwarte
wijzer toevertrouwd.
Weliswaar leefden er
tussen die stille mensen ook enkelen, die de wet verachtten, stropers, die in
één nacht meer wilden verdienen dan met een hele maand zwoegen in de
vlasfabriek, maar ook zij waren blijkbaar nooit op de gedachte gekomen een
weegschaal te kopen of er zelf een te maken. Mijn grootvader was de eerste die
brutaal genoeg was om de gerechtigheid van de Baleks te onderzoeken, de Baleks
die op het kasteel woonden, twee rijtuigen hielden, en steeds de studie van een
der dorpsjongens op het Praagse seminarie betaalden; de Baleks bij wie de
pastoor elke woensdag tarok kwam spelen en het districtshoofd elke nieuwjaarsdag
- met het keizerlijke wapen op de koets - een bezoek kwam afleggen; de Baleks
die door de keizer op nieuwjaarsdag
Mijn grootvader was
vlijtig en intelligent: hij kroop verder de bossen in dan de kinderen van zijn
geslacht vóór hem, hij drong door tot in het dichte geboomte, waar volgens de
sage Bilgan, de reus, huisde en de schat van Balder bewaakte. Maar mijn
grootvader was niet bang voor Bilgan: hij drong reeds als kind diep in het
geboomte door en bracht als buit vele paddestoelen mee, hij vond zelfs truffels
waar mevrouw Balek dertig pfennig het pond voor gaf.
Mijn grootvader
noteerde alles wat hij de Baleks bracht op de achterkant van een
kalenderblaadje, elk pond paddestoelen, elke gram tijm en met zijn kinderhand
schreef hij ernaast, wat hij ervoor gekregen had; van zijn zevende tot zijn
twaalfde jaar schreef hij elke pfennig op en toen hij twaalf jaar was kwam het
jaar 1900 en de Baleks gaven iedere familie in het dorp een kwart pond echte
koffie, koffie die uit Brazilië komt, omdat de keizer ze in de adelstand had
verheven. De mannen kregen gratis bier en tabak en in het kasteel vond een
groot feest plaaats. In de populierenlaan, die van het kasteel naar het kasteel
liep, stonden vele rijtuigen.
Maar reeds op de dag voor het feest werd de koffie uitgedeeld in het kleine kamertje waar al
bijna honderd jaar de weegschaal der Baleks stond, die nu Balek von Bilgan
heetten, omdat volgens de sage Bilgan, de reus, een groot slot had gehad waar
nu het huis van de Baleks stond.
Mijn grootvader heeft mij vaak verteld
hoe hij na schooltijd naar dat kamertje ging om de koffie voor vier families te
halen: voor de Cechs, de Weidlers, de Vohlas en voor zijn eigen familie, de
Brüchers. Het was de middag voor
oudjaar: de kamers moesten versierd en er moest gebakken worden, men wilde geen
vier jongens missen om ieder apart een kwart pond koffie te halen.
En zo zat mijn grootvader op
het kleine, smalle houten bankje in het kamertje en liet zich door Gertrud, de
meid, de kwart ponden koffie voortellen die al in de pakjes waren verpakt, vier
stuks. Hij keek naar de weegschaal en zag dat op de linkerschaal het
pondsgewicht was blijven liggen: mevrouw Balek von Bilgan had het druk met de
voorbereidingen voor het feest. En toen Gertrud een greep wilde doen in de fles
zuurtjes om er mijn grootvader een van te geven, merkte ze dat die leeg was;
zij werd eenmaal per jaar gevuld, er kon precies een kilo zuurtjes in van een
mark per kilo.
Gertrud lachte, zei: ‘Wacht, ik zal
nieuwe halen’ en mijn grootvader bleef met de vier kwartspondspakjes, die in de
fabriek verpakt en dichtgeplakt waren, voor de weegschaal staan waarop iemand
het pondsgewicht had laten liggen.
Mijn grootvader nam de vier pakjes koffie, legde ze op de lege schaal en zijn
hart begon heftig te kloppen toen hij zag, dat de zwarte wijzer der
gerechtigheid links naast de streep bleef hangen, de schaal met het
pondsgewicht beneden bleef en het pond koffie tamelijk hoog in de lucht
zweefde; zijn hart begon te bonzen, hij had het gevoel dat hij in het bos
achter een struik op Bilgan, de reus, lag te wachten en hij haalde uit zijn
zakken kiezelstenen, die hij altijd bij zich droeg om ermee op mussen te
schieten die aan de kool van zijn moeder pikten – drie, vier, vijf kiezelstenen
moest hij naast het pondsgewicht leggen voor
de schaal met de vier pakjes koffie omhoog ging en de wijzer eindelijk precies
op de zwarte streep stond. Mijn grootvader nam de koffie van de weegschaal,
knoopte de vijf kiezelstenen in zijn zakdoek en toen Gertrud met de grote
kilozak vol zuurtjes kwam, die een jaar lang de blos der vreugde op de
gezichten der kinderen moest toveren, toen Gertrud de zuurtjes rammelend in de
fles schudde stond de kleine bleke jongen voor haar en er scheen niets veranderd
te zijn. Mijn grootvader nam niet meer dan drie pakjes koffie en Gertrud keek
de bleke jongen verschrikt aan toen hij het zuurtje op de grond gooide, het
kapottrapte en zei: ‘Ik wil mevrouw Balek spreken.’
‘Mevrouw Balek von Bilgan,’ zei
Gertrud.
‘Best, mevrouw Balek von Bilgan dan,‘
maar Gertrud lachte hem uit en hij liep in het donker terug naar het dorp,
bracht de Cechs, de Weidlers en de Vohlas hun koffie en zei dat hij nog naar de
pastoor moest.
Maar hij ging met zijn vijf kiezelstenen in zijn zakdoek de donkere nacht in. Hij moest ver lopen
tot hij iemand vond die een weegschaal had, die een weegschaal mocht hebben; in
de dorpen Blaugau en Bernau had niemand er een, dat wist hij. Hij liep de
dorpen door en kwam na twee uur in het kleine stadje Dielheim, waar apotheker
Honig woonde. Uit Honigs huis kwam de geur van oliebollen en toen Honig de
verkleumde jongen opendeed, rook zijn adem al naar punch. Hij had een natte
sigaar tussen zijn lippen, hield de koude handen van de jongen een ogenblik
vast en zei: ‘Is het erger geworden met de longen van je vader?’
‘Nee, ik kom niet om medicijnen, ik
wil …’ Mijn grootvader knoopte zijn zakdoek los, haalde de vijf kiezelstenen
eruit, hield ze Honig voor en zei: ‘Ik zou graag willen dat u die woog’. Hij keek angstig naar Honigs gezicht, maar
toen Honig niets zei, niets vroeg en ook niet boos werd, zei mijn grootvader:
‘Het is dat , wat er aan de gerechtigheid ontbreekt’, en pas toen hij in de
warme kamer kwam, voelde hij hoe nat zijn voeten waren. De sneeuw was door zijn
kapotte schoenen gedrongen en in het bos hadden de takken de sneeuw over hem
heen geschud, die sneeuw begon nu te smelten, hij was moe en hij had honger en
plotseling begon hij te huilen toen hij aan de vele paddestoelen en kruiden en
bloemen dacht, die op de weegschaal waren gewogen. De weegschaal der gerechtigheid
waaraan het gewicht van vijf kiezelstenen ontbrak. En toen Honig,
hoofdschuddend, met de vijf kiezelstenen in de hand zijn vrouw riep, dacht mijn
grootvader aan de families van zijn ouders en zijn grootouders die allemaal hun
paddestoelen en hun bloemen op de weegschaal hadden moeten laten wegen en het
onrecht spoelde als een grote golf over hem heen. Hij begon nog harder te
huilen, ging, zonder dat iemand hem daartoe had uitgenodigd, op een stoel in
Honigs kamer zitten, keek niet naar de oliebol en de kop warme koffie die de
goedige dikke mevrouw Honig hem voorzette en hield pas op met huilen toen Honig
zelf uit de winkel terugkwam en, met de rammelende kiezelstenen in zijn hand, zacht
tegen zijn vrouw zei: ‘Vijfenvijftig gram precies’.
Mijn grootvader liep de weg terug door het bos, twee uur lang, liet zich thuis slaan, zweeg
toen ze hem naar de koffie vroegen, zei geen woord, zat de hele avond te
rekenen op het papiertje waarop hij alles had genoteerd wat hij de
tegenwoordige mevrouw Balek had geleverd en toen het middernacht sloeg, toen op
het kasteel werd geschoten, toen overal in het dorp geschreeuw en geklepper van
ratels klonk, toen zijn familieleden elkaar omhelsd en gekust hadden, zei hij
in het zwijgen van het nieuwe jaar dat op het lawaai volgde: ‘De Baleks zijn
mij achttien mark en tweeëndertig pfennig schuldig’.
En weer dacht hij aan de vele kinderen
in het dorp, hij dacht aan zijn broertje Frits, die zoveel paddestoelen had
verzameld, hij dacht aan zijn zusje Ludmilla, hij dacht aan de vele honderden
kinderen, die allemaal aan de Baleks paddestoelen, kruiden en bloemen hadden
geplukt doch ditmaal huilde hij niet, maar vertelde zijn ouders en zijn broers
en zusters wat hij had ontdekt.
Toen de Baleks von Bilgan
op nieuwjaarsdag voor de hoogmis in de kerk kwamen - het nieuwe wapen, een reus
die gehurkt onder een spar zat, stond al in blauw en goud op hun rijtuig -
keken zij in de harde, bleke gezichten der mensen die hen allemaal aanstaarden.
Zij hadden dankbetuigingen en erepoorten verwacht en ’s morgens een aubade met
gejuich, maar toen zij door het dorp reden was het als uitgestorven. In de kerk
waren de gezichten der bleke mensen stom en vijandig naar hen toegekeerd en
toen de pastoor de kansel besteeg om de feestpreek te houden, voelde hij de
verlammende kilte in die anders zo stille, vriendelijke gezichten. Stotterend
en stamelend werkte hij zich door zijn preek heen en ging toen druipend van het
zweet terug naar het altaar. En toen de Baleks von Bilgan na de mis de kerk
verlieten, liepen zij tussen twee rijen
zwijgende bleke gezichten
door.
De jonge mevrouw Balek von Bilgan bleef vooraan bij de kinderbanken staan, zocht het gezicht
van mijn grootvader, het gezicht van de kleine bleke Franz Brücher en vroeg hem
in de kerk: ‘Waarom heb je de koffie voor je moeder niet meegenomen?’
En mijn grootvader stond op en zei: ‘Omdat u me zoveel geld schuldig bent als
vijf kilo koffie kost”. En hij haalde de vijf kiezelstenen uit zijn zak, hield
ze de jonge vrouw voor en zei: ‘Zoveel, vijfenvijftig gram, ontbreekt er op een
pond aan uw gerechtigheid!’; en nog voor de vrouw iets kon zeggen, hieven de
mannen en vrouwen in de kerk het lied aan: ‘Aardse gerechtigheid, o Heer, heeft
u gedood …’
Terwijl de Baleks in de kerk waren, was Wilhelm Vohla, de stroper, het kleine kamertje binnengedrongen
en had de weegschaal gestolen en het grote, dikke in leer gebonden boek waarin
elk kilo paddestoelen, elk kilo kamillen, alles wat de Baleks in het dorp
hadden gekocht, was opgeschreven en de hele nieuwjaarsmiddag zaten de mannen
van het dorp in de kamer van mijn overgrootvader te rekenen. Zij rekenden uit
wat elftiende van alles was van alles, wat er gekocht was – maar toen zij reeds
vele duizenden talers berekend hadden en nog steeds niet klaar waren, kwamen de
gendarmes van het districtshoofd, drongen schietend en stekend de kamer van
mijn overgrootvader binnen en haalden met geweld de weegschaal en het boek
terug. De zuster van mijn grootvader, de kleine Ludmilla, werd daarbij gedood,
een paar mannen werden gewond en een van de gendarmes werd door Wilhelm Vohla,
de stroper, doodgestoken.
Er was niet alleen oproer in ons dorp, maar ook in Blaugau en Benauw en bijna een week lang lag
het werk in de vlasfabrieken stil. Maar er kwamen heel veel gendarmen en de
mannen en vrouwen werden met gevangenisstraf bedreigd en de Baleks dwongen de
pastoor in de school in het openbaar de weegschaal te vertonen en te bewijzen
dat de wijzer der gerechtigheid het juiste gewicht aanwees. En de mannen en vrouwen
gingen weer naar de vlasfabrieken - maar niemand ging naar de school om te
horen wat de pastoor zei: hij stond daar helemaal alleen, treurig en hulpeloos,
met zijn gewichten, zijn weegschaal en zijn zakjes koffie.
En de kinderen verzamelden weer
paddestoelen, tijm, kamillen en vingerhoedskruid, maar elke zondag werd, zodra
de Baleks de kerk betraden, het lied aangeheven: ‘Aardse gerechtigheid, o Heer,
heeft u gedood’, tot het districtshoofd in alle dorpen liet omroepen dat het
zingen van dit lied verboden was.
De ouders van mijn grootvader moesten het dorp en het pas gedolven graf van hun
dochtertje verlaten. Zij werden mandenvlechters en bleven in geen enkele plaats
lang, omdat het hun pijn deed te moeten aanzien, dat in alle plaatsen de wijzer
der gerechtigheid het verkeerde gewicht aanwees. Zij trokken verder achter hun
wagen, die langzaam over de wegen kroop, hun magere geiten trokken met hen mee
en als er iemand langs de wegen liep, hoorde hij soms hoe daarbinnen werd
gezongen: ‘Aardse gerechtigheid o Heer, heeft u gedood.’ En wie naar hen wilde
luisteren kon de geschiedenis horen van de Baleks von Bilgan, aan wier
gerechtigheid één tiende ontbrak. Maar er was bijna niemand die naar hen luisterde.
Uit
‘Het dal der dreunende hoeven, en andere verhalen’,
van Heinrich Böll. (1967)