“Toen ik
van Ravenstein terugreed....”
... hing die laatste vraag: “De vrome van morgen zal
.....” steeds in mijn hoofd. Wie zal zo worden benoemd en waarom? Wat gelooft
h/zij?
Zeker is, dat
iedereen ooit alles heeft geloofd. Als kind geloofde ik in een God die leek op
een soort opa, aardig, maar voor wie je toch wel moest uitkijken. Heel gangbaar
(toen nog). Dat soort ’goden’ valt gauw door de mand. Je verliest je geloof of
je houdt het vast, wil er niets (meer) mee te maken hebben of het maakt je
juist reuze nieuwsgierig. Toen ik m’n theologie deed, kwam alles wat tot dan
toe ondenkbaar was langs. Ik herinner met nog een tractaatje “De aardse Jezus”,
– nou, dat was ‘t echt, maar na een tijdje kwamen ook alle christologische
concilies langs. Wat moest je ermee? Gewoon door blijven ademen en vooral
geloven dat het de heilige Geest was die de Kerk die kant heeft opgestuurd:
Jezus, de zoon van God. Daarop moest het uitkomen, ...
Als je op zo’n reünie rondhangt, praat je over van alles
en vangt tussen de regels door op wat al die mensen bezig houdt over de dingen
van het geloof. En dat is ‘nogal’ verschillend! Ik herinner me een lid van de
club (– hij was er deze keer niet bij –) die het bestond tegen zijn
oudordegenoten te praten in termen van: “Ach ja, jullie christenen denken
.....” Duidelijker kon hij de genomen afstand tot zijn eigen geschiedenis niet
maken. Waarschijnlijk zeldzaam, maar toch. Eén ding is echter zeker: ook hij
heeft een nieuw standpunt ingenomen. Wat ik in Ravenstein deze keer sterk vond,
was de praatgroep waarop ik inschreef (persoonlijke spiritualiteit), want daar
was te horen wat iedereen aanvaardde en ook weg had gedaan, – tenminste, zo
ongeveer.
Dat past aardig in een heel eigentijdse ‘parabel’. Toen
de p.c. nog in de DOS-periode verkeerde, wist ieder gebruiker dat er achter de
documentnamen en commando’s een hevige beweging van nullen en enen schuilging.
We hadden er vrede mee, want die wirwar was immers niet te bevatten. Je had
alleen het scherm. Je keek er van de buitenkant tegenaan en vertrouwde dat het
klopte met wat er op die onzichtbare achtergrond gaande was. Er was geen
toegankelijkheid tot de nullen en enen; je bereikte die processen middels een shell (zoals in de wereld van de
computers het heet), – een schil om die processen heen, die ze onzichtbaar
maakt maar wel hanteerbaar. Het bezwaar bleef echter dat de p.c.-gebruiker veel
uit het hoofd moest kennen om ermee om te kunnen gaan. Norton Commander was
dacht ik een van eerste programma’s die probeerde de toegankelijkheid te
verbeteren.
De doorbraak
kwam echter van Microsoft met zijn vondst: Windows. Het was een supershell die de toegankelijkheid van de
rekenprocessen in één klap aanzienlijk verbeterde door juist daarvan zeer grote
afstand te nemen. We weten in de verste verte niet wat er in de p.c. aan
rekenarij gaande is, maar we vertrouwen erop dat de shell, Windows, ons geeft wat we vragen.
Enfin, het is een verhaal dat ook een ander had kunnen
schrijven en gauw beter dan ik. Maar wat ik interessant vind, is de
vergelijkbaarheid met de dingen van ons geloof. Wat we geloven, bereiken we via
voorstellingen, geloofsinhouden, tradities, leerprocessen en zo meer. Het zijn
allemaal shells. Het dikke boek van
Waaijman vertelt erover in wel duizend vormen of meer. Religieuze shells zijn er vele: infantiele en
sentimentele, gedateerde en heel nieuwe, simpele en gecompliceerde, heldhaftige
en hartverscheurende, – allemaal pogingen in contact te zijn met wat
principieel onbereikbaar is.
Getroffen werd
ik ooit door wat Karl Barth schreef in zijn boek over de Romeinenbrief: “Elk
geloof dat meer wil zijn dan een gapende leegte, is ongeloof,” m.a.w. is
geloven in je eigen ontwerp, dus in jezelf. Ik denk dat niemand daar helemaal
langs komt. Geloven doe je altijd, minstens in jezelf. Je kunt je aan die
gapende leegte overgeven, liefst radicaal; je kunt het ook weigeren en dan kom
je nergens anders uit dan bij jezelf. Dan ben je van alles af! Maar ook dat
is een shell, al dan niet in de praktijk, formuleerbaar of niet. Kortom,
een shell, – er is geen andere weg.
Voor bv. Karl Rahner (een idool van Kees Waaijman, zoals we hoorden) is die shell een andere dan die van mijn linker
of rechter buur, van ieder uit die bonte verzameling van jezuďeten en
oud-jezuďeten. Elke shell is goed
(beantwoordt aan zijn doel) zolang die werkt. Maar in de loop van de tijd zal
jouw persoonlijke shell niet meer
voldoen, zal lijden aan slijtage.
Zo geeft
Jacques L. het voorbeeld van een moslim die zegt: “God heeft geen zoon!” Het
klinkt als een verwijt aan christelijk denken. Inderdaad, maar alleen als er
geen gevoel is voor een metafoor. Of iets anders: “Jezus was een kind van Maria
én Jozef.” Wat mij betreft: prima, maar voor ik mezelf gerustgesteld heb, vraag
ik het wel even aan een historicus, want die gaat immers over feiten. H/zij zal
zeggen dat het niet te achterhalen is, – wel via getuigen die er vervolgens
niet blijken te zijn, of via DNA dat als uitsluitend onderzoek nu geen kansen
meer maakt. Dus met dat “prima” even de pas inhouden. Maar de theoloog is van
een andere afdeling. Hij werkt met een andere shell dan de historicus en vraagt zich (bv.) af wat een verhaal
vertellen wil. ongezien eventuele feiten.
Ik vind (voor
mij zelf) die voorbeelden heel helder. Het zijn allemaal denkvormen die de
theologisch hete hangijzers creëren. Iedereen bedenkt in vijf minuten er een
dozijn van. Ratzinger vindt het maar niks; hij noemt het relativisme en haat
het. Die haat vind ik dwaas; ook hij heeft immers zijn eigen shell. Maar in één ding heeft hij
gelijk: niet iedere shell biedt
dezelfde mogelijkheden. Er moet toch een beste zijn. Sommige zijn beperkt, maar
tegelijk best wel goed. Er zijn mensen die hun contact met God vinden in een
jaarlijkse bedevaart naar Kevelaer, of in een viering in de Dominicus aan het
Spui in Amsterdam, of in de theatrale praal van Vaticaanse massabijeenkomsten,
of als de karthuizer monnik die met een vermorzeld hart God om vergeving
vraagt, – ik denk hier ook even aan André Louf o.c.s.o., die als kluizenaar
leefde hoog in de Provence en vorig jaar overleed. Zijn shell is niet zo gangbaar, maar lijkt veel te bieden te hebben.
Volgens mij moet ieder die zoekt naar de beste shell voor zijn contact met God vooral
bij zichzelf zijn, – ja, wel lezen natuurlijk (en bidden wellicht [maar dan ben
je al bezig met het ontwerp van je eigen shell]),
praten met anderen, ... hoe dan ook, wat ik zou willen noemen: leven in geloof.
Bij tijden is het geen dag hetzelfde. Gelukkig, denk ik dan; er gebeurt
tenminste wat.
“De vrome van morgen zal .....” Ik zou op die puntjes
willen invullen, bv. “... zich moeten neerleggen bij wat mogelijk is krachtens
eigen invulling.” Of dan een ander die invulling (a)theďsme wil noemen,
ongeloof, ouderwets, progressief, mystiek of wat ook, h/zij zal zich dan daarbij
baseren op de eigen shell! Dat is
goed zolang die werkt, maar of de invuller daaraan iets heeft? Ik denk ‘t niet.
Ik denk nu aan een thema voor een volgende reünie:
ROEPING. Laat Kees Waaijman als specialist in wat een mens beweegt, opnieuw
komen en vertellen wat hij erover zeggen kan, tegen de achtergrond van wat ons
bindt, – ons, d.w.z. die bonte verzameling van concrete, aardige, serieuze,
zoekende, vindende, nabije of afstandelijke jezuďeten en oud-jezuďeten, ieder
met een eigen imponerende, integere levensgeschiedenis.
Heb ‘t goed allemaal.
Frans Verhaar pr.
Frans E.M. Verhaar pr.
Park Sparrendaal 110
3971 ST Driebergen-Rijsenburg
tel.: 0343 511058
E-mail: femverhaar@hetnet.nl