Levensverhaal
van Ton Veerkamp
We
beginnen maar met de schola carolina,
een instituut voor zogenaamde “late roepingen”. Een “late roeping” was iemand
die een eindexamen HBS haalde, priester wilde worden en geen woord latijn kon
lezen. Aan het Ignatiuscollege in Amsterdam was zo een schola carolina. Ik deed in
1951 mijn eindexamen HBS B en begon latijn en grieks te leren in de herfst van
1953. Latijn doceerde Jan Vollaerts, een musicoloog. Hij was docent en
directeur aan het bischoppelijk instuut voor kerkmuziek in Utrecht. Naar zijn
mening moest het gregoriaans rhythmisch gezongen worden en staafde die mening
met een uitvoerig onderzoek naar het vroegmiddeleeuwse notenschrift. Zijn
geleerd werk over die materie verscheen posthuum (1958) bij Brill in Leiden en
is tot op de dag van vandaag een standaardwerk. Dat werd als een aanval gezien
op het bovenaards-geestelijk karakter van het gregoriaans dat de benedictijnen
van Solesmes zongen en dat door het Vatikaan als de meest geschikte manier van
zingen werd voorgeschreven. Vollaerts werd het slachtoffer van intrigen in en
buiten de orde. Dat kostte hem zijn baan en ruineerde zijn gezondheid. Deze
doodzieke man voerde ons van laudo,
laudas tot het lezen van Vergilius. Hij stierf in september 1955. Mag zijn
orde hem vergeten zijn, de wetenschap houdt hem in ere. Grieks leerden we bij
de heer Linders. Deze man was – zoals het toen heette – “fout” in de oorlog geweest
en is daarna ook “fout” gebleven. Toen we hem zeiden dat we naar de opvoering
van Ajax (Sophocles) in het Carré wilden gaan, de regisseur was de theaterman
en dirigent Bertus van Lier, zei Linders met grote verachting: “Dat joodje!”
Maar grieks heb ik bij hem zo goed geleerd dat ik tenslotte Homerus zonder
woordenboek kon lezen.
Op
de schola carolina leerde ik een aantal mensen kennen met wie ik tot het einde
van mijn opleiding in 1966 samen woonde, in Mariendaal, in Nijmegen en in
Maastricht, Cees Abel, Henk Friebel, Carel van Tulder, Frans Bokelman, Piet
Heldens, Cor Hubers, Chris Meijers. Met de vier laatst genoemden begonnen we op
8 september 1955 het avontuur in de Societeit. We waren 1955 met 26
mensen; ik kan nog alle namen noemen,
Boermans, Bokelman, Brenninkmeijer, Coffeng, van Dael enz... Een paar hielden
het al een paar maanden later voor gezien. Aan het noviciaat heb ik geen
zonnige herinneringen, wel goede aan de meeste lotgenoten. Met de Magister,
Paul Smits van Waesberghe, had ik een hoffelijke maar weinig hartelijke
verhouding. De grote geestelijke oefeningen, dertig dagen met drie korte
onderbrekingen, waren letterlijk een brainwashing.
Je moest er aan geloven – in de twee betekenissen van dat woord. Ignatius
en zijn geestelijke oefeningen! Een merkwaardige mengeling van toen al
versleten middeleeuwse ridderidealen en de breuk met alles wat tot dan toe kloosterlijk
was – een moderne orde met voormoderne idealen. In dit ideologisch gesproken
heterogene milieu van de Jezuieten kon ik alle kanten op. Ik moest daarvoor wel
door de lange, soms donkere, maar vaak ook verlichte tunnel van een
Jezuietenopleiding.
Omdat
ik een “late roeping” was, kon ik van het noviciaat direct naar het Berchmanianum.
Het soort filosofie dat we drie jaren lang moesten leren was nominaal
“Thomisme” – want de inzichten van Thomas van Aquino waren sinds Leo XIII
verplichte leer voor iedereen die priester wilde worden. Dit Thomisme diende
als verpakking. De inhoud bijvoorbeeld van de ontologie die ons Michael Marlet
probeerde bij te brengen was eigenlijk meer Martin Heidegger. De meesten
begrepen niet waarom “Warum ist Seiendes und nicht vielmehr nichts?” een
diepzinnige vraag was. Later heb ik Heidegger gelezen en begrepen waarom hij
een handlanger van het nationaalsocialime van Hitler en kornuiten kon worden.
Maar die samenhang heeft ons Marlet niet geleerd. Een ander was Antonius van Leeuwen,
van huis uit een ingenieur van de TH Delft en in Nijmegen Professor in Ethica.
Ook bij hem was Thomisme verpakking, de inhoud was Hegel. Hij kon dus alles uit
één princiep afleiden. Daaruit volgde bij onze ethica-professor noodzakelijke
de katholieke kerk, de moderne democratie, het onverbreekbare huwelijk, alles.
Hij heeft mij als thema voor de licenciaatsscriptie het volgende in de maag
gesplitst: “De stelling van de moraal in de Phänomenologie des Geistes.” Een
marteling, vooral omdat van Leeuwen het niet nodig vond mij een beetje wegwijs
te maken. Na twee maanden zei ik hem: “Ik kan dat niet”. Hij vroeg wat ik
gelezen had. “De Vorrede”. Hij zei: “Die kan je pas begrijpen als je het hele
boek gelezen hebt.” Hij liet mij verder etteren en ik leverde tenslotte 12
bladzijden af. Van Leeuwen was er blij mee en gaf me tot mijn verbluffing een
acht. In de jaren zeventig was marxisme de heersende leer in Berlijn. Zonder
Hegel geen Marx en in het colloquium voor doctoranden bij de joodse Professor
Jakob Taubes aan de Freie Universität in Westberlijn kwamen mijn hegeliaanse
escapades in het Berchmanianum goed te pas; ik ben voor de rest van mijn leven
een critische leerling van Hegel gebleven. Van Leeuwen was niet populair. De
latere rector Han Hollander heeft van Leeuwen als praefectus studiorum op een
weinig elegante manier aan de dijk gezet, wat bij deze geintroveerde Hegeliaan
tot een psychische collaps leidde.
Na
twee verloren jaren van surveillance in Amsterdam ging ik naar Maastricht. De
vier jaren daar, 1962-1966, waren met de twee daarop volgende jaren in New York
beslissend in mijn leven. Felix Mamberg was belangrijk, niet alleen voor mij
maar ook voor veel anderen. Ik heb nauwelijks een mens gekend die zo humaan en
daarbij zo voornaam in de beste betekenis van het woord was als Malmberg. Hij
placht te zeggen: “wie als man van dertig jaar niet met zijn vrijheid kan
omgaan die kan ook ik niets meer leren.” Hij liet ons vrij maar hij zei ons wel
zijn mening. Wat de theologie betreft heb ik het meeste geprofiteerd van Piet
Ahsmann en Han Renckens en ook van de manier waarop Jan Rupert met
kerkgeschiedenis omging. De Dogmatiek was onderbelicht en de moraaltheoogie een
catastrophe. In beide vakken lagen meer dan elders de ketterjagers op de loer,
met gevolg dat deze vakken onder meters van eeuwenoud stof bedolven waren. Een
ietwat andere weg ging Joris van den Berg; hij wandelde op de wegen van de toen
befaamde Jezuiet Teilhard de Chardin. Mij kon dat niet overtuigen. Maar er viel
meer te leren. Veel mederbroeders hadden nog een ander vak op de universiteit gestudeerd of hadden
andere bekwaamheden. Hans Peters bijvoorbeeld had in Kopenhagen geschiedenis
gestudeerd. Hij leerde mij een critische, bijna marxistische manier om
historische processen te begrijpen. Maar ik herinner mij ook aan Louis
Sommeling die ons bijgebracht heeft hoe je filmen moet bekijken, bijvoorbeeld
aan de hand van de beroemde oorlogsfilm uit de Sovjetunie Toen de kraanvogels vlogen. En dan was er het werk met de
scholieren van het Hendrik van Veldeke college. Het was een grootse tijd.
Intussen
was het tweede Vatikaans concilie begonnen. Bijna alles kwam op de helling, ook
het curriculum. Tijdens een college van de moraaltheoloog van Kol – overigens
een zeer beminnelijke man – zei iemand van ons – ik geloof, het was Frans van
der Maas – “Maar dit is toch allemaal onzin”. Wij vielen hem bij, van Kol was
geconsterneerd, het college werd afgebroken – het moet maart 1964 geweest zijn.
Natuurlijk vonden de meesten dit soort van klassieke moraaltheologie met twee
semesters gezeik over sexualiteit – in
vase debito! – onzin. Het was echter de eerste keer dat een klas openlijk
zei: “dat willen we niet meer leren” –
en dat in een orde waar gehoorzaamheid de hoofddeugd was. Malmberg liet
daarover uitvoerig praten, groepsgewijs. De ene vergadering volgde op de
andere. Het gevolg was dat iedere scholastiek maar moest opschrijven wat hij
wel wilde leren. Daarover werd met professoren overleg gepleegd met het gevolg
dat ieder zijn eigen accenten kon zetten.
Precies
in die tijd was de hele provincie in rep en roer. De rede van Jan van Kilsdonk
over het “terreur van het Vatikaan”, de chaos in Maastricht en het conflict
rond het tijdschrift De Linie: dat alles leidde tot de visitatie van de
provincie door een door Rome aangewezen visitator. Die visitator was de vlaamse
jezuiet Snoek. Mij zei hij op goed vlaams: “Niets verplicht U van in de
Societeit te zijn.” Wat viel daarop te zeggen? Twee redacteuren van de Linie
moesten gaan, Joos Arts en Nico van Hees verlieten de orde, de Linie verdween,
die Nieuwe Linie kwam. In de communiteit aan de Tongerse straat in Maastricht
bleef dat niet zonder gevolgen. Mensen als Hein Bekkers, Huub Oosterhuis, Piet
Vlaar, Jos Vrijburg namen het voortouw. Andere verzetten zich er tegen en
spraken van “opinie-terreur”. In ieder geval werd toen al in Maastricht de
breuk in de nederlandse provincie van de orde zichtbaar en steeds groter totdat
een paar jaren later alles uit elkaar vloog.
[Tussen
twee haakjes: Vijftig jaar geleden begon het tweede Vatikaans Concilie. Hoeveel
mensen hebben niet hun hoop gezet op de storm die door de kerk ging? Storm is
hier het woord voor ruach adonaj, de Heilige Geest. Voor wie dat
zo ziet waren de pontificaten van Paulus VI, Johannes Paulus II en Benedictus
XVI een aanhoudende zonde tegen de Heilige Geest. Alle zonden worden vergeven,
niet die de zonde tegen de Heilige Geest.
Om deze uitdrukking in prosa te vertalen: wie niet bereid is op nieuwe wegen te
gaan heeft zijn toekomst verspeeld. De huidige paus heeft een van de meest
conservatieve bischoppen in Duitsland, ene Müller uit Regensburg, tot het hoofd
van het vatikaanse departement voor de geloofsleer aangesteld, juni 2012, het
baantje, dat Ratzinger van 1980 tot 2005 zelf had. Je kunt hervormingen die
1962 nodig waren niet vijftig jaar en langer uitstellen. Komen ze nu, blijft er
van de kerk niets over. Dus komen ze niet.]
Terug
naar het Maastricht van de jaren zestig. Het accent dat ik in mijn studie van
de dogmatiek zette was Karl Barth en Dietrich Bonhoeffer, de eerste een
zwitserse reformatorische theoloog, de tweede een lutherse duitse martelaar en
kerkleraar, met zijn brieven uit de gevangenis (Widerstand und Ergebung) “leven zonder God – voor God”. Het boekje
van Johannes Christiaan Hoekendijk, De
kerk binnenste buiten, was verschenen. Ik wist: ik wil bij deze man
studeren. Ik besprak het met Felix Malmberg, hij stuurde me naar Utrecht om het
project van een dissertatie te bespreken. Hoekendijk zag er iets in, maar hij
ging naar New York. “Dan ga jij naar New York”, besliste Malmberg. Zo ging dat
bij de Jezuieten.
In
New York was Hoekendijk professor aan de ecumenische theologische faculteit,
Union Theological Seminary. Het lag aan de Broad Way, schuin tegenover de
Columbia University waarmee Union geaffilieerd was. Het waren de dagen van de
Vietnam-oorlog. Wat voor Katholieken het concilie was, was voor veel
Protestanten de World Conference on
Church and Society van de Wereldraad van Kerken, Genève Juli 1966. Het was
de eerste keer dat de Wereldraad zich expliciet met economische en sociale
problemen bezig hield. Hauptslogan: The
world sets the agenda for the church”: wat in de wereld gebeurt bepaalt wat
de kerk moet doen. De atmosfeer in Union was vergelijkbaar met de conciliaire
atmosfeer in Maastricht. Minstens een dozijn soorten van protestantse kerken
waren vertegenwoordigd, maar ook een kleine groep van katholieken. Het speelde
allemaal eigenlijk geen rol meer – de scheiding tussen de kerken was voor het
progressieve deel van professoren en studenten al lang overwonnen. De orde had mijn studiekosten voor zijn
rekening genomen; het was net genoeg om logies en collegegeld te bestrijden,
voor eten bleef twee dollar per dag. Ik was tamelijk slank in die dagen. Om er
iets bij te verdienen bezorgde mij Jan Linthorst, die toen in New York woonde,
assistenties. In een parochie op Long Island deed ik op kerstmis en nieuwjaar
1966/67 de mis, hoorde biecht en preekte. Op nieuwjaar ging het over de naam
Jesus. Ik vertelde de gemeente dat kardinaal Spelman, aartsbisschop van New
York, in Vietnam was en daar voor soldaten preekte. Hij zei dat de soldaten
daar hun plicht voor het vaderland “in de naam van God” deden. Ik zei in mijn preek
dat dit een Godslastering was. Binnen een week kreeg ik een brief van de
provinciaal waarin hij van mij rekenschap verlangde. Het werd duidelijk dat mij
als priester in deze kerk een leven vol
van volledig onproductieve conflicten te wachten stond. Ik schreef dus de
provinciaal dat ik de orde en de priesterstand ging verlaten. Ik schreef dat ook aan Felix Malmberg. Hij
antwoordde dat je deze dingen niet schriftelijk afhandelen mag, hij stuurde mij
een ticket en ik vloog naar Holland. Malmberg nam veel tijd voor dat gesprek en
zei ten slotte: “als je denkt dat dit je weg is moet je hem gaan.” Hij stuurde
me dan naar Jan Rietmeijer, die redelijke en solidaire professor voor kerkelijk
recht, om met hem de procedure te bespreken.
Ik
ging naar New York terug en bleef daar tot midden 1968. De orde verlangde van
mij geen geld terug; dat niet alleen: ze stuurde mij voor het wintersemester
1967/68 nog eens $ 500; dat was toen veel geld. Ik denk dankbaar aan de
nederlandse Jezuieten terug. Zonder die orde en wat ik bij hen leerde zou ik
nooit op de plaats gekomen zijn waar ik nu ben.
Als
ik begin over mijn lotgevallen in New York te schrijven wordt het een gebed
zonder einde. Laat me dus alleen de winnaar van de nobelprijs voor literatuur
1948, Haldur Laxness, citeren: “Wie twee jaar in Amerika woont wordt ofwel gek
ofwel communist”. Ik ben er niet gek geworden. Maar één wrange anecdote wil ik
toch vertellen. Midden in het dramatische jaar 1968, tussen de moord op Martin
Luther King en op Robert Kennedy, toen de studenten de gebouwen van de Columbia
University bezet hielden, toen in Union gebeurde, wat in 1964 in Maastricht
geschiedde, de opstand tegen een verstoft curriculum, en ik als assistent van
Hoekendijk meer dan genoeg te doen had, belde de vicaris-generaal van het
bisdom op. Hij wilde met mij over mijn verzoek praten om weer in de stand van
de leek terug te keren. We maakten een afspraak in een restaurant. Hij legde
uit wat de volgende stappen waren en vroeg mij waarom ik het priesterschap op
wilde geven. Ik wilde geen vruchteloos debat over de toestand van de kerk en gaf
het celibaat als hoofdmotief aan. Hij keek mij verbaasd aan: “you could have from time to time a girlfriend,
where is the problem?” Voor hem was de hoofdzaak dat priesters voor de buitenwacht celibatair
leven; wat ze in hun vrije tijd met vrouwen of mannen doen speelde voor hem
geen rol zo lang het niet in de gaten loopt. Het was mijn beurt om verbaasd te
zijn en ik zei hem dat ik mijn relatie met een vrouw openlijk zou willen leven.
Hij haalde zijn schouders op. Er liepen toen en er lopen nu noch honderden van
dit soort cynische prelaten in de rooms-katholieke kerk rond. Hij bevestigde
mijn gevoel: in die kerk gaat niets meer, tenminste niet voor mij.
Ik
moest dus niet meer kiezen tussen mijn liefde en het celibaat maar wel tussen
die liefde en een academische carrière in Amerika. Die liefde woonde in
Berlijn, helaas aan de andere kant van de Berlijnse muur. Wil ik tenminste in
haar buurt zijn moest ik naar West-Berlijn. Duitsland was toen voor mij wel het
laatste land waar ik had willen wonen; nu woon ik er sinds meer als veertig
jaar en zal er wel een eerlijk graf vinden. Drie en een half jaar lang, van
september 1968 tot februari 1972, twee tot drie keer in de week over de grens,
een grens tussen twee helften van wat ooit één stad was geweest, een grens
tussen de twee blokken van de koude oorlog, een oorlogsgrens, waaraan west en
oost eendrachtig gebouwd hadden. Als het om mensen gegaan was, waren er opties
genoeg geweest om de duitse kwestie anders te regelen. Maar het ging en gaat
nooit om mensen. Zelden ging zo’n trip van west naast oost snel, meestal duurde
het minstens een half uur om van het westelijk perron op het oostelijke perron
van het station Friedrichstrasse of over het Checkpoint Charly te komen, soms langer en af en toe met Leibesvisitation: je moest je uitkleden,
je kleren werden onderzocht of niet toch verboden waar of verboden boeken
meegesmokkeld waren. Een keer had ik bezoek van Huub Oosterhuis en Ton van der
Stap. Ton kreeg in het westen een pamfletje toegestoken, stak het zonder er
notitie van te nemen in zijn zak. De DDR-douane vond het pamfletje –
anti-communistische propaganda van het ordinairste soort. Grote opschudding. Het
liep na anderhalf uur met een sisser af. Ons bezoek aan een voorstelling in het
Brechttheater viel in het water, dat was alles. Op 19 december 1970 bracht ik
mijn vrouw naar het ziekenhuis voor de geboorte van ons kind. Ik mocht er niet
bij blijven en moest terug naar Westberlijn. Er was tussen West- en Oostberlijn
toen nog geen telefoonverbinding. Precies op de volgende dag, 20 december 1970,
hadden de vier geallieerde machten een overeenkomst bereikt waardoor de
communicatie tussen West- en Oostberlijn een stuk eenvoudiger zou worden. Om
negen uur van die dag belde het ziekenhuis mijn schoonvader op: zijn dochter
had een kind gekregen. Om mij te bereiken moest hij mijn ouders in Amsterdam
opbellen, dat ging; naar Westberlijn bellen ging toen nog niet. Mijn ouders
belden mij. Zo hoorde ik dat ik vader van een dochter was geworden. In dit
soort leven had je geduld en sterke zenuwen nodig, niet bepaald mijn sterkste
eigenschappen. Mijn papieren om te kunnen trouwen haalde ik van het stadhuis in
Amsterdam; Nederland onderhield geen diplomatieke betrekkingen met de DDR. Met
die papieren moest ik dus een stempel halen bij het ministerie van binnenlandse
zaken; met dat stempel naar het ministerie van buitenlandse zaken, dan naar de
nederlandse ambassade in Praag, daarmee naar het tsjechische ministerie van buitenlandse
zaken en dan naar de ambassade van de DDR in Praag: overal een stempel met
leges halen: de burocratie moet ook leven. Pas toen ik al die stempels samen
had kon ik mijn papieren met de papieren van mijn vrouw op het stadhuis in
Oostberlijn afgeven. Die stempels bedierven snel: na zes maanden werden ze ongeldig
en dan kon je weer van voren beginnen. Ook ondanks de geboorte van ons kind en
ons huwelijk in Oostberlijn was het niet zeker wanneer de zogenaamde Familien-zusammenführung
zou kunnen gebeuren; het zou één jaar, maar ook vijf jaar kunnen worden en invloed
op het tempo had niemand die we kenden. Al met al duurde het tot 12 februari
1972 tot ik vrouw en kind kon afhalen.
Intussen
moest ik proberen na de klusjes die ik tot dan nog gedaan had regelmatig werk
te krijgen. De Evangelische Studentengemeinde (ESG) zocht iemand die met
buitenlandse studenten ging werken. In october 1971 kreeg ik die baan, maar pas
na de Familienzusammenführung kon ik
plannen voor de toekomst maken. In zo’n situatie moest één van de twee met het
verleden breken. Voor mijn vrouw was het leven in de DDR goed en zinvol
geweest. Haar hele familie, vrienden, werkkring en collega’s waren in het
oosten. Ze liet haar leven achter voor mij en niet voor een leven in het vrije
en gouden westen. Er was een andere optie geweest. Ik had in de DDR kunnen gaan
wonen en daar een verblijfsvergunning aanvragen. De voorwaarde was dat ik van
de nederlandse nationaliteit afstand zou moeten doen en de DDR-nationaliteit
accepteren. Dan zou ik als DDR-burger achter de muur zitten – geen mogelijkheid
meer een regelmatig contact met familie, vrienden en bekenden te onderhouden,
verstoken van toegang tot dingen die tot daartoe voor mij essentieel waren.
Omdat mijn vrouw door haar huwelijk met een Nederlander een nederlands paspoort
kreeg kon ze als Nederlandse tenminste met een bezoekersvisum familie en
vrienden in Oostberlijn bezoeken. We besloten voorlopig maar in Westberlijn te
blijven. Uit voorlopig werd voorgoed. Ik werkte, zij werkte, het kind groeide
op en ging naar school.
Het
werk dat ik te doen had was een mengeling van sociaal werk, individuele
begeleiding, politiek werk (“derde wereld”, vredesbeweging enz.). De
buitenlandse studenten waren vrijwell allemaal in politiek geinteresseerd. Dat
kon niet anders wegens de situatie in hun landen. Ze kwamen voor een groot
gedeelte uit islaamse landen, vooral uit Iran en Palestina. De Islam speelde
toen praktisch geen rol, de eerste tijd heb ik geen iraanse of arabische
studentin met een hoofddoek gezien. Dat begon in het midden van de jaren
tachtig anders te worden. Zoals bijna overal was ook in Westberlijn de
modekleur rood. Men las Marx, men praatte over klassestrijd en proletariaat. De
meesten mensen die in de jaren negentig carrière maakten en nu over hun rood
verleden spraken, zeiden: “Dat was toen niet al te ernstig bedoeld.” Maar onze
buitenlandse studenten kwamen uit landen waar radikale veranderingen
noodzakelijk waren. De meesten meenden wat ze zeiden, zeker vluchtelingen uit
landen als Chili. Marxisme was niet alleen modepraat maar wel degelijk een theoretisch
instrument om sociale prozessen te kunnen begrijpen. Ons centrum had in de stad
een duidelijk links “profiel” zoals dat vandaag heet. Alleen al om die reden
meden mijn katholieke collega’s in het studentenpastoraat, Jezuieten, zoveel
mogelijk het contact. Mij behandelden ze als iemand die een besmettelijke
ziekte had. De contacten werden op slag beter toen de Dominikanen in 1980 het
katholieke studentenpastoraat overnamen. Geen contact met SJ in Duitsland!
Formeel
werd ik lid van de Evangelische Kirche. De evangelische Bischop Kurt Scharf was
een man van de Bekennende Kirche, die
minderheid onder de duitse protestanten die tegen Hitler waren. Je kon hem wat
grootmoedigheid en ruimte van inzicht betreft met Felix Malmberg vergelijken.
Hij stelde mij als katholiek in zijn kerk aan. Een of andere jurist in zijn
kerkelijk apparaat ontdekte na drie jaren dat ongeveer 1,5% van mijn salaris automatisch
als Kirchensteuer werd ingehouden en aan de katholieke kerk
overgemaakt. Dàt ging niet: ofwel ontslag ofwel evangelisch worden. In Duitsland is dat allemaal piekfijn geregeld
en dus gecompliceerd. Je moet eerst naar de kantonrechtbank, daar een
verklaring ondertekenen dat je uit de rooms-katholieke kerk uittrad en met deze
verklaring naar een of andere plaatselijke dominee gaan die jou dan in zijn
kerk opnam. Niemand heeft mij ooit gevraagd wat ik op eens wel of niet meer
geloof. “Hier ondertekenen”, zei de dominee. Voortaan ging mijn Kirchensteuer aan het juiste adres, dat
was het enige verschil. Belangrijk voor mij waren de professoren Helmut
Gollwitzer en zijn leerling Wilhelm Friedrich Marquardt. Om hun ”instituut voor
evangelische theologie” verzamelden zich progressieve studenten en theologen
die afgestudeerd waren.
Later
werd duidelijk dat ik al die tijd in het vizier van de Verfassungsschutz, een soort binnenlandse veiligheidsdienst, stond.
In 1990 werd ontdekt, dat de Verfassungschutz
hun dossiers aan de federale politie doorgegeven had. Duitse politie en geheime
diensten – dat was een leer uit het duitse verleden – moesten gescheiden
blijven; dat schreef de grondwet voor. Een rechter besliste dat mensen, van wie
de dossiers bij de politie lagen, inzage in die documenten konden verlangen. In
mijn geval was het een lijvig dossier
van 230 A-4 bladzijden, van 1969
tot 1986. Veel onbenullig materiaal – ze verzamelden gewoon alles. Maar er
waren ook dingen bij die ze alleen van een collega studentenpastor hadden
kunnen weten. Anders als in de dossiers van de DDR-veiligheidsdienst (“Stasi”)
waren de namen van zegslieden van de Verfassungsschutz
onleesbaar gemaakt, dus ik weet niet wie de klikspaan was. Ook de westelijke
geheime dienst had kennelijk overal, dus
ook in de kerken, zijn informanten. You
never walk alone, we passen goed op je op.
Na
het emeritaat van Kurt Scharf werd het klimaat in de berlijnse kerk schraler en
na de duitse vereniging in 1990 verdween uit die kerk het laatste beetje van theologisch
gehalte. Ik kon met de duitse kerkelijke overheid niets en zij met mij nog
minder. Het beste wat er van te zeggen viel was dat ze mij na een paar hoog
oplopende ruzies in de jaren zeventig met rust lieten. Ik kon er praktisch doen
en laten wat ik wilde. Eigenlijk een paradijselijk werkklimaat – geen chef,
geen pottekijkers! Mijn “gemeente” was een winkel in een kleine straat tussen
Savignyplatz en Steinplatz met de Technische Universiteit om de hoek. Ze stond
bekend als Ausländerladen, officieel
heette dat ding Zentrum für ausländische
Studierende. In de spreekuren van de Ausländerladen
kwamen vooral mensen die economische problemen hadden. Op het hoogtepunt einde
van de jaren tachtig liepen over ons centrum jaarlijks anderhalfmillioen Mark
aan beurzen en ad hoc hulp. In het sociaalwerk riskeert iedereen het gevaar tot
iets te worden wat ze in Duitsland Sozialklempner
noemden – sociaal loodgieter, die mensen als verstopte waterleidingen
behandelt, niet zelden cynisch. Veertig tot vijftig keer in de week moest ik
helpen financiële problemen op te lossen, huisvesting te vinden, ik moest
studieresultaten beoordelen voor instanties die over ons studiebeursen
betaalden, aanvragen voor asiel doorsturen naar goede advokaten die pro deo werkten, open oor hebben voor
relatie-misère enzovoorts. Dit werk heb meer als zevenentwintig jaar gedaan.
Twee dingen hielden mij overeind: politiek en theologie.
Contact
bestond er al die tijd met de amsterdamse studentenecclesia. Ik preekte er sinds de jaren zeventig tot
1994 drie, vier keer per jaar, daarna onregelmatiger. Ook het contact met Jan
van Kilsdonk, mijn mentor uit de oude schola
carolina tijd, bleef, evenals de vriendschap met Huub Oosterhuis –
overigens tot de dag van vandaag. Religie is vaak een verdovend middel, maar ik
kan zeggen dat ik de zonder theologie snel tot een Sozialklempner was geworden. In onze Ausländerladen hadden veel
groepen hun trefcentrum. Ook zelf deden we politiek vormingswerk. We
vonden dat studenten die meestal een natuurwetenschappelijk of technisch vak
studeerden moesten weten hoe de economische wereldorde op hun toekomst werkte,
vooral toen de grote schuldencrisis van Latijnsamerika (1982 in Mexico) was
uitgebroken. Ik moest er een vak bij leren – economie. Samen met mijn griekse
assistente, een doctoranda in de economie, hebben we acht jaar lang, van 1990
tot 1998, een economisch leerhuis doorgevoerd. Ze promoveerde overigens in 1998
met een proefschrift over de integratie van Griekenland in de europese
gemeenschap en voorspelde er de problemen die later tot het staatsbankroet van
Griekenland voerde. We hebben de grote teksten van de politieke economie
gelezen, Adam Smith, Karl Marx, J.M. Keynes, Milton Friedman (de neo-liberaal
par excellence). De lectuur van die testen werd op de universiteit hoogstens
als hobby gezien. Niet één van onze studenten die ofwel promoveerden of kort
voor hun doctoraal stonden had ooit zulke teksten gelezen; ze wisten
bijvoorbeeld alles over Keynes uit de tweede hand, zonder ooit een letter van
Keynes zelf gelezen te hebben, laat staan kennis te nemen van de maatschappijvisies die achter hun theorien
stonden. Voor hun was het niet zelden een eye
opener. We leerden die teksten politiek te lezen.
Dat
deden we ook met de bijbel. De meesten studenten die zes jaar studie van de
theologie achter de rug hadden konden niet de vraag beantwoorden: Waarom gaat
het in het Oude Testament, waarover gaat het verhaal? Anders gevraagd: Wat voor
een wereld wilde de Thora? We waren allemaal opgevoed in de traditie van de
historische critiek – wanneer ontstond
een tekst, welke genres, welke verankering in religieuze instituties, welke
verbindingen met andere religies van die tijd enz. Maar we wisten niet wat het
te betekenen had. We leerden Frans Breukelman kennen die aan de Freie
Universiteit van Berlijn in het Wintersemester 1975/76 colleges gaf. Hij was na
zijn leerjaren bij Miskotte jarenlang hervormd predikant geweest, de bijbel
bestudeerd en later hoofdmedewerker aan de theologische Faculteit van de Universiteit
van Amsterdam geworden. De manier waarop hij en zijn leerlingen, Rochus
Zuurmond, Karel Deurloo e.a. met de bijbel omgingen was nieuw. Deze
“amsterdamse school” met wortels in de theologie van Barth en Miskotte heeft
voor mij theologie en bijbel “gered”. We
gingen nog een stukje verder. Van de franse marxistische structuralisten (Althusser,
Kristeva enz.) leerden wij dat ieder markante tekst van een bepaalde cultuur
twee registers heeft: de tekst met zijn eigen structuren en de de context van
het maatschappelijk proces waaruit deze tekst ontstond, dus linguistische en
maatschappelijke structuren. Gewapend met deze instrumenten gingen we aan de
slag. Achttien jaar lang hebben wekelijks een uur of wat bijbel gelezen, leerhuis, noemden we dat. En we begonnen
in 1978 een exegetisch tijdschrift, Texte
& Kontexte; het bestaat nog. We zijn er niet vroom of kerks van
geworden, eerder in tegendeel.
Na
mijn pensionering ging het werk door. Het communisme deelde met het christendom
een verleden van grote visies en van grote misdaden. Voor dit soort visies was
9 november 1989 het einde, de Muur verdween en met de muur de Grote Verhalen. Desondanks
blijven voor mij de woorden socialisme of communisme nog altijd woorden van een
grote visie, klasseloze maatschappij, mensen als bondgenoten (socii) en niet als concurrenten, mensen
die dat wat ze allemaal nodig hebben, met
elkaar en niet tegen elkaar hebben,
lees handelingen van de apostelingen, hapanta
koina, omnia communia, 4,32. Daar komt het woord en de zaak communisme vandaan. In de wereld van de
vrije markten hebben ze geen plaats meer. Het Messianisme (ander woord voor
Christendom) stond na de joodse oorlog (66-73) niet meer op de politieke
agenda. De grote tijd voor het Romeinse Rijk kwam en het Grote Verhaal werd een
verhaal voor de onderwereld. Alle Grote Verhalen – christelijke en
niet-christelijke – zijn nu, in de
komende grote tijd van de dictatuur van de financiële markten en hun
onbarmmhartige en irrationele logica, alleen nog maar Catacombenverhalen. “We
hadden zo gehoopt”, zeiden de Emmausgangers. We wachten op Iemand die ons
uitlegt waarom het zo moest (edei) lopen.
“Edei, het moest”, heet het bij Lukas
(24,26). “Dat is cruciaal” legde toentertijd Piet Ahsmann uit. Ik had dat toen
niet begrepen en ik begrijp het eigenlijk vandaag nog altijd niet. Het wordt
tijd dat ik begin het te begrijpen.
*
Wat
is het resultaat van ons doen geweest? Ik weet het niet. “Een zaaier ging uit
om te zaaien”. Jesus van Nazareth was een grote optimist: drie kwart van het woord zou verloren gaan maar een kwart
op goede bodem komen, 25%. Met 1% zou ik al tevreden zijn. Maar ik denk er niet
over na. Ik zelf kijk terug op een tijd waarin tenminste in Europa veertig jaar
lang alles – zij het met horten en stoten – vooruitging. Onze tijd was een
geprivilegieerde tijd, bestaanszekerheid was iets vanzelfsprekends – onze
kinderen moeten het nu al met veel minder zekerheid doen en de kleinkinderen
mogen al blij zijn dat ze af en toe een redelijke baan zullen hebben (redelijk
wat betaling betreft, redelijk wat de inhoud van het werk betreft) en altijd
weer zonder werk. In het stuk Die heilige
Johanna der Schlachthöfe laat Bertold Brecht zijn hoofdpersoon, het
Leger-des-Heils-meisje Johanna, stervend zeggen:
Snel verdwijnend uit deze wereld zonder vrees
zeg ik jullie:
Zorgt dat jullie, de wereld verlatend,
niet zelf goed waren, maar laat
een goede wereld achter.
Het
schijnt dat we een puinhoop achterlaten. Sinds ik een kind en kleinkinderen heb
kan ik niet doen alsof mijn neus bloedt en hun zeggen: “je bekijkt het maar.” Dus
doe ik verder wat ik deed: bijbel lezen en daarover spreken en schrijven; politiek
en daarover spreken en schrijven. En als het pessimisme de overhand dreigt te
krijgen geldt het oeroude woord van Ignatius in Manresa: non mutare proposita, strenue mutare seipsum.
Ton
Veerkamp