Peter van Gool schrijft aan Jac Lampe:
Dag beste Jacques,
Vandaag twee weken geleden, hebben op de Waldfriedhof van
Gerolstein, in de Eifel de urn van Theo van Oorschot onder een boom begraven.
Dat was nadat twee weken te voren in het bejaardenhuis een requiemmis was
gevierd, en zijn lichaam was gecremeerd. Op 1 februari kwamen wij op het
kerkhof samen. Wij: ik als jezuďet, die de relatie met Theo is blijven
behartigen, Margret zijn vrouw, die ondertussen nogal dement geworden is, broer
en zus en verdere familie van Oorschot, overgekomen uit Nederland, daarnaast vier
vertegenwoordigers van het “Von Spee Gesellschaft” en een troostend grote
hoeveelheid Duitse vrienden.
Ik heb als lezingen gebruikt Gen 2, 21-24 en 16-17 en Mt 25
14-19, 24-25, 20-21, in wel deze volgorde, die ik heb uitgelegd in een homelie:
de boom van de kennis, waarvan ook Theo gegeten heeft, maakte niet alleen, dat
hij goed was in het wetenschappelijke kennen, maar heeft hem uiteindelijk ook
bewust gemaakt van wat er zijn hart gebeurde. Zijn familie citeerde een
bekentenis van Theo: “Ik heb de orde verlaten, omdat mijn hart van steen was
geworden". Theo is zich na zijn uittreden langzaam bewust geworden van de
warmte van zijn hart, en het was troostend, dat zoveel vrienden naar de viering
toe gekomen waren.
Ik heb in zijn geest de maaltijd des Heren gevierd in de kapel op het kerhof, met liederen van Von Spee en van Taizé en we hebben voor elkaar het brood gebroken en uit de beker gedronken. Daarna hebben we in de regen de urn naar de boom gedragen, met bloemen bestrooid en begraven.
. 

