
Katholieke
Universiteiten
Jan
Peters S.J. heeft op de middag voor sj-oud-sj in de Elandstraatkerk op 30 maart
2006 een indrukwekkende lezing gehouden over katholieke universiteiten en met
name over het aloude probleem van geloof en wetenschap.
Ignatius
en onderwijs, de dienst aan de Kerk, de optie voor de armen zijn belangrijke
vraagstukken voor onze tijd en vooral hoe kunnen we de ignatiaanse
spiritualiteit overdragen op de katholieke universiteiten waar zo vele
jezuïeten zich zovele jaren voor ingezet hebben.
Jan
Peters brengt nog meer ter sprake: de relatie tussen geloof en wetenschap en
zijn persoonlijke inzet in deze problematiek. Geloof, theologie en moderne
wetenschap, Kerk en maatschappij, optie voor de armen en de christelijke elite.
Ik
heb Jan Peters gevraagd zijn lezing om te werken voor Ons Album.
In Dei
Nomine Feliciter 30 maart 2006
“In
Dei Nomine Feliciter”: de wapenspreuk van de Radboud Universiteit Nijmegen.
Hier klinkt het geloof, maar ook de onzekerheid van de stichters van de
universiteit in door: “Op hoop van zegen, in Godes Naam” of wat vrijer vertaald: “God zegene de greep!”.
Het
concept van een katholieke universiteit was en is geen vanzelfsprekendheid,
althans niet voor academici. Voor hen is de vraag: hoe is het absolute primaat
van de menselijke rede en de wetenschap – dat kenmerkend is voor de moderne
universiteit - te combineren met geloof?
Boeiend
en intrigerend is het te mogen meemaken hoe men daar wereldwijd mee omgaat.
Als
voorzitter van de FIUC, de wereldfederatie van katholieke universiteiten, heb
ik veel katholieke universiteiten van nabij leren kennen: voor mij een vorm van
het adagium van deze bijeenkomst: “diversa loca peragrare”.
Ik
beschouw het als een groot voorrecht de worsteling van veel universiteiten van
nabij mee te mogen maken.
De
meest wezenlijk vraag is steeds: hoe geef je in onze tijd een katholieke universiteit vorm, met nadruk
op beide termen? Het is steeds een worsteling ter plekke, waarin je toch een
zekere gemeenschappelijkheid terugvindt, ondanks alle verscheidenheid die je
over de verschillende culturen en continenten tegenkomt..
Telkens
is de relatie aan de orde tussen wetenschap en geloof. Hoe kun je een gelovige,
christelijke traditie, christelijke waarden binnen universitair onderwijs
overdragen aan studenten? Met alle verschillen in uitwerking ligt in het
spanningsveld van deze twee thema’s, wetenschap en inspiratie, de missie van
katholieke universiteiten.
In
1923 startte de “Rooms katholieke universiteit Nijmegen”. De eerste rector,
Schrijnen, was heel gevoelig voor dit dilemma. Om ook in deze reflectie steun
te vinden stichtte hij samen met Gemelli (de rector van Milaan; gesticht in
1921) een federatie van katholieke universiteiten.
Bij
de eerste officiële vergadering (Leuven 1924) waren zeventien universiteiten
vertegenwoordigd (Europa 10, Noord Amerika 4, Chili,
Libanon en China).
Gezamenlijke reflectie, versterking van de academische kwaliteit
en internationale solidariteit waren (en zijn) de centrale doelstellingen.
Op
dit ogenblik, in 2006, telt de federatie meer dan 200
leden, verspreid over heel de wereld. De FIUC noemt zichzelf een “network of
networks”: de meest directe samenwerking gebeurt in de regionale netwerken
(Europa, Noord-Amerika, Latijns Amerika, Zuidoost Azië, India, Afrika en het
Midden-Oosten), in disciplinaire samenwerkingsverbanden (variërend van
theologie tot medische wetenschappen) en in gezamenlijke onderzoeksprojecten.
Het bureau van de federatie
is gevestigd op de campus van de katholieke universiteit van Parijs; haar motto
luidt: “Sciat ut serviat”: “weten om te dienen”.
Met deze 200 leden
vertegenwoordigt de federatie het merendeel van de echte universiteiten.
Weliswaar kennen de Romeinse statistieken circa 1500 katholieke universiteiten,
maar daartoe behoren ook de “colleges” en de zelfstandige theologische
faculteiten. Zo heeft de Noord-Amerikaanse federatie ruim 200 leden, het
overgrote deel kleinere “colleges”. De vijfentwintig die ook lid zijn van de
FIUC omvatten nagenoeg alle echte universiteiten. In Europa zijn alle
katholieke universiteiten (ruim 30) lid van de FIUC, behalve die van Opus Dei,
die zichzelf ook niet als katholieke universiteit aanduiden.
De grootste
“religieuze”groep binnen de FIUC wordt gevormd door de
jezuïeten-universiteiten, met sterke onderlinge banden, met name in de in de
USA en in Latijns Amerika. De statistieken van de sociëteit tellen 202
instituten voor hoger onderwijs in 68 landen (in totaal 625.000 studenten).
Nagenoeg alle jezuïeten- universiteiten zijn ook lid van de FIUC.
Je
ziet accentverschillen: het belang van wetenschap staat bij
jezuïeten-universiteiten hoog in het vaandel. Typerend is dat zij vooral exacte
wetenschappen heel serieus nemen om van daar uit de discussie aan te gaan met
de theologie. Jezuïeten zijn meer dan anderen gebiologeerd door de ontwikkelingen
in de harde wetenschap en stellen uitdrukkelijk de vraag: wat kunnen we daar nu
mee? De sociëteit heeft de wereld en de kennis van de wereld altijd erg serieus
genomen, heeft er dieper in willen doordringen om daar God te vinden. Daarom
deden veel jezuïeten een dubbele opleiding om binnen hun eigen wetenschappelijk
bezig zijn die relatie te leggen. Dat wordt nu steeds moeilijker, ook om jonge
jezuïeten te vinden die zo lang willen studeren. Overal leeft bij hen de wens
om zo gauw mogelijk aan het werk te gaan. 12, 13 jaar studeren – er zijn weinig
mensen die dat echt aantrekt. Bovendien voelen veel jonge jezuïeten zich meer
aangetrokken tot de directe pastorale zorg en minder tot wetenschappelijk werk.
Die trend komt je op heel veel plaatsen tegen.
Actuele vragen binnen de FIUC
De oude vraag is nog steeds
actueel: de relatie tussen universiteit en geloof.
Daarnaast dringen nieuwe
vragen zich op: in het actuele strategisch plan worden als prioriteiten
genoemd: de globalisering, de interculturele en interreligieuze samenwerking en
tenslotte ethiek en gerechtigheid.
Rond deze thema’s worden
wereldwijd of per continent studies en bijeenkomsten georganiseerd. De komende
General Assembly in Bangkok heeft “International Justice” als centraal thema
meegekregen.
Rond globalisering is er in december 2002 een conferentie in Rome georganiseerd samen met de Congregatie voor de Opvoeding. Een citaat uit het verslagboek:
“There
are catholic institutions in Europe and North America that may be categorized
as members of the centres of research…. The rest of the Catholic institutions …
in developing countries are in the periphery and can be considered possible
victims of the rapid pace of globalisation…. It is this asymmetry that calls
for cooperation among Catholic universities worldwide. In the light of the
mission of the university to serve, this educational divide can be an
opportunity and an avenue where this mandate for service can be realized.”
Deze
tekst weerspiegelt de verschillende uitgangspositie van de verschillende
katholieke universiteiten; maar ook in de keuzes die de universiteiten maken
zien we een grote diversiteit:
Mijn
eigen inspiratie
Twee
jaar filosofie- en één jaar theologiestudie had ik al achter de rug, toen ik in
1961 intrad in Mariëndaal. Ik droomde van een wetenschappelijke toekomst: een
universitaire studie in wellicht een van de bètawetenschappen om dan me verder
te verdiepen in de relatie tussen mijn nieuwe vakgebied en de theologie. Wat ik
las over de spiritualiteit en de geschiedenis van de Sociëteit versterkte me in
dit ideaal; daar zou ik een jarenlange opleiding en studie voor over hebben.
Het spanningsveld intrigeerde me: enerzijds een volledig serieus genomen
wetenschappelijk benadering van de werkelijkheid en anderzijds de gelovige
traditie en de evenzeer wetenschappelijke reflectie daarop binnen de theologie.
Onze
Ignatiaanse spiritualiteit kent een uitgesproken engagement met en visie op onderwijs. Die visie wijkt af van de
verzakelijkte blik waarmee momenteel vaak naar studenten wordt gekeken: het
lijken kortstondige klanten, die je ter wille moet zijn, “consumenten” die als
in een cafetaria hun keus moeten kunnen maken. Sommige grote katholieke
universiteiten, waaronder jezuïeten-universiteiten, presenteren zich als
“studentgerichte onderzoeksuniversiteit”. “Studentgerichtheid” impliceert dat
we de student niet zien als een consument van kennis- en vaardigheidsaanbod, maar
als een jonge mens die in een cruciale fase van haar of zijn leven zich
voorbereidt op een toekomstig maatschappelijk en professioneel functioneren.
De
dienst aan de Kerk en aan de
geloofsgemeenschap is binnen de universiteiten op wisselende wijze steeds
aanwezig.
De
discussie rond de pauselijke constitutie Ex Corde Ecclesiae, en met name rond
de “toepassingsnormen” heeft hier en daar tot spanningen geleid, vooral wanneer
“dienstbaarheid”aan de kerk vervangen werd door “invloed van de hiërarchie”.
Misschien
wel het lastigste dilemma voor katholieke universiteiten in de rijke wereld is
het sociale engagement: de prioritaire optie
voor de armen. Hoe valt deze te rijmen met de toenemende concurrentie
tussen universiteiten, die vraagt om een absolute prioriteit voor
(top)kwaliteit? Het congres dat de federatie van katholieke universiteiten
samen met de Congregatie voor de Opvoeding eind 2002 in Rome heeft
georganiseerd had als thema globalisering. Veel katholieke universiteiten
behoren tot de slachtoffers van deze wereldwijde concurrentieslag en zij
verwijten hun collega’s in het rijke Noorden een gebrek aan solidariteit. Het
is evident dat een aantal daarvan inderdaad gerekend mag worden tot de dragers
van de globalisering en degenen die hiervan profiteren, en dat zij hiermee de
kloof, de “educational gap”, zelfs
vergroten.
De
toenemende concurrentie tussen universiteiten in de rijke landen vraagt
bovendien om krachtenbundeling en om keuze voor partners die behoren tot de
allersterksten. Dit versterkt het isolement van kleine, nieuwe, bedreigde
universiteiten in het Zuiden. Katholieke universiteiten in het Noorden zouden,
op grond van hun inspiratie, open moeten blijven staan voor
samenwerkingsverbanden met bedreigde instellingen in het Zuiden.
Het
belang van een “dragende inspiratie”.
Door
mijn rol als voorzitter van de FIUC heb ik ook veel jezuïetenuniversiteiten van
binnenuit mogen leren kennen. Ik voel me er steeds thuis en ben meestal diep
onder de indruk van het werk dat er verzet wordt, met alle verschillen in
financiële mogelijkheden, in sociaal-maatschappelijke positie en ook in
gestelde prioriteiten. En steeds voel ik jaloezie: jaloezie vanwege de vaak zo
sterk aanwezige visie op onderwijs en onderzoek, vanwege een soms expliciet
verwoorde maar altijd te bespeuren gedeelde spiritualiteit. Je merkt, dat deze
universiteiten mede worden gedragen door een communauteit, die dan ook de bron
en de hoedster is van deze spiritualiteit. Dit laatste geldt natuurlijk ook
voor universiteiten die in de dominicaanse of benedictijner traditie staan of
die gesticht en gedragen zijn door zusterscongregaties, maar daar is mijn
persoonlijke affiniteit wat afstandelijker.
Veel
katholieke universiteiten in Europa ontberen een dergelijke dragende
spiritualiteit en communauteit. Ze zijn gesticht door bisschoppen of katholieke
leken en nooit toevertrouwd aan een religieuze orde of congregatie. Dat geldt
bijvoorbeeld ook voor mijn eigen universiteit in Nijmegen. Natuurlijk, er zijn
ordes en congregaties die aan de universiteit gelieerde instituten mede dragen
- Karmelieten, Assumptionisten, Dominicanen - maar hun invloed blijft
grotendeels beperkt tot de betreffende centra. Het ontwikkelen van een heldere
visie op de identiteit van de universiteit als geheel is hier veel lastiger dan
in een universiteit met een traditie van religieuzen: enerzijds ligt er geen
voorgegeven visie binnen de universiteit en anderzijds zijn de aanwezige
dragende krachten meer divers en meer diffuus.
Maar
toch: dit relatieve vacuüm heeft het voor mij ook mogelijk gemaakt op een heel
bescheiden wijze een klein Ignatiaans stempeltje op de universiteit te drukken.
Tegelijk besef ik hoezeer dit gebonden is aan mijn persoon en hoe moeilijk het
zal zijn om de continuïteit hiervan te verzekeren.
Jan
Peters SJ