OVERWEGING  BIJ  DE  UITVAART  VAN  HUGO ZWETSLOOT

door Hans van Leeuwen

 

Openbaring 21, 1-5a. 6b-7            Lucas 10, 38-42

 

Een paar jaar geleden verscheen er een boekje

met de titel “Ignatius achterna”.

Daarin wordt het leven van een jezuïet beschreven

als een leven van creatieve spanningen.

 

Die spanningen bestaan

tussen vertrouwen op God en je eigen talenten gebruiken,

tussen bidden en werken,

tussen samenzijn en zending,

tussen gehoorzaamheid en leren uit je ervaring.

En zo nog een paar andere spanningen

die het leven van een jezuïet karakteriseren.

 

Een van die spanningen

sprong bij Hugo Zwetsloot duidelijk in het oog.

Laat ik haar, terwijl het evangelie van zo juist nog naklinkt,

benoemen als de spanning tussen Maria en Marta.

 

Het lijken twee manieren van leven.

De ene is meer contemplatief, geestelijk,

een mens is bezig met de dingen van God,

hij is als Maria.

De andere is meer actief, materieel,

een mens is bezig met de dingen die mensen nodig hebben,

hij is als Marta.

 

En dan lijkt het evangelie ons te waarschuwen:

Er is maar één ding nodig, je moet goed kiezen tussen die twee.

Toch worden die twee manieren van leven

niet tegen elkaar uitgespeeld,

de ene wordt niet geprezen ten koste van de andere.

Ze horen bij elkaar.

Ja, je moet met je hart bij God zijn,

met Hem vertrouwd, met Hem verbonden.

Maar vanuit die verbondenheid moet je midden in het leven staan,

als gastvrouw ontvangend, dienstbaar.

 

Niet voor niets gaat aan dit gedeelte van het Lucas-evangelie

het verhaal van de barmhartige Samaritaan vooraf.

Hij is de ware leerling, die de boodschap begrepen heeft

 

Hugo was een mens met twee kanten,

hij was heel actief, altijd bezig, als jongen al aan het organiseren,

zorgen dat anderen aandacht kregen voor wat hij belangrijk vond.

Met grote ijver heeft hij zich aan het onderwijs gegeven,

steeds weer naar nieuwe wegen zoekend

om dat onderwijs te doen slagen.

Als hulp voor het onderwijs in de Duitse taal

schreef hij een paar succesvolle leerboekjes.

Hij werd nooit moe om wat hij te bieden had

nog eens een tweede of derde keer te herhalen.

Hugo liet niet af, ging uiterst zorgvuldig te werk,

ja, bijna scrupuleus, zodat die activiteit van het onderwijs

gaandeweg voor hem te zwaar werd.

 

Hij leefde zich dan ook uit in neven-actviteiten,

de Sinterklaasactie op het Aloysiuscollege

heeft veel aan hem te danken.

En in zijn zogenaamde vrije tijd trok hij erop uit

om retraites te geven, vooral religieuzen te begeleiden.

 

Zo kreeg zijn activiteit als vanzelfsprekend een andere kleur.

Hij was heel gelukkig met zijn overgang van de school

naar het ziekenhuispastoraat.

Daar kon hij als de barmhartige Samaritaan

op een andere, meer pastorale wijze er voor mensen zijn.

Hugo was lief voor zieken, voor mensen in nood.

Hij kon hen echt als pastor, herder, nabij zijn.

Ook daar was hem nooit iets teveel, altijd bereikbaar, altijd dienstbaar.

Edelmoedig, maar daarin niet altijd wijs de maat in het oog houdend.

Ook dat hoorde bij hem. Er zijn voor een ander, tot in de laatste fase van zijn leven.

 

Hugo had veel van Marta, maar zijn andere kant, zijn binnenkant,

kwam ook geregeld te voorschijn.

In zijn goed voorbereide preken toonde hij zich een man van gebed,

sereen, met God vertrouwd, als Maria.

 

Daarom ging het Rijk Gods, de Kerk hem zeer ter harte.

Het paste helemaal bij hem om in die Kerk

vooral gevoelig te zijn  voor wat daar aan nieuwe beweging te bespeuren was.

Open Kerk, Mariënburgbeweging, hij engageerde zich, was ook daar actief.

Hij proefde daar iets van het visioen van de Openbaring:

God zal  op een nieuwe wijze onder ons wonen.

Soms riep hij wat al te gemakkelijk: al het oude is voorbij!

 

Hugo was Marta en Maria,

hij was in zijn eigen ogen heel open en modern,

en tegelijk kwam hij niet zelden traditioneel uit de hoek.

Als jezuïet leefde hij van een creatieve spanning.

 

We bidden dat hij nu mag beleven dat het visioen waar is.

Dat hij de bron van het water des levens mag hebben gevonden.

We houden ons vast aan de belofte:

‘Wie overwint, zal dit alles krijgen

en Ik zal zijn God zijn en hij mijn zoon.’