Toespraak sj-ex-sj, Groesbeek 28 mei '05


Onze bijeenkomst hier heeft geen thema. Het onderwerp is deze ontmoeting zelf. Maar omdat ik niet namens jullie allen kan spreken, heb ik de knoop maar op de gemakkelijkste manier doorgehakt en besloten, te spreken namens mijzelf.

Van pater Pedro Arrupe schijnt de uitspraak te zijn: 'Een boom die valt maakt veel lawaai; gras dat groeit hoor je niet.' De uitspraak vind ik vermeld door Jean Lacouture in zijn boek Jésuites (1991), een geschiedenis van de jezuïetenorde in twee delen, door hem een 'multibiographie' genoemd. Het is een buitengewoon leesbaar boek, vol anekdoten die zo veelzeggend zijn als een lezer zelf wil, en dus voor sommige echte insiders af en toe misschien een bron van ergernis, maar voor mij, buitenstaander, een springlevend portret van het gezelschap dat mij vanaf mijn jeugd heeft geboeid, mij in zijn strikken heeft gevangen, en mij nog in mijn ouderdom blijft fascineren. Ziedaar al direct het dubbele gevoel waarmee ik die voor mij unieke organisatie heb beleefd en eigenlijk nog steeds bezie, en daarin ben ik vast niet de enige: want bewonderenswaardig en benepen was ze, stuitend hooghartig en bedeesd nederig, maar altijd boeiend. In alle argeloosheid erin rondwandelend, kwam je tegelijk nooit helemaal los van het vermoeden, dat er, voor jou verborgen, in hogere regionen, en waarschijnlijk ook wel in je naaste omgeving, zaken werden bedisseld, misschien ook over jou, waar je nooit een vinger achter kon krijgen. In de jezuïetenorde lagen het onwaarschijnlijke en de werkelijkheid soms vlak naast elkaar, konden elk ogenblik in elkaar overlopen, en onverhoeds kon de vertrouwde wereld een binnenkant onthullen waar je wel een ver vermoeden van had, die je soms wel aanvoelde, maar die bij de confrontatie ermee toch wel verbijsterde.
Ik zal nu deze op zich ook weer mystificerende taal verlaten, en wat duidelijker zijn, aan de hand van mijn eigen geschiedenis, met name de voor mij toch wel ingrijpende ervaring, in maart 1969 door de generaal persoonlijk in Rome uit de orde te worden verwijderd. (Ik heb daarover al geschreven in een boekje, maar ik zou die gebeurtenis vandaag, voor onze bijeenkomst hier, willen benaderen vanuit een enigszins ander licht dan ik in dat boekje heb gedaan.) De generaal was in 1969 pater Pedro Arrupe. Iedereen weet, dat hij voor de orde en daarbuiten een man van ongewone betekenis was. Al direct vanaf haar stichting was de jezuïetenorde betrokken in politiek: die van de machtigen in Europa, die van de voormannen van de Reformatie en Contrareformatie, van Trente, de vorsten en de pausen. Het is nog zo. Het boek van Lacouture eindigt met beschrijvingen van de rol die de jezuïeten in de Derde Wereld speelden en nog spelen, met name in Zuid-Amerika. En hoe invloedrijk de standpunten van pater Arrupe inzake het opkomen voor de armen waren. Maar die standpunten eisten van hem, dat hij zich eindeloos moest rechtvaardigen – voor sommige medebroeders, maar vooral voor het Vaticaan. Diplomatie is eerste vereiste voor oversten van de s.j. Zeker onder een paus die vooral bang was, of onder diens opvolger, die elke steun aan bevrijdingsbewegingen in Zuid-Amerika niet anders kon zien dan als propaganda voor het marxisme. Pater Arrupe werd gedwongen om voortdurend diplomatie te bedrijven. Hij werd gedwongen zich bezig te houden met het lawaai van de bomen die vielen; voor het luisteren naar de stilte van het groeiende gras was nauwelijks tijd. Ofschoon we er zeker van kunnen zijn, dat hij het daardoor uithield.
Niet zo heel veel, maar toch wel een beetje lawaai was er ook in die maand maart van 1969, de maand waarin het zo geheten conflict over het celibaat, dat de Amsterdamse studentenecclesia in die tijd met de kerk had, tot een hoogtepunt kwam.
In Rome, waar we (Huub Oosterhuis allereerst, ik pas in tweede instantie, en haast bij toeval, omdat ik nu eenmaal toch in Rome was) ons moesten verantwoorden, was de assistent voor de Germaanse provincies, de Zwitser Mario Schoenenberger, de tussenpersoon tussen de generaal en ons. We hadden dus gesprekken met hem. Niet die gesprekken herinner ik mij zozeer, als wel de context ervan. Er was een dame bij aanwezig, wier positie nooit aan ons werd uitgelegd. Ze kwam, evenals de jezuïetenassistent, uit Zwitserland, waar ze een bank bezat. Samen kwamen ze bij het hotel waar wij logeerden, voorgereden in een auto van een ongewoon duur merk. Schoenenberger zei dat de auto wel wat duur was, maar dat 'Katrin' die nu eenmaal wilde.' Wij gingen naar een restaurant boven de ruïnes van het paleis van Nero, om de besprekingen te voeren. Telkens als we bij een kritiek punt kwamen – hoe te overleggen, hoe diplomatie te beoefenen met de generaal, - want zo ver was het al gekomen; het was een kwestie van diplomatie – zei Schoenenberger: 'Ik wil dit nu even met Katrin bespreken', en dan begonnen ze in een voor ons onverstaanbaar Zwitsers te overleggen. Daarna zei Schoenenberger: 'Also, Katrin und ich meinen, dat het 't beste is…enz.' Hoe dan ook, het eind van het gesprek was, dat we met de generaal eigenlijk maar het beste gewoon open kaart konden spelen, en simpel uitleggen waarom we deden en dachten zoals we deden en dachten, met andere woorden het gesprek eindigde zoals het van het begin af aan had moeten lopen: we zouden met de generaal geen diplomatie bedrijven. We gingen daarna naar een flat in een dure buurt, waar een klein kind alleen aan het spelen was; pater Schoenenberger en Katrin zeiden dat het hun goed leek voor het kind, om al vroeg zo zelfstandig mogelijk op te groeien. Voor het overige verklaarden ze niets. Dit nu, dit geheel, is wat ik daarnet bedoelde met surrealistisch. Daar in Rome kon je blijkbaar verwachten, dat op elk moment de gewone werkelijkheid omkantelde in een onwaarschijnlijke, parallelle wereld. Toen ik een paar dagen later zelf de generaal ontmoette, was daarvan geen sprake.
Ik heb mijn ontmoeting met pater Arrupe beleefd als de kennismaking met een man die eigenlijk geen vreemde voor me was. Ik bedoel niet, dat van hem de taal kwam die je van oversten in de orde kon verwachten, want dat zou mij juist van hem hebben vervreemd. Zeker, hij deelde mij zijn besluit mee, al direct in het begin en onomwonden, discussie was niet mogelijk, en ook niet nodig, want het was natuurlijk gewoon wat ik eigenlijk al wist. Het verbaasde mij niets, en ik kon er onmogelijk boos of dramatisch over doen. Maar wat ik bedoel als ik zeg, dat hij eigenlijk geen vreemde voor me was, is dat er van hem een rust uitging, een vrede, een vanzelfsprekende eenvoud, die mij onmiddellijk omgaf als weldoend. Ik voelde mij bij hem volkomen op mijn gemak. Ik denk dat je dat hebt bij heiligen: ze geven je allereerst het gevoel, dat je precies zo mag zijn als je bent.
Dit, deze ontmoetingen, eerst met de assistent en zijn vriendin, en daarna met de generaal, zijn de laatste beelden van de jezuïetenorde die ik heb gezien toen ik daar nog in was. Van toen af aan stond ik erbuiten. Op die drempel stond levensgroot pater Arrupe, die daardoor voor mij misschien wel dé belangrijkste jezuïet in mijn leven is geweest. Degene die de macht heeft je toekomstperspectief voorgoed te veranderen, tegen je eigen wil in (want ik werd uit de orde gezet, ik heb de orde niet vrijwillig verlaten), zo iemand noem ik van belang in een leven. En zo iemand blijft dat, ook al ligt de tijd dat je behoorde tot die orde ver achter je. Hij blijft belangrijk, zeker als het iemand betrof die van zo'n formaat was.

Maar ik kom, na deze omweg, nu pas tot een punt dat mij in de jezuïetenorde altijd heeft geboeid, en waar ik deze ochtend bij stil zou willen staan. Dat is dit.
Pater Arrupe was een Bask. Voordat hij generaal werd, was hij provinciaal van Japan. Het boek van Lacouture waarover ik sprak eindigt met het verslag van een ontmoeting van de schrijver met de huidige generaal, Peter-Hans Kolvenbach. Deze is van vaderszijde naar het schijnt Duits van origine, van moederskant Italiaans, een Nederlander die – volgens Lacouture – 'doordrenkt is van de Franse cultuur'. Hij (Lacouture) benadrukt wat in deze generaal hem het meest treft: iemand die openstaat voor een 'fundamenteel pluralisme' in zijn orde. Een pluralisme dat 'probeert het universum van Ignatius opnieuw uit te vinden onder allerlei verschillende omstandigheden'. En hij voegt eraan toe: 'Laten we niet vergeten, dat Ignatius zelf in zijn tijd gold als een randfiguur…' En: de sociëteit van Jezus 'ontleent veel van haar roem aan haar hartstocht voor veelvormigheid en haar eerbied voor het anderszijn.' 'De jezuïet is iemand die spot met de grenzen van tijd en ruimte en die "s'exalte de l'alterité",' die geestdriftig openstaat voor het anderszijn.
Wat wij hierover ook mogen denken – soms was het waar, soms helemaal niet – een aantrekkelijke beschrijving is het wel. En ik denk dat de meesten van ons het milieu waarin wij een tijdlang leefden of nog steeds leven graag in die beschrijving zouden willen herkennen. Hoe dan ook, pater Arrupe incarneerde iets dat zonder twijfel uitnodigde tot die ideale typering van zijn gezelschap van Jezus. De jezuïetenorde was van het begin af aan mondiaal. Vanaf haar ontstaan, want ze is welhaast ontstaan óm mondiaal te zijn; en ook vanaf de tijd dat ik met haar kennismaakte in het noviciaat. Je ontkwam er niet aan, je opgenomen te voelen in een organisatie die weinig grenzen wilde aanvaarden, noch in de diepte van de geschiedenis, noch mondiaal. Ik weet ook wel, dat er in deze beschrijving iets idealiserends zit. Toch is dit het, waarom ik telkens weer met liefde en bewondering aan haar terugdenk. Het is waar, in het boerenland rond Grave, ver van 'de wereld', jaren vijftig, waar het voor mij en zoveel anderen begon, had je eerder het gevoel opgenomen te zijn in die stille geborgenheid van dat 'Hart van Brabant' waarover van Duinkerken met zo veel melancholie had gedicht. Hij had die grond en het leven erop lief. Ook voor mij ging toen het geheim van dat landelijk bestaan open, en voor het eerst leerde ik kijken naar de natuur, en van Ferd Veelenturf, nu ook al een half jaar dood, leerde ik de namen van de doodgewone bloemen in de berm. Ook dat gebeurde in de jezuïetenorde, en het doet me denken aan de Ignatius die niet alleen diep gegrepen werd door het aanschouwen van de sterrenhemel, maar ook vond dat de scholastieken minstens een dag per week naar buiten, de natuur in, het veld in moesten, alla campagna, naar de Campagne. Ook dat heeft de jezuïetenorde mij geleerd, ook al was dat niet rechtstreeks de bedoeling. Maar waar het mij nu eerder om gaat: in die jaren al werd je door de kennismaking met de Constituties het besef bijgebracht dat je voorland niet per se in Nederland lag. Je hoorde bij een mondiale gemeenschap. Alles wat rook naar 'eigen volk eerst' werd verafschuwd. Elk gedweep met ongezond nationalisme, elk benadrukken van autochtoon en allochtoon, heel die navelstaarderij en dat scheppen van een hokjesgeest, in onze dagen weer in de mode, werd je afgeleerd. Alles wat de jezuïetenorde aan Europa – en de wereld – te bieden had gehad, was van over grenzen van andere landen ook ons land binnengekomen, was vanuit het buitenlands in het Nederlands vertaald. En omgekeerd: ook vanuit dit land gingen medebroeders de verten in. Mensen naar wie je in zwijgende bewondering opkeek. Tegenwoordig is het heel normaal dat Nederlanders minstens een tijdje in het buitenland werken. Maar toen niet, en bovendien: belangrijker: nu gaan ze om geld te verdienen. De jezuïeten gingen om te dienen. Zich te verdiepen in dat 'anderszijn' waar Lacouture het over heeft. Daarnaar te luisteren, ervan te leren en er iets aan te geven. Sommigen verdwenen voorgoed. Niemand weet, wat ze hebben gevoeld, wat ze hebben opgeofferd. Nog ken ik hun namen, en soms heb ik me afgevraagd, hoe het hun toch zou zijn vergaan. Hoe ze dat deden. Hoe ze het uithielden.

De jezuïetenorde is internationaal. Behalve pater Arrupe was er nog een andere jezuïet uit een ditmaal ver buitenland, die in mijn leven een bepalende rol heeft gespeeld. Dat was de Duitse pater Hugo Lassalle, die al als zeer jonge jezuïet in opleiding, jaren twintig, naar Japan werd gestuurd, en die later naar het Westen terugkeerde om, nog steeds helemaal jezuïet, de mensen hier in te wijden in de zenmeditatie. Over een mondiaal gezelschap gesproken. Over het doorbreken van grenzen, over liefde, zelfs hartstocht voor het anderszijn gesproken. Pater Lassalle belichaamde tot in de laatste consequenties het jezuïet-zijn als een grensverleggend levensontwerp.
Ik leerde Lassalle kennen in het midden van de jaren tachtig. Ik had in Amsterdam altijd vreemd tegen de belangstelling voor alternatieve vormen van spiritualiteit aangekeken. Het kwam enorm op in die jaren zestig en zeventig. In de ekklesia preekten we anders. Praatten we anders. Ik begreep toen niet voldoende, dat er vele wegen zijn. (Dat is ook moeilijk te geloven, als je werkt op een plek waar je een dankbaar vast gehoor hebt.) Toen ik eenmaal van de studentenekklesia afscheid had genomen, kwam er meer ruimte. En meer afstand ook tot het nabije verleden. Ik kwam, wat religieuze beleving betreft, eigenlijk in een vacuüm terecht. Toen leerde ik iemand kennen die mij vertelde over pater Lassalle en zijn zencursussen. Het waren eigenlijk geen cursussen. Hij was zenmeester, door een authentieke Japanse meester als zodanig erkend. Hij had in Japan lang getraind, en kwam tenslotte, met toestemming van zijn provinciaal – ik vlei me met de gedachte dat het pater Arrupe was – naar Europa om anderen op de zen-weg te helpen. En dit was de tweede keer, dat mijn leven toch wel ingrijpend veranderde door toedoen van een jezuïet. Zowel Arrupe als Lassalle waren grensverleggers. En dat waren ze als jezuïet. Een grensverlegger was ook de man, die na de dood van pater Lassalle mijn zenmeester werd: de Indiër AMA Samy. Hij was als wees opgegroeid bij een familielid die een moslimheilige vereerde; hij leefde een tijdlang als boeddhistische bedelmonnik; toen zocht hij het bij het katholicisme en werd, u raad het al, jezuïet. Door toedoen van pater Lassalle ging hij zen beoefenen in Japan, werd uiteindelijk zelf zenmeester en kwam toen in de voetsporen van Lassalle naar Europa. Zei Ignatius niet, dat je als jezuïet moest leren, zo vrij te zijn dat je je nergens gebonden moest voelen? Je moest 'diversa loca peragrare'. Niet vreemd dus, dat de drie mensen aan wie ik in mijn leven zo veel te danken heb, jezuïet waren. En bovendien: voor de laatste twee gold, dat ze voorbij waren aan de behoefte, in de wereld van onze dagen God een plaats te geven. Je kunt aan God geen plaats geven. Dat begrepen zij. Ze waren aan alles voorbij, zelfs, of juist aan God. Zen kent geen God. Zen wil niets weten van een God voor leken verklaard, of een God die al dan niet in strijd is met de natuurwetten, of een God echt van deze tijd, of wat mensen ook verzinnen. In een indrukwekkend vreedzame stilzwijgendheid denken zenmeesters God uit hun denken en dus ook uit jouw denken weg. Een hele bevrijding. Voor God.

Het leukste aan de jezuïetenorde vind ik, dat mensen erin onbetreden paden gingen – en gaan. Wat ze op die paden tegenkwamen, wat ze aan anderen wilden doorgeven, waar ze van leefden, vind ik mooi verwoord in een boekje van Ama Samy, als hij schrijft, en het is de taal van de zenmeester, van de mysticus uit Oost en West, van Eckehart en Ignatius. Ik was, ben door dat soort taal immens getroost. Het citaat gaat niet over bijzondere ervaringen. Pater Ama Samy wees al het gedweep met bijzondere ervaringen radicaal af. Het gaat over jou en mij.
'Het Zelf is oneindige duisternis, die alle menselijk verstand te boven gaat.' En ook: 'Wij zijn door onvoorwaardelijke liefde omgeven. Wij zijn liefde, ons Zelf is de hele wereld. Wij hebben geen grond meer om op te staan, en dat is ons thuis.'
'Wij hebben geen grond meer om op te staan, en dat is ons thuis.' Dat wist Ignatius vast en zeker, dat wisten de eerste gezellen, en dat wisten heel veel andere medebroeders na hen.
Het kwam wel erg laat naar mij toe, - schande misschien voor mij. Maar het kwam wel naar me toe uit de mond van een jezuïet – van ver over de Hollandse grenzen.

Ton van der Stap