Interview in Dabarbericht April 2001:

Ton van der Stap, ex-jezuïet, kluizenaar, publicist, vertaler, christen, zen-boeddhist

Gerard van den Boomen

Hij is verbaasd over alles wat er simpelweg is zonder dat het enige boodschap aan ons mensen heeft. Dat geldt zowel voor de miljarden sterren van het heelal als voor het kleine kruiskruid voor zijn voeten. Het is de verbazing die ten grondslag ligt aan de filosofische kernvraag: waarom is er iets en niet veeleer niets? Ton van der Stap (66) schreef eens dat de natuur helemaal geen zin van de mens ontvangt. Hij zag het klein kruiskruid staan 'op een plek waar even goed iets anders kon staan, of helemaal niets.' En hij noteerde: 'Als ik het zie, verwonder ik mij over een bestaan dat tot niets anders dient dan tot het eigen bestaan. Dat blote feit verbijstert me.' Het kleine onkruid heeft geen ziel, maar het bestaat en heeft daar recht op, al kunnen we ons dat maar moeilijk voorstellen. Van der Stap schrijft in zijn boek Een Japanse tuin en andere opstellen over de natuur: 'Sterker: het is voor velen van ons haast beledigend, te stellen dat iets geen ziel heeft en toch even belangwekkend is als wij.' Van dit soort observaties staat het werk van Ton van der Stap vol. Het grote is voor hem klein en het kleine groot.

Ik praat met hem in een oude, stille boerderij, grauw van achterstallig onderhoud, die verscholen ligt in een klein bos midden in de kale akkers even buiten het vroeger doodarme maar intieme dorpje Kantens tussen de stad Groningen en de Waddenzee. Hij woont hier als een soort kluizenaar reeds achttien jaar en wil er nog lang niet weg. Pas anderhalf jaar heeft hij ordentelijke elektriciteit en kan hij naar de TV kijken, naar CD'S luisteren en op een personal computer schrijven.
De ruim honderdvijftig jaar oude boerderij staat op de plek waar daarvóór een 'borg' was. In een stuk van de voormalige gracht staat nog water en boven de voordeur hangt als overblijfsel van de borg een langwerpig driehoekig schild met oude familiewapens en uitheems fruit als teken van vruchtbaarheid. Rond het huis staan stokoude linden maar ook jonge bomen, door Ton van der Stap zelf geplant.
Zijn teef Emma heeft me enthousiast begroet en mijn gastheer moet haar dwingend naar haar slaapplaats wijzen. 'Ik denk dat dit de stilste plek in Nederland is,' zegt hij.

We kennen elkaar al lang. Van de tijd dat hij jezuïet was en in de jaren zestig en zeventig met mannen als Jan van Kilsdonk, Huub Oosterhuis en Jos Vrijburg behoorde tot het team van pastores van de Studentenekklesia in Amsterdam. Hij maakte daar de revolutionaire tijd mee, dat enkele collega's van hem wilden trouwen en toch als priesters blijven functioneren. Daar stond Van der Stap volledig achter en hij werd om die reden evenals Huub Oosterhuis door de generale overste pater Arrupe in een persoonlijk gesprek in Rome uit de orde der jezuïeten gezet. Het is typerend voor Ton van der Stap dat hij in zijn boek Bewaard verleden. Autobiografische fragmenten wel erg veel begrip toont voor de beslissing van zijn overste. Bij het afscheid zei hij tegen pater Arrupe: 'lk wist niet dat de generaal van de jezuïeten zo'n beminnelijke man was.' Arrupe boog zijn hoofd en zei: ' Ach, ik ben ook maar een arme mens.'



Naar de Provence

De preken van Ton van der Stap in de diensten van de Studentenekklesia vielen op door hun eruditie èn eenvoud, ook door een tastende geloofstaal. 'Ik vond het een goede plek en ook het werk gaf wel bevrediging, maar ik kon er uiteindelijk persoonlijk mijn draai niet in vinden. Ik voelde dat het niet aansloot op mijn persoon, niet overeen kwam met mijn natuur. Daarom stopte ik met preken. al bleef ik nog wel enige jaren bezig met andere projecten in en rond de ekklesia zoals het samenstellen van cahiers en het leiden van een poëzieclub.'
Hij was - 'om mijn brood te verdienen' - inmiddels begonnen met vertalen en omdat je daarvoor niet in Nederland hoeft te wonen, betrok hij in 1980 een boerderijtje in de Franse Provence. Hij vertaalde onder meer de bundel interviews van Mathieu Galey met Marguerite Yourcenar en ook Dierbare nagedachtenis van deze beroemde Franse schrijfster. 'Ik geloof dat ik haar het liefst vertaalde. Zij heeft mij ook als persoon erg geboeid. Ik trad graag in de wereld die zij vertegenwoordigde. Yourcenar heeft een uitgebreide denk- en gevoelswereld, die aansluit bij het beste van de Westerse traditie, waarover we het tegenwoordig zo vaak hebben.'

In die tijd vroeg ik hem om columns en andere artikelen te schrijven voor De Nieuwe Linie en hij heeft in de laatste jaren van het bestaan van dat opinieweekblad veel bijdragen geleverd van de meest verscheiden inhoud: over filosofen en schrijvers als Plato, Yourcenar, Flaubert, Sartre en Kavafis. over uiteenlopende lieden als Van Agt en Küng, maar ook over zijn woning en omgeving, over zijn huisdieren, over de seizoenen. Zijn column over de dood van zijn kat konden sommigen niet met droge ogen lezen. Alles wat hij schreef viel op door een verzorgde en heldere taal, door een fijnzinnig invoelingsvermogen, maar ook door een ontwapenende simpelheid en nuchterheid en door een duidelijke opinie over personen en wat zij beweren. Daags voordat ik bij hem binnenstapte had ik zijn recentste artikel gelezen: weer over Sartre in het jongste nummer van het tijdschrift voor cultuur, religie en politiek Roodkoper. Hij blijkt de existentialist, die weer meer in de belangstelling staat, nog steeds te waarderen.

Waarom ging je indertijd in de Provence wonen ?
'Omdat ik daar toevallig een boerderijtje kon kopen. Het platteland trekt me en ook houd ik van de Franse cultuur. Daar ben ik, zeker in het begin, volmaakt gelukkig geweest, maar het was uiteindelijk moeilijk er contacten te onderhouden met mensen dichtbij en veraf. Ik ben graag alleen, maar een mens is ook een sociaal wezen; contacten met anderen zijn van levensbelang. Toen ik begin jaren tachtig deze boerderij hier in het Groningse land kon kopen heb ik geen moment geaarzeld. Dat was meer toeval dan opzet, ik had ook best in Brabant kunnen en willen wonen. Ook hier ben ik alleen, maar ik heb goede contacten, ook culturele, met mensen in de buurt en de steden Groningen en Amsterdam zijn niet ver weg. Ik schrijf en vertaal hier ook en ik houd lezingen en geef kleine cursussen.'



Zen

Waarover?
'Over waarmee ik bezig ben. Bijvoorbeeld over de Duitse theoloog Eugen Drewermann. Ik was die gaan vertalen. Het eerste boek van hem, zijn preken over de evangelist Marcus, vond ik beslist heel goed. Later heeft hij van die dikke psychologische pillen geschreven; dat had hij niet moeten doen. En over de middeleeuwse Duitse mysticus Meister Eckehart, in wie ik me heb verdiept. Over hem wil ik trouwens binnenkort schrijven. Ik geef ook cursusjes over mystiek.
Toen ik eenmaal hier in Groningen woonde dacht ik: er mankeert iets in mij. Nu vind ik spiritualiteit een nogal zwaar woord, maar ik dacht dat ik niet alleen maar moest vertalen en schrijven en met de samenleving bezig zijn. Ik kwam tot de conclusie dat ik me innerlijk wat meer moest cultiveren, ontwikkelen; dat ik niet moest doen of ik geen ziel had. En waar kon ik dat beter doen dan op deze stille plek.
Via Bianca Dony kwam ik in aanraking met Hugo Lassalle, een jezuïet die in Japan de zen-meditatie is gaan beoefenen. Met toestemming van zijn provinciale overste daar, dezelfde pater Arrupe die mij later jezuïet-af heeft gemaakt. Weer met instemming van Arrupe plantte Lassalle de zen-meditatie over naar Europa en ik ben met hem in zee gegaan. Ik vond zen een grote aanvulling op een leemte in mezelf, op een gebrek aan innerlijkheid. Ik kon namelijk dat wat de traditie God noemt, als de stem van je geweten of als iemand die je oproept tot je verantwoordelijkheid, niet in verband brengen met mijn eigen bestaan. Ik vond de politieke en andere visies, die ik in Amsterdam en later had, niet af, niet rond. Daarom ben ik zen-meditaties gaan doen. elke morgen een half uur.'

Wat was voor jou daarvan de uitkomst?
'Zen is niets anders dan een meditatie-oefening, al staat zen natuurlijk in een hele oosterse cultuur en in een typisch boeddhistische opvatting over de werkelijkheid en de mens. In de zen-meditatie maak je je leeg van alles. Voor mij was het heel belangrijk dat je om te beginnen niet meer tegen van alles in jezelf hoefde te vechten; je moet dat maar gewoon en rustig laten bestaan. Zo leer je een soort kern, stilte, diepte in jezelf te bereiken. Zen gaat ervan uit dat die diepte er is en zegt: blijf nu maar, niet met geweld maar in alle rust. bij die diepte en kijk dan wat er gebeurt.
Ik ervoer dat je dan allerlei waanideeën en opvattingen laat varen. Het was heel bevrijdend voor me om noch mezelf noch God ergens op vast te leggen. Ik kreeg een heel ander soort verhouding tot, vooruit maar, het transcendente dan ik tot dan toe kende. Lassalle zei altijd tegen me: maak je los van alle denkbeelden. vooral over God. Dat laatste zei hij met nadruk. Lassalle gaf zen, maar hij praatte nooit over God; hij wilde je niet tot God brengen. Hij zei gewoon: doe dit nu maar en dan zal je zelf wel merken waar het je toe brengt.

Waar bracht het hém toe? Vroeg je dat niet?
'Dat zei hij natuurlijk niet. Hij heeft wel iets over geschreven en hij was vooral geïnteresseerd in de parallellen met mystiek. Hij laat in zijn boekjes zien dat de weg van de westerse mystiek, van Johannes van het Kruis of Ruusbroec of zelfs van Ignatius, de stichter van de orde der jezuïeten, in wezen hetzelfde is als het zenboeddhisme. Die mensen werden gegrepen door iets wat zij God noemden en wat het boeddhisme geen God noemt; de boeddhisten spreken van de Laatste Werkelijkheid.
Ikzelf heb nooit mystieke ervaringen gehad, laat ik dat duidelijk stellen. Ik heb in die meditaties natuurlijk wel bepaalde belevenissen ervaren, maar ik neem aan dat dat geen mystiek is. Lassalle zei: "Als je christen bent, weet je bij die belevenissen zeker dat God bestaat." Dat kan ik wel onderschrijven.
Of streep dat maar weer liever door, want ik zit niet meer met de vraag of God wel of niet bestaat. Die vraag kan me niet meer schelen. Dat klinkt vreselijk arrogant en ik schaam me er ook voor, maar ik bedoel te zeggen dat ik langs de weg van zen – en niet langs de weg van het lezen van de evangelies – een soort fundamentele zekerheid heb dat de werkelijkheid groter is dan ze is.'

Maar dat kan nog van alles zijn.
'Dat kan nog van alles zijn, maar ik geloof dat het is wat de Westerse traditie God noemt.'

Je vroegere jezuïetische medebroeder componist Bernard Huijbers, die ook voor de Amsterdamse Studentenekklesia heeft gewerkt, zegt dat hij aan God voorbij is, dat de mens het Bestaan als de laatste werkelijkheid moet zien. De dichter en bioloog Leo Vroman schrijft de laatste tijd psalmen waarbij hij zich rechtstreeks richt tot wat hij het Systeem noemt. Bestaan, Systeem zijn dat andere woorden voor wat jij bedoelt?
'Het Bestaan van Bernard Huijbers is me te vol van begrippen. De weg van zen is nu juist dat je alle denkbeelden daarover los moet laten. Wat het Systeem van Leo Vroman betreft, ik geloof dat je niet moet verwachten concrete sporen van de laatste werkelijkheid te vinden in de natuurkunde of de biologie. Wat Vroman Systeem noemt is iets heel anders dan wat het zen-boeddhisme bedoelt met de leegte. Anders zou het niet transcendent zijn. Ik denk dat zen een echte goede weg is. Vooral omdat zen je leert om nogal drastisch allerlei denkbeelden op te geven hoe het moet en hoe het eigenlijk zit.'

Hoe het moet en hoe het zit, dat zijn de moraal en de waarheid. Je moet de moraal en de waarheid dus opgeven om dichter bij moraal en waarheid te komen?
'Ja, zo kun je het zeggen. Dat komt allemaal niet meer van buitenaf op je toe.'

Zou Jezus ook zen-meditatie hebben beoefend?
'Jezus leefde natuurlijk ook zo vrij als een vogel.'

Je bent nog steeds met zen en mystiek bezig?
'Ja, op mijn manier. Het maakt je vrij. En dan kom je op het punt dat men zegt: alles goed en wel, dat mooie verwijlen bij de leegte, maar daar kopen we niks voor. Inderdaad, het leidt tot niks als je niet tegelijkertijd met je beide voeten op de grond blijft staan en goed om je heen kijkt. Daar legt met name de Vlaamse middeleeuwse mysticus Jan van Ruusbroec de nadruk op. Je kunt ook rust proberen te vinden die vals is, waarbij je de neiging hebt op een gegeven moment te gaan zweven. Je moet dus gewoon in de samenleving staan.
Mijn tweede zen-meester, na de dood van Lassalle, was AMA Samy. Die had naast zijn zen-school in India een huis voor vrouwen die wij vroeger gevallen vrouwen noemden. Dat vond hij ook belangrijk. En dat in India, waar zulke vrouwen helemaal niet in tel zijn. Aan hem heb ik nog meer gehad dan aan Lassalle. Samy is van geboorte een Birmees en hij is als moslim opgevoed. Daarna werd hij boeddhist en toen christen en jezuïet. Ik heb een boekje van hem vertaald over de ontmoeting van zen en het westen.'



De dood

Vroeger schreef je vaak - dat viel me telkens op - dat de dood iets gruwelijks is. Je zag de dood als de ultieme vijand. Denk je daar nog zo over?
'Mijn vader stierf in 1961 en in 1985 schreef ik naar aanleiding van het sterven van hem het boekje 12 notities bij een dood. Ik geloof niet dat ik het nu nog zo zou schrijven. Ik werd toen erg geobsedeerd door het feit dat we in een cultuur leven, vroeger, die op een bepaalde manier de dood heeft vermooit, mooi gemaakt. Terwijl ik de grote behoefte had om te zeggen: wacht even, er valt niet zoveel moois over de dood te zeggen.'

De dood is vaak wreed, maar hij is ook onze bestemming.
'Inderdaad. Accepteer je dat hij je bestemming is? De kleine mens kan groot zijn in het doodgaan. Ik hoop het. Natuurlijk bestaat de grote kunst erin, dat je je juist in de ultieme leegte laat gaan, als het zo ver is. De dood is het uiterste loslaten, waar geen mens onderuit komt. Ik denk dat het zo in het verlengde van zen kan worden gezien.'

In die zin is de dood niet de ultieme vijand?
'Nee, in die zin niet.'

In welke zin wel?
'Ik weet het niet. Als een kind of een jonge man of vrouw sterft, heb ik daar grote moeite mee. Hij of zij moest nog verder leven. Dan kan de dood niet goed zijn, hoe je het ook wendt of keert.'

Ik denk dat èlk leven door de dood wordt afgemaakt, ook in de zin van voltooid.
'Daar kan ik in komen, dat zou ik nu ook durven zeggen. Het is een paradox. Ieder leven wil leven en is tegelijk bestemd voor de dood. Hoe ik daar zelf straks mee om zal gaan, weet ik niet. De weg is natuurlijk niet dat je die paradox uit de wereld helpt, maar dat je je daaraan overgeeft. De paradox is er; oké, ik geef me daar aan over.'

Ben je bang voor de dood?
'Soms wel ja. Als ik 's avonds naar bed ga, wil ik niet sterven, niet in mijn bed liggen en een doodstrijd meemaken. Als de tijd gekomen is, zou ik wel willen dat ik inslaap en niet meer wakker word. Te zijner tijd, want ik wil nog een paar dingen doen.'

Zou je euthanasie laten plegen, als dat nodig is?
'Ik denk het wel ja.'



Bewaard verleden

Een jaar of vijf geleden schreef je het boek Bewaard verleden. Autobiografische fragmenten. Mij troffen vooral de eerste hoofdstukken over je kinderjaren, waarover je ook al in De Nieuwe Linie had gepubliceerd. Je hebt het daarin over jezelf als een 'hij', terwijl je voor de rest in de ikvorm schrijft. Waarom?
'Omdat je als volwassene niet meer kunt weten hoe je als kind was. Ik zie een klein jongetje voor me, van wie ik denk dat ik het was. Maar het is een illusie dat je als volwassene zeker kunt weten dat jij dat jongetje was.'

Ik denk dat alles een illusie is. Natuurlijk behoor je tot wat de werkelijkheid is, maar het is een illusie dat je de werkelijkheid en dus jezelf als volwassene kent. Het is altijd wezenlijk anders dan je denkt. Steeds vaker kom ik tot die gedachte.
'Precies dat is een kerngedachte van het boeddhisme. Het ontkent zelfs dat er een ik is. Van die gedachte zijn overigens ook in de westerse filosofie sporen te vinden. Sartre heeft gezegd, dat het ik een illusie is – ik geef het nu in mijn eigen woorden weer – en dat het ik pas verschijnt als ik ernaar kijk en daarmee is het dus niet meer een ik, maar een ding, een object.'

Je boek Bewaard verleden heb ik met grote interesse gelezen. Maar ik vond het vreemd dat je er een uitvoerige en in grote lijnen waarderende schets van de stichter der jezuïeten, Ignatius, in hebt geschreven, terwijl de man volgens jou een zeer zwart zelfbeeld had. Ook spreek je met veel waardering over je opleiding tot jezuïet en je leven in de orde, terwijl je zoveel kritiek uit. Je zegt in dat boek dat het noviciaat van de jezuïeten beslist geen leerschool in het gevoelsleven was en dat er evenmin ruimte was voor de onmisbare onderlinge communicatie. Je trof er weinig gevoel aan voor spiritualiteit en voorzover van spiritualiteit sprake was sloot die zich af voor ontwikkelingen in de samenleving, 'angstig, defensief, zonder veel werfkracht, hechtend aan formalistische, individuele vroomheid.' Er was volgens je boek bitter weinig gemeenschapsgevoel in de orde en je schrijft: 'In de loop van mijn jezuïetenleven ben ik eigenlijk nooit geschoold in religieuze ervaring.' Je beleefde je homoseksuele geaardheid en verhoudingen als heel normaal, maar je liep te pletter tegen een volstrekt taboe dienaangaande: 'Iets in mij was zo dom te geloven, dat de kerk uit naam van God mij wel zou begrijpen. Dat is niet gebeurd.' Dat liegt er allemaal niet om. Toch schrijf je ook dat je als jezuïet een onvergetelijke leerschool hebt gehad. Dat klopt voor mij niet met elkaar. Wil je zo een groot deel van je leven achteraf rechtvaardigen?
'Dat zal er ook wel bijkomen. Maar ik heb in de jezuïetenorde een zeer goede vorming gekregen in filosofie en theologie, beter waarschijnlijk dan ik aan een universiteit zou hebben kunnen krijgen. Bovendien had ik in dat milieu een zo goede vriendschapskring, dat ik me afvraag of veel studenten "in de wereld" die ooit zo gehad hebben. Met die mensen had ik voortdurend heel fundamentele gesprekken. Dat was de inhoud van onze beleving in die tijd. Ik heb me in die jaren helemaal niet verveeld, integendeel, ik vond het fascinerend. Het is ook nooit bij me opgekomen om zelf uit de orde der jezuïeten te gaan. We hadden het gevoel: het moet allemaal anders en dat gaan wij doen.'

Dat is niet gelukt.
'In die vorm is het inderdaad spaak gelopen. Maar er is toch wel bijvoorbeeld de Studentenekklesia in Amsterdam uit voortgekomen, die nog altijd een brandpunt is waar het verhaal van de bijbel op bevrijdende wijze wordt verteld en beleefd.'



Plannen

Je zei straks: ik wil nog een paar dingen doen. Wat?
'Ik ben nu bezig aan een kleine tekst over Ruusbroec voor het KRO-TV-programma Nachtgedachten. Dan moet ik nog een vertaling maken. Daarna wil ik, zoals ik al zei, een boekje schrijven over Meister Eckehart. Een inleiding op hem. Misschien kan dat volgend jaar verschijnen. Eckehart boeide me altijd al. Ik heb de indruk dat ik hem pas via zen ben gaan begrijpen, zo van: o, dat bedoelt hij natuurlijk met al die gekke woorden en dat rare taaltje en die wonderlijke begrippen. Ik wil proberen om langs die weg, maar zonder zen te noemen, een beetje duidelijk te maken wat hij naar mijn idee bedoelt.
Daarna hoop ik ook een vervolg te schrijven op Bewaard verleden. Dat boek eindigt nogal abrupt met mijn afscheid uit de orde in 1969. Ik heb heel wat notities liggen over de jaren zeventig, tachtig en negentig en ik zou van die periode in een soort dagboek verslag willen doen. Naarmate je ouder wordt kun je over die tijd ook met meer afstand en rust en inzicht schrijven.
Ik wil ook weer gaan tekenen en schilderen. Daar heb ik jaren geleden les in gehad en ik heb het ook met plezier gedaan.' (Ik vraag of de grote tekening boven de schouw van hem is). 'Ja, dat is een portret van mijn moeder. Dat is een vrucht van die lessen.'

Slotvraag: ben je nu zen-boeddhist of christen?
'Alletwee en geen van twee.'

Gerard van den Boomen is journalist en schrijver. Was, onder meer, hoofdredacteur van het voortreffelijke weekblad De Nieuwe Linie, werkte voor de Volkskrant en de KRO en is thans nog nauw betrokken bij activiteiten in het Mozeshuis, onder meer rond de aids-problematiek. ((...)) Van hem verschenen bij DABAR-LUYTEN diverse boeken.

Dabarbericht is een kwartaaluitgave van de leefgroep DABAR en uitgeverij DABAR-LUYTEN te Heeswijk.
Adres van D
ABAR-LUYTEN: Postbus 116, 5473 ZJ HEESWIJK, tel./fax: 0413-29 32 53.