Hij is verbaasd over alles wat er simpelweg is zonder dat het enige boodschap aan ons mensen heeft. Dat geldt zowel voor de miljarden sterren van het heelal als voor het kleine kruiskruid voor zijn voeten. Het is de verbazing die ten grondslag ligt aan de filosofische kernvraag: waarom is er iets en niet veeleer niets? Ton van der Stap (66) schreef eens dat de natuur helemaal geen zin van de mens ontvangt. Hij zag het klein kruiskruid staan 'op een plek waar even goed iets anders kon staan, of helemaal niets.' En hij noteerde: 'Als ik het zie, verwonder ik mij over een bestaan dat tot niets anders dient dan tot het eigen bestaan. Dat blote feit verbijstert me.' Het kleine onkruid heeft geen ziel, maar het bestaat en heeft daar recht op, al kunnen we ons dat maar moeilijk voorstellen. Van der Stap schrijft in zijn boek Een Japanse tuin en andere opstellen over de natuur: 'Sterker: het is voor velen van ons haast beledigend, te stellen dat iets geen ziel heeft en toch even belangwekkend is als wij.' Van dit soort observaties staat het werk van Ton van der Stap vol. Het grote is voor hem klein en het kleine groot.
Ik
praat met hem in een oude, stille boerderij, grauw van achterstallig
onderhoud, die verscholen ligt in een klein bos midden in de kale
akkers even buiten het vroeger doodarme maar intieme dorpje Kantens
tussen de stad Groningen en de Waddenzee. Hij woont hier als een
soort kluizenaar reeds achttien jaar en wil er nog lang niet weg. Pas
anderhalf jaar heeft hij ordentelijke elektriciteit en kan hij naar
de TV kijken, naar CD'S luisteren en op een personal computer
schrijven.
De ruim honderdvijftig jaar oude boerderij staat op de
plek waar daarvóór een 'borg' was. In een stuk van de
voormalige gracht staat nog water en boven de voordeur hangt als
overblijfsel van de borg een langwerpig driehoekig schild met oude
familiewapens en uitheems fruit als teken van vruchtbaarheid. Rond
het huis staan stokoude linden maar ook jonge bomen, door Ton van der
Stap zelf geplant.
Zijn teef Emma heeft me enthousiast begroet en
mijn gastheer moet haar dwingend naar haar slaapplaats wijzen. 'Ik
denk dat dit de stilste plek in Nederland is,' zegt hij.
We kennen elkaar al lang. Van de tijd dat hij jezuïet was en in de jaren zestig en zeventig met mannen als Jan van Kilsdonk, Huub Oosterhuis en Jos Vrijburg behoorde tot het team van pastores van de Studentenekklesia in Amsterdam. Hij maakte daar de revolutionaire tijd mee, dat enkele collega's van hem wilden trouwen en toch als priesters blijven functioneren. Daar stond Van der Stap volledig achter en hij werd om die reden evenals Huub Oosterhuis door de generale overste pater Arrupe in een persoonlijk gesprek in Rome uit de orde der jezuïeten gezet. Het is typerend voor Ton van der Stap dat hij in zijn boek Bewaard verleden. Autobiografische fragmenten wel erg veel begrip toont voor de beslissing van zijn overste. Bij het afscheid zei hij tegen pater Arrupe: 'lk wist niet dat de generaal van de jezuïeten zo'n beminnelijke man was.' Arrupe boog zijn hoofd en zei: ' Ach, ik ben ook maar een arme mens.'
De
preken van Ton van der Stap in de diensten van de Studentenekklesia
vielen op door hun eruditie èn eenvoud, ook door een tastende
geloofstaal. 'Ik vond het een goede plek en ook het werk gaf wel
bevrediging, maar ik kon er uiteindelijk persoonlijk mijn draai niet
in vinden. Ik voelde dat het niet aansloot op mijn persoon, niet
overeen kwam met mijn natuur. Daarom stopte ik met preken. al bleef
ik nog wel enige jaren bezig met andere projecten in en rond de
ekklesia zoals het samenstellen van cahiers en het leiden van een
poëzieclub.'
Hij was - 'om mijn brood te verdienen' -
inmiddels begonnen met vertalen en omdat je daarvoor niet in
Nederland hoeft te wonen, betrok hij in 1980 een boerderijtje in de
Franse Provence. Hij vertaalde onder meer de bundel interviews van
Mathieu Galey met Marguerite Yourcenar en ook Dierbare
nagedachtenis van deze beroemde Franse schrijfster. 'Ik
geloof dat ik haar het liefst vertaalde. Zij heeft mij ook als
persoon erg geboeid. Ik trad graag in de wereld die zij
vertegenwoordigde. Yourcenar heeft een uitgebreide denk- en
gevoelswereld, die aansluit bij het beste van de Westerse traditie,
waarover we het tegenwoordig zo vaak hebben.'
In die tijd vroeg ik hem om columns en andere artikelen te schrijven voor De Nieuwe Linie en hij heeft in de laatste jaren van het bestaan van dat opinieweekblad veel bijdragen geleverd van de meest verscheiden inhoud: over filosofen en schrijvers als Plato, Yourcenar, Flaubert, Sartre en Kavafis. over uiteenlopende lieden als Van Agt en Küng, maar ook over zijn woning en omgeving, over zijn huisdieren, over de seizoenen. Zijn column over de dood van zijn kat konden sommigen niet met droge ogen lezen. Alles wat hij schreef viel op door een verzorgde en heldere taal, door een fijnzinnig invoelingsvermogen, maar ook door een ontwapenende simpelheid en nuchterheid en door een duidelijke opinie over personen en wat zij beweren. Daags voordat ik bij hem binnenstapte had ik zijn recentste artikel gelezen: weer over Sartre in het jongste nummer van het tijdschrift voor cultuur, religie en politiek Roodkoper. Hij blijkt de existentialist, die weer meer in de belangstelling staat, nog steeds te waarderen.
Waarom
ging je indertijd in de Provence wonen ?
'Omdat ik daar
toevallig een boerderijtje kon kopen. Het platteland trekt me en ook
houd ik van de Franse cultuur. Daar ben ik, zeker in het begin,
volmaakt gelukkig geweest, maar het was uiteindelijk moeilijk er
contacten te onderhouden met mensen dichtbij en veraf. Ik ben graag
alleen, maar een mens is ook een sociaal wezen; contacten met anderen
zijn van levensbelang. Toen ik begin jaren tachtig deze boerderij
hier in het Groningse land kon kopen heb ik geen moment geaarzeld.
Dat was meer toeval dan opzet, ik had ook best in Brabant kunnen en
willen wonen. Ook hier ben ik alleen, maar ik heb goede contacten,
ook culturele, met mensen in de buurt en de steden Groningen en
Amsterdam zijn niet ver weg. Ik schrijf en vertaal hier ook en ik
houd lezingen en geef kleine cursussen.'
Waarover?
'Over
waarmee ik bezig ben. Bijvoorbeeld over de Duitse theoloog Eugen
Drewermann. Ik was die gaan vertalen. Het eerste boek van hem, zijn
preken over de evangelist Marcus, vond ik beslist heel goed. Later
heeft hij van die dikke psychologische pillen geschreven; dat had hij
niet moeten doen. En over de middeleeuwse Duitse mysticus Meister
Eckehart, in wie ik me heb verdiept. Over hem wil ik trouwens
binnenkort schrijven. Ik geef ook cursusjes over mystiek.
Toen ik
eenmaal hier in Groningen woonde dacht ik: er mankeert iets in mij.
Nu vind ik spiritualiteit een nogal zwaar woord, maar ik dacht dat ik
niet alleen maar moest vertalen en schrijven en met de samenleving
bezig zijn. Ik kwam tot de conclusie dat ik me innerlijk wat meer
moest cultiveren, ontwikkelen; dat ik niet moest doen of ik geen ziel
had. En waar kon ik dat beter doen dan op deze stille plek.
Via
Bianca Dony kwam ik in aanraking met Hugo Lassalle, een jezuïet
die in Japan de zen-meditatie is gaan beoefenen. Met toestemming van
zijn provinciale overste daar, dezelfde pater Arrupe die mij later
jezuïet-af heeft gemaakt. Weer met instemming van Arrupe plantte
Lassalle de zen-meditatie over naar Europa en ik ben met hem in zee
gegaan. Ik vond zen een grote aanvulling op een leemte in mezelf, op
een gebrek aan innerlijkheid. Ik kon namelijk dat wat de traditie God
noemt, als de stem van je geweten of als iemand die je oproept tot je
verantwoordelijkheid, niet in verband brengen met mijn eigen bestaan.
Ik vond de politieke en andere visies, die ik in Amsterdam en later
had, niet af, niet rond. Daarom ben ik zen-meditaties gaan doen. elke
morgen een half uur.'
Wat
was voor jou daarvan de uitkomst?
'Zen is niets anders dan een
meditatie-oefening, al staat zen natuurlijk in een hele oosterse
cultuur en in een typisch boeddhistische opvatting over de
werkelijkheid en de mens. In de zen-meditatie maak je je leeg van
alles. Voor mij was het heel belangrijk dat je om te beginnen niet
meer tegen van alles in jezelf hoefde te vechten; je moet dat maar
gewoon en rustig laten bestaan. Zo leer je een soort kern, stilte,
diepte in jezelf te bereiken. Zen gaat ervan uit dat die diepte er is
en zegt: blijf nu maar, niet met geweld maar in alle rust. bij die
diepte en kijk dan wat er gebeurt.
Ik ervoer dat je dan allerlei
waanideeën en opvattingen laat varen. Het was heel bevrijdend
voor me om noch mezelf noch God ergens op vast te leggen. Ik kreeg
een heel ander soort verhouding tot, vooruit maar, het transcendente
dan ik tot dan toe kende. Lassalle zei altijd tegen me: maak je los
van alle denkbeelden. vooral over God. Dat laatste zei hij met
nadruk. Lassalle gaf zen, maar hij praatte nooit over God; hij wilde
je niet tot God brengen. Hij zei gewoon: doe dit nu maar en dan zal
je zelf wel merken waar het je toe brengt.
Waar
bracht het hém toe? Vroeg je dat niet?
'Dat zei hij
natuurlijk niet. Hij heeft wel iets over geschreven en hij was vooral
geïnteresseerd in de parallellen met mystiek. Hij laat in zijn
boekjes zien dat de weg van de westerse mystiek, van Johannes van het
Kruis of Ruusbroec of zelfs van Ignatius, de stichter van de orde der
jezuïeten, in wezen hetzelfde is als het zenboeddhisme. Die
mensen werden gegrepen door iets wat zij God noemden en wat het
boeddhisme geen God noemt; de boeddhisten spreken van de Laatste
Werkelijkheid.
Ikzelf heb nooit mystieke ervaringen gehad, laat ik
dat duidelijk stellen. Ik heb in die meditaties natuurlijk wel
bepaalde belevenissen ervaren, maar ik neem aan dat dat geen mystiek
is. Lassalle zei: "Als je christen bent, weet je bij die
belevenissen zeker dat God bestaat." Dat kan ik wel
onderschrijven.
Of streep dat maar weer liever door, want ik zit
niet meer met de vraag of God wel of niet bestaat. Die vraag kan me
niet meer schelen. Dat klinkt vreselijk arrogant en ik schaam me er
ook voor, maar ik bedoel te zeggen dat ik langs de weg van zen –
en niet langs de weg van het lezen van de evangelies – een
soort fundamentele zekerheid heb dat de werkelijkheid groter is dan
ze is.'
Maar
dat kan nog van alles zijn.
'Dat kan nog van alles zijn, maar
ik geloof dat het is wat de Westerse traditie God noemt.'
Je
vroegere jezuïetische medebroeder componist Bernard Huijbers,
die ook voor de Amsterdamse Studentenekklesia heeft gewerkt, zegt dat
hij aan God voorbij is, dat de mens het Bestaan als de laatste
werkelijkheid moet zien. De dichter en bioloog Leo Vroman schrijft de
laatste tijd psalmen waarbij hij zich rechtstreeks richt tot wat hij
het Systeem noemt. Bestaan, Systeem zijn dat andere woorden voor wat
jij bedoelt?
'Het Bestaan van Bernard Huijbers is me te vol
van begrippen. De weg van zen is nu juist dat je alle denkbeelden
daarover los moet laten. Wat het Systeem van Leo Vroman betreft, ik
geloof dat je niet moet verwachten concrete sporen van de laatste
werkelijkheid te vinden in de natuurkunde of de biologie. Wat Vroman
Systeem noemt is iets heel anders dan wat het zen-boeddhisme bedoelt
met de leegte. Anders zou het niet transcendent zijn. Ik denk dat zen
een echte goede weg is. Vooral omdat zen je leert om nogal drastisch
allerlei denkbeelden op te geven hoe het moet en hoe het eigenlijk
zit.'
Hoe
het moet en hoe het zit, dat zijn de moraal en de waarheid. Je moet
de moraal en de waarheid dus opgeven om dichter bij moraal en
waarheid te komen?
'Ja, zo kun je het zeggen. Dat komt
allemaal niet meer van buitenaf op je toe.'
Zou
Jezus ook zen-meditatie hebben beoefend?
'Jezus leefde
natuurlijk ook zo vrij als een vogel.'
Je
bent nog steeds met zen en mystiek bezig?
'Ja, op mijn manier.
Het maakt je vrij. En dan kom je op het punt dat men zegt: alles goed
en wel, dat mooie verwijlen bij de leegte, maar daar kopen we niks
voor. Inderdaad, het leidt tot niks als je niet tegelijkertijd met je
beide voeten op de grond blijft staan en goed om je heen kijkt. Daar
legt met name de Vlaamse middeleeuwse mysticus Jan van Ruusbroec de
nadruk op. Je kunt ook rust proberen te vinden die vals is, waarbij
je de neiging hebt op een gegeven moment te gaan zweven. Je moet dus
gewoon in de samenleving staan.
Mijn tweede zen-meester, na de
dood van Lassalle, was AMA Samy. Die had naast zijn zen-school in
India een huis voor vrouwen die wij vroeger gevallen vrouwen noemden.
Dat vond hij ook belangrijk. En dat in India, waar zulke vrouwen
helemaal niet in tel zijn. Aan hem heb ik nog meer gehad dan aan
Lassalle. Samy is van geboorte een Birmees en hij is als moslim
opgevoed. Daarna werd hij boeddhist en toen christen en jezuïet.
Ik heb een boekje van hem vertaald over de ontmoeting van zen en het
westen.'
Vroeger
schreef je vaak - dat viel me telkens op - dat de dood iets
gruwelijks is. Je zag de dood als de ultieme vijand. Denk je daar nog
zo over?
'Mijn vader stierf in 1961 en in 1985 schreef ik naar
aanleiding van het sterven van hem het boekje 12 notities bij
een dood. Ik geloof niet dat ik het nu nog zo zou schrijven. Ik
werd toen erg geobsedeerd door het feit dat we in een cultuur leven,
vroeger, die op een bepaalde manier de dood heeft vermooit, mooi
gemaakt. Terwijl ik de grote behoefte had om te zeggen: wacht even,
er valt niet zoveel moois over de dood te zeggen.'
De
dood is vaak wreed, maar hij is ook onze bestemming.
'Inderdaad.
Accepteer je dat hij je bestemming is? De kleine mens kan groot zijn
in het doodgaan. Ik hoop het. Natuurlijk bestaat de grote kunst erin,
dat je je juist in de ultieme leegte laat gaan, als het zo ver is. De
dood is het uiterste loslaten, waar geen mens onderuit komt. Ik denk
dat het zo in het verlengde van zen kan worden gezien.'
In
die zin is de dood niet de ultieme vijand?
'Nee, in die zin
niet.'
In
welke zin wel?
'Ik weet het niet. Als een kind of een jonge
man of vrouw sterft, heb ik daar grote moeite mee. Hij of zij moest
nog verder leven. Dan kan de dood niet goed zijn, hoe je het ook
wendt of keert.'
Ik
denk dat èlk leven door de dood wordt afgemaakt, ook in de zin
van voltooid.
'Daar kan ik in komen, dat zou ik nu ook durven
zeggen. Het is een paradox. Ieder leven wil leven en is tegelijk
bestemd voor de dood. Hoe ik daar zelf straks mee om zal gaan, weet
ik niet. De weg is natuurlijk niet dat je die paradox uit de wereld
helpt, maar dat je je daaraan overgeeft. De paradox is er; oké,
ik geef me daar aan over.'
Ben
je bang voor de dood?
'Soms wel ja. Als ik 's avonds naar bed
ga, wil ik niet sterven, niet in mijn bed liggen en een doodstrijd
meemaken. Als de tijd gekomen is, zou ik wel willen dat ik inslaap en
niet meer wakker word. Te zijner tijd, want ik wil nog een paar
dingen doen.'
Zou
je euthanasie laten plegen, als dat nodig is?
'Ik denk het wel
ja.'
Een
jaar of vijf geleden schreef je het boek Bewaard verleden.
Autobiografische fragmenten. Mij troffen vooral de eerste
hoofdstukken over je kinderjaren, waarover je ook al in De
Nieuwe Linie had gepubliceerd. Je hebt het daarin over jezelf
als een 'hij', terwijl je voor de rest in de ikvorm schrijft.
Waarom?
'Omdat je als volwassene niet meer kunt weten hoe je
als kind was. Ik zie een klein jongetje voor me, van wie ik denk dat
ik het was. Maar het is een illusie dat je als volwassene zeker kunt
weten dat jij dat jongetje was.'
Ik
denk dat alles een illusie is. Natuurlijk behoor je tot wat de
werkelijkheid is, maar het is een illusie dat je de werkelijkheid en
dus jezelf als volwassene kent. Het is altijd wezenlijk anders dan je
denkt. Steeds vaker kom ik tot die gedachte.
'Precies dat is
een kerngedachte van het boeddhisme. Het ontkent zelfs dat er een ik
is. Van die gedachte zijn overigens ook in de westerse filosofie
sporen te vinden. Sartre heeft gezegd, dat het ik een illusie is –
ik geef het nu in mijn eigen woorden weer – en dat het ik pas
verschijnt als ik ernaar kijk en daarmee is het dus niet meer een ik,
maar een ding, een object.'
Je
boek Bewaard verleden heb ik met grote interesse
gelezen. Maar ik vond het vreemd dat je er een uitvoerige en in grote
lijnen waarderende schets van de stichter der jezuïeten,
Ignatius, in hebt geschreven, terwijl de man volgens jou een zeer
zwart zelfbeeld had. Ook spreek je met veel waardering over je
opleiding tot jezuïet en je leven in de orde, terwijl je zoveel
kritiek uit. Je zegt in dat boek dat het noviciaat van de jezuïeten
beslist geen leerschool in het gevoelsleven was en dat er evenmin
ruimte was voor de onmisbare onderlinge communicatie. Je trof er
weinig gevoel aan voor spiritualiteit en voorzover van spiritualiteit
sprake was sloot die zich af voor ontwikkelingen in de samenleving,
'angstig, defensief, zonder veel werfkracht, hechtend aan
formalistische, individuele vroomheid.' Er was volgens je boek bitter
weinig gemeenschapsgevoel in de orde en je schrijft: 'In de loop van
mijn jezuïetenleven ben ik eigenlijk nooit geschoold in
religieuze ervaring.' Je beleefde je homoseksuele geaardheid en
verhoudingen als heel normaal, maar je liep te pletter tegen een
volstrekt taboe dienaangaande: 'Iets in mij was zo dom te geloven,
dat de kerk uit naam van God mij wel zou begrijpen. Dat is niet
gebeurd.' Dat liegt er allemaal niet om. Toch schrijf je ook dat je
als jezuïet een onvergetelijke leerschool hebt gehad. Dat klopt
voor mij niet met elkaar. Wil je zo een groot deel van je leven
achteraf rechtvaardigen?
'Dat zal er ook wel bijkomen. Maar ik
heb in de jezuïetenorde een zeer goede vorming gekregen in
filosofie en theologie, beter waarschijnlijk dan ik aan een
universiteit zou hebben kunnen krijgen. Bovendien had ik in dat
milieu een zo goede vriendschapskring, dat ik me afvraag of veel
studenten "in de wereld" die ooit zo gehad hebben. Met die
mensen had ik voortdurend heel fundamentele gesprekken. Dat was de
inhoud van onze beleving in die tijd. Ik heb me in die jaren helemaal
niet verveeld, integendeel, ik vond het fascinerend. Het is ook nooit
bij me opgekomen om zelf uit de orde der jezuïeten te gaan. We
hadden het gevoel: het moet allemaal anders en dat gaan wij doen.'
Dat
is niet gelukt.
'In die vorm is het inderdaad spaak gelopen.
Maar er is toch wel bijvoorbeeld de Studentenekklesia in Amsterdam
uit voortgekomen, die nog altijd een brandpunt is waar het verhaal
van de bijbel op bevrijdende wijze wordt verteld en beleefd.'
Je
zei straks: ik wil nog een paar dingen doen. Wat?
'Ik ben nu
bezig aan een kleine tekst over Ruusbroec voor het
KRO-TV-programma Nachtgedachten. Dan moet ik nog een
vertaling maken. Daarna wil ik, zoals ik al zei, een boekje schrijven
over Meister Eckehart. Een inleiding op hem. Misschien kan dat
volgend jaar verschijnen. Eckehart boeide me altijd al. Ik heb de
indruk dat ik hem pas via zen ben gaan begrijpen, zo van: o, dat
bedoelt hij natuurlijk met al die gekke woorden en dat rare taaltje
en die wonderlijke begrippen. Ik wil proberen om langs die weg, maar
zonder zen te noemen, een beetje duidelijk te maken wat hij naar mijn
idee bedoelt.
Daarna hoop ik ook een vervolg te schrijven
op Bewaard verleden. Dat boek eindigt nogal abrupt met
mijn afscheid uit de orde in 1969. Ik heb heel wat notities liggen
over de jaren zeventig, tachtig en negentig en ik zou van die periode
in een soort dagboek verslag willen doen. Naarmate je ouder wordt kun
je over die tijd ook met meer afstand en rust en inzicht
schrijven.
Ik wil ook weer gaan tekenen en schilderen. Daar heb ik
jaren geleden les in gehad en ik heb het ook met plezier gedaan.' (Ik
vraag of de grote tekening boven de schouw van hem is). 'Ja, dat is
een portret van mijn moeder. Dat is een vrucht van die lessen.'
Slotvraag:
ben je nu zen-boeddhist of christen?
'Alletwee en geen van
twee.'
Gerard van den Boomen is journalist en schrijver. Was, onder meer, hoofdredacteur van het voortreffelijke weekblad De Nieuwe Linie, werkte voor de Volkskrant en de KRO en is thans nog nauw betrokken bij activiteiten in het Mozeshuis, onder meer rond de aids-problematiek. ((...)) Van hem verschenen bij DABAR-LUYTEN diverse boeken.
Dabarbericht
is een kwartaaluitgave van de leefgroep DABAR en
uitgeverij DABAR-LUYTEN te
Heeswijk.
Adres van DABAR-LUYTEN:
Postbus 116, 5473 ZJ HEESWIJK, tel./fax: 0413-29 32 53.