Afscheid en Uitvaart van Ton van der Stap

 

Kantens, 12 mei 2009

 

Sieds Prins:

 

Welkom jullie allen,   

 

Familie, vrienden en vriendinnen, broeders uit de Jezuietentijd, goede kennissen en dorpsgenoten van Ton van der Stap, die gekomen zijn om hem uit te varen uit ons

midden.

 

 Ineens is hij er niet meer en hoewel ieder die hem ontmoette zag dat hij echt ziek

was en leed aan het gebrek aan adem, als je met hem sprak vergat je het, meegenomen door zijn sprankelende geest. Zelfs zijn specialist vond, een paar weken geleden, dat het hem betrekkelijk goed ging, zijn ademmogelijkheden waren niet achteruit gegaan en hij hoefde pas in april 2010 terug te komen. Maar voor Ton zelf waren de laatste maanden zwaar:

“Ik raak steeds meer de greep kwijt”klaagde hij en het gebrek aan adem benauwde hem, letterlijk en figuurlijk. Maar van een andere, intensievere verzorging wilde hij niet horen.

 

Tot afgelopen donderdag. Om 13.30 uur belde hij mij op en zei: kom, ik kan niet meer.

Samen met een timmerman die bij ons werkte, heb ik hem naar een rustige kamer gedragen.

Wat een mooie lieve man zei Ton toen die was weggegaan. De arts die kwam wilde dat hij opgenomen werd en zo is hij in een ambulance naar het ziekenhuis gegaan.

 Daar vroegen vriendelijke doktoren wat hij wilde en Ton zei: ik wil naar huis, maar dat betekent mijnheer van der Stap dat u zult sterven. En Ton: mijn leven is vol, het is goed ik wil sterven dit stikken is niet meer te verdragen. En terwijl de artsen zich terugtrokken om te overleggen wat te doen begaf zijn hart het.

Ineens zonder waarschuwing.

Zo is hij weggegaan uit ons leven

 

 

Het is goed dat jullie gekomen zijn om samen, voor het laatst rondom Ton, afscheid van hem te nemen  In deze eeuwenoude kerk midden in het dorp dat hem dierbaar was,

met muziek door hem gekozen.

 

Dat wij een goed uur mogen hebben en dat Gods Geest lichtend in ons midden aanwezig is.

 

 

Herinnering aan Ton

 

 

Als ik nadenk over wat een dragende bedding is in mijn kontakt met Ton, dan is dat:

samen eten.

 Dat begon toen ik hem voor het eerst ontmoette bij een voorstelling van “Poezie Hardop” waar Ton’s vertaling van Kafavis werd gespeeld.

We raakten in gesprek – een gesprek dat voortduurt tot de dag van vandaag- iets wat een aantal van ons ongetwijfeld zal herkennen. Waarover?  Over van alles: over kunst, kultuur, zeker over schilderijen,gewone dingen van alledag, over de liefde… ik kan mij niet herinneren dat wij ooit over zijn werk als pastor spraken.

Het waren avonden, of beter gezegd  nachten,  in de jaren 70 dat de stad ( ik heb het dan over Amsterdam) en de kroegen aan ons toebehoorden.

Een leven dat Ton hier in Kantens nog een tijdlang heeft voortgezet.

 

Een keerpunt komt in 1979.

Samen met enkele vrienden verhuis ik Ton naar Frankrijk, naar de Provence. Hij koos hiervoor om te doen wat hij ècht wilde: schilderen!

Na drie jaar kwam er een brief – telefoon had Ton niet – van hem uit Frankrijk.

Aan schilderen kwam hij ook in de Provence niet toe, hij moest om te kunnen leven vertalen, en het lukte hem daar in het afgelegen gebied waar hij zat niet om een vorm van sociaal leven te ontwikkelen.

Hij zocht, zo schreef hij me,  een plek waar wel stilte was, maar het mocht niet te ver zijn van zijn  vrienden: dat werd de Klinkenborg in Kantens waar hij in 1983 is gaan wonen.  En weer probeerde hij te schilderen.

Hij was gefascineerd door het heldere licht in het  Groningse land en maakte zich los van zijn meer abstracte vormentaal waarmee hij  eerder overigens, prachtige schilderijen gemaakt had.

en o.a. door exposities algemene erkenning had verworven.

In Groningen zocht hij naar een nieuwe ingang.

Een groot voorbeeld was voor hem de franse schilder Bonnard. Die was op een heel eigen wijze in staat zo te werken met licht,  dat een simpele omgeving, bijv. een badkamer, ontroert door een intense schoonheid. “Het gewone laten oplichten in schoonheid” dat wilde Ton proberen met het landschap waarin hij leefde. Zo heeft hij in de jaren ‘80 en ‘90 het landschap en de tuin om hem heen geschilderd. Soms , eigenlijk heel soms, was hij tevreden met het resultaat, maar vaak ook niet.

Want dit is wellicht een minder bekende kant van Ton: in zijn gesprekken met anderen was hij open , niet oordelend,  maar voor zichzelf , zeker in zijn schilderwerk was hij streng: “er wordt al zoveel geschilderd, wat heb ik er eigenlijk aan toe te voegen……” zo oordeelde hij dan over zijn eigen werk.

 Op een keer kwam ik bij Ton en zag een beschilderd houten hoofdeinde, afkomstig van wat ooit een kinderledikantje was geweest.

Het was een prachtig schilderij, eigenlijk het mooiste wat ik Ton ooit had zien maken.

Ton vond het nog niet af, wilde het nog verder “afwerken”. Maar feit is dat ik dit schilderij later nooit meer heb terug gezien. Niet goed genoeg bevonden, kennelijk.

Na 2000 nam Ton zich regelmatig voor weer te gaan schilderen, verf en doeken werden in de stad ( Groningen ) aangeschaft,  maar het is er nooit meer van gekomen. Toch was hij er trots op dat er op zijn 70e verjaardag , toen er een kleine huisexpositie van zijn werk was, zoveel werd verkocht.

Intussen had ik in 1999 opnieuw een brief ontvangen van Ton . Deze keer schreef hij me dat het echt niet meer ging op de boerderij in Kantens: het lekte aan alle kanten en hij kon het niet herstellen. We zochten de oplossing in een samen bewonen van het terrein van de Klinkenborg: Ton in het voorhuis , wij – want intussen was Louis – die Ton overigens ook al in 1975 had leren kennen -  in mijn leven gekomen – in de schuur. Het is in het begin niet gemakkelijk geweest voor Ton , anderen toe te laten in zijn leefruimte. Maar met goede, op natuurlijk wijze gecreëerde afbakeningen,  zijn we tot een vorm van samenleven op één erf  gekomen waarmee wij alle drie, dacht ik,  tevreden waren. Met als vast punt: de gezamenlijke avondmaaltijden op zaterdag,

En waar wij over spraken?

Over gewone dingen, als het knippen van Ton’s haar door mij, over gedichten van vele schrijvers ,opgezocht en voorgelezen of zo door Ton voorgedragen, over de schoonheid van mannen , over eindigheid en ja ook  over God die het geheim is van ons bestaan.

 

Nu ik hier sta denk ik: Ton, je bent er niet meer, je hebt mij meegenomen tot het laatste moment van je leven; het is niet voor te stellen dat je er niet meer zult zijn, onder het licht van de lamp als ik `s avonds thuiskom, dat ik nooit meer je haar zal knippen,  dat wij nooit meer, heel voorzichtig om elkaar vooral niet te claimen,  aan elkaar kunnen vertellen hoeveel wij van elkaar houden.

 

Ton, adieu!

 

Kantens 12 mei 2009

Sieds Prins

 

 

Gebed

 

God,

wij komen tot U

zo verdrietig als wij zijn

omdat wij Ton(ne) moeten missen

die veel voor ons betekend heeft.

 

Wij danken U

voor deze mens

die ons bestaan verrijkt heeft

met zijn vriendschap,

zijn humor,

zijn intelligentie,

zijn gevoel voor schoonheid,

zijn kracht een eigenzinnige koers te volgen

op zoek naar wat waarachtig is,

zijn verlangen U in het gewone van ons bestaan

aan het licht te brengen.

 

Geef dat wat kostbaar was voor hem

door ons gerespecteerd zal worden

 

Troost ons en onze wereld ,o God.

 

 

Drie fragmenten uit Ton van der Stap, De weg van Eckhart

 

Er is een ‘innerlijke wereld’, een ‘binnenkant’ aan de werkelijkheid, die de hele werkelijkheid doortrekt, bezielt en draagt. Dat ervaren wij niet, of hooguit zelden; soms vermoeden wij het, meestal komen wij niet verder dan het te geloven. Toch is ons geluk afhankelijk van de ontdekking dat die grond bestaat en dat wij erdoor worden gedragen. Het is de diepste intuïtie van alle mystici, die van het Westen en die van de oosterse godsdiensten. De Zenboeddhist Dogen weet : de werkelijkheid is betrouwbaar en draagt ons. Dat is ook het diepste, op zijn ervaring gebaseerde besef van Eckhart, en dat drukt hij uit met behulp van een traditionele gedachte uit de christelijke vroomheid : God baart zijn Zoon in de ziel van de mens. (p. 59)

 

 

Eckhart spreekt over het besef van Gods aanwezigheid ‘in alle dingen‘. Uiteraard denkt hij hier allereerst aan gebeurtenissen en situaties, goede en kwade, al wat een mens overkomt. Maar als God ‘opglanst in alle dingen’, zouden wij misschien ook mogen denken aan de gewone schepselen die ons omringen als ons milieu. Dat God ook daarin ‘opglanst’, is een in de westerse cultuur verwaarloosde intuïtie. De ontwikkeling van de godsdienst onder invloed van rationalistische denkbeelden heeft tot verkommering van dit mystieke gevoel geleid. De schepping komt er in het christendom bekaaid af. De grote mystieken van vroeger laten echter een ander geluid horen. Hildegard van Bingen, Ruusbroec,, Franciscus van Assisi, Ignatius van Loyola hadden het grootste respect voor ‘de dingen’, en ze reikten hierin de hand aan de oosterse mystiek, waarvoor het altijd een vanzelfsprekende zaak is geweest dat de ‘laatste werkelijkheid’ zich ook manifesteerde in de kosmos en de natuur.  (pp. 49-50)

 

 

Wij denken : ik leef om iets tot stand te brengen. In de samenleving, in mijn naaste omgeving. Om aan de wereld iets na te laten. Eckhart zegt niet dat zulke idealen verkeerd zijn. Hij zegt wel dat ze geen rechtvaardiging zijn voor ons bestaan. […] Je hoeft niet bang te zijn; je moet je niet laten opjagen, want je bestaansgrond is er al. Je bent al gerechtvaardigd. Je rechtvaardiging is gegeven met het feit dat je er bent. Het leven heeft geen waarom nodig, want het waarom is met het leven zelf gegeven. Het waarom heet leven. Je rechtvaardiging is God die je het leven geeft.   (p. 52)

 

 

Afscheid van Ton van der Stap

 

Tegelijk met het gemis dat langzaamaan, schoksgewijs tot ons aan het doordringen is, zullen wij hopelijk allen hier vandaag troost gevoelen, grote troost. We weten immers dat Ton, onze bijzondere, onze lieve Tonne, gestorven is in het besef dat zijn leven vol was, goed was, dat hij voltooid had wat te voltooien was. Onder de breuken die zijn leven markeren - met zijn familie, met de jezuïetenorde, met de prediking, - ervoer hij vooral continuïteit, eenheid, wist hij zich trouw aan de mens die hij door dat alles heen had willen worden, en die hij nu geworden is. Ton voelde zich, ondanks de pijnlijke benauwenis van de laatste jaren, een gelukkig mens. Door zijn lange ziekte heeft hij de tijd gekregen om te overzien, af te ronden, op te ruimen, te voltooien : in zijn huis, in zijn denken, zijn leven. Met velen van ons, zijn vrienden, heeft hij gesproken over de ondenkbare dood, geheim van alle leven, ook van zijn eigen leven dat steeds verder afgeknot werd maar waarin hij vreugde bleef scheppen. Tot zijn laatste ochtend bleef hij in de schoonheid van Klinckenborg het begin van Gods schepping herkennen.

 

Maar hij zal ons nooit meer vertellen hoe het was toen hij donderdag tenslotte de mysterieuze grond van het bestaan raakte, waarover hij zoveel gedacht, gesproken en geschreven had, We weten alleen dat de helderheid waarmee hij dat moment tegemoet is gegaan de helderheid was van de vrije mens. Het was de vrucht van een bestaan waarin hij de zware deken, uit zijn jonge jaren, van voorgegeven waarheden, waarden en wetten van zich had afgeworpen en vrij was gaan denken over wat waar is, waarachtig, goed, onze aandacht werkelijk waard.

 

De herinneringen of beelden die deze zo begaafde en veelzijdige mens onder ons oproept, zullen zeer uiteenlopen : enthousiasme voor de predikant die dingen zag en zei die niemand anders zag of zei, eerbied voor de leermeester van de ziel, bewondering voor de schrijver met een stijl waarin schilder en zielkundige een verbond aangingen. Naarmate mensen hem meer van nabij kenden, en zagen hoe Ton ook een mens kon zijn die niet wist, niet deed, niet wilde, die het teleurstellend kon laten afweten, bleven  die gevoelens toch overeind. Want ook een twijfelende Ton had veel te vertellen, juist een dronken Ton durfde nieuwe taal te spreken, en niemand was zo ontwapenend als Ton wanneer hij zich, niet altijd onterecht, schuldig voelde. Maar hoe we hem ook ervaren hebben, Ton heeft ons allemaal geraakt, met zijn persoon, zijn woorden, zijn warme uitstraling  En wat belangrijker is, hij heeft velen van ons in beweging gebracht.

 

         Er zijn onder ons twee soorten mensen die de beweging er in houden, die de groep, de samenleving, waar de wetten van de traagheid heersen, opporren, op gang helpen. Vanuit een godsdienstige achtergrond zouden we ze de profeten en de mystici kunnen noemen, binnen het maatschappelijk en culturele gebeuren zijn het de leidersfiguren en de kunstenaars. Beide typen mensen tornen, ieder met hun eigen geestkracht, aan de rand van het bestaan, daar waar de beweging moet beginnen : de profeet, de leider komt met hoge, vaak verre idealen, en met zijn oproep tot handelen, de mysticus, de kunstenaar roept om aandacht voor het nabije, voor de binnenkant, de ziel van mens en ding. Hadewych en Hockney, Eckhart en de geliefde Zenoefeningen : het is duidelijk waar Tons roeping lag. Natuurlijk horen mysticus en profeet bij elkaar, hebben ze elkaar nodig. ze zijn zelfs niet denkbaar zonder elkaar. Maar alles in Ton - noem het rompstand, temperament, genen of geschiedenis - trok hem naar één kant : naar binnen, weg van een wereld die hem zijn eigenheid, zijn vrijheid leek af te willen nemen. Hij haatte profetie zonder ziel, wantrouwde zelfs profetie met ziel. Hij zocht beweging, nieuw leven, in het nabije, in aandacht voor onze binnenkant, en in kunst waarin die binnenkant van mensen en dingen zich toont. Dat was het beste deel. Dat ging vóór al het andere. En wie die schat in eigen akker gevonden heeft, zal anderen daarin willen laten delen, en op den duur hopelijk ook de profeet in zichzelf ontmoeten.

         Zo ongeveer dacht hij, en om ons dat te vertellen had hij een prachtige schrijfstijl ontwikkeld. Hij waagde zich niet aan gedichten - die kende hij uit zijn hoofd, in vele talen, van Nijhoff tot Keats en van Baudelaire tot Rilke, en natuurlijk Gezelle, en natuurlijk Kavafis.  Nee, hij koos voor poëtisch proza, voor lyrische teksten. Hij schreef, onder veel meer, het weergaloze Bewaard Verleden, een boek dat meer verbreid en vertaald zou moeten worden. ‘Een levend woord vindt haar waarheid pas na de dood’ (Walter Benjamin), hopelijk geldt dat nu ook voor Ton. Hij verstond nog de kunst van lange, vaak poëtische brieven schrijven, uit Couteronne, uit Kantens, uit zijn geliefde Griekenland. Ook in die brieven gaat het vaak over nabijheid : ‘Het regent; ik zie kersenbloesem opwaaien, het geeft me een apart gevoel van vrede; ik voel met die regendruppels, die bloesem, een mateloze vriendschap; ze vertellen me dat er iets onzegbaar liefs is en dat dat er altijd is; ze laten de tijd en het hele wereldgebeuren en mijn hele hier-zijn en mijn werk en mijn zorgen en alles ineens wegvallen’. De altijd nabije, ‘goddelijke’ natuur, waar niets hem kon verwonden, waar iedere lichtstraal, iedere bloem, steen of zandkorrel hem in vervoering konden brengen, was een voortdurend vreugde, zijn immer aanwezige troost. Je kon hem geen groter plezier doen dan er met hem in rond te lopen - rond te rijden, later - en in die vervoering te delen.

En er was de erotiek, bij uitstek kunst van de nabijheid, kunst van het begin, die Ton met mannen en jongens beleefde. Ook in dat verband kon hij de regels van Nijhoff citeren : ‘Wie sterft’ - en sterven doe je een heel leven - ‘Wie sterft eerst weet dat ‘t bloed dieper is dan de hemel hoog’. Ton was daarin een laatbloeier, maar hij heeft, God zij dank, zijn achterstand kunnen inhalen. In dat donkere woud is ook wel eens verdwaald, maar zijn ontmoetingen met bekende en onbekende partners werden vaak een bron van vervoering en nieuwe inspiratie. In de herfst van 1971 is hij toegetreden tot het bestuur van het COC., voor beide partijen een gebeuren, en ook in die kringen werd hij al gauw een geliefde verschijning. Dat waren de dagen waarin Ton aan de vergadertafel en Jan van Kilsdonk in de kroeg van het COC zat. Het is waarschijnlijk de enige keer geweest dat Ton zijn afkeer van besturen en organiseren voor de goede zaak opzij heeft gezet. Maar het COC kreeg zo op den duur voor hem toch iets tegennatuurlijks. Hij  heeft het dan ook maar kort volgehouden.

Temidden van zijn vele vrienden en vriendinnen is Ton een leven alleen blijven leiden. Dat paste bij hem, zo voelde hij zich het veiligst. Want het verlangen naar nabijheid wekte onmiddellijk in hem ook de behoefte aan afstand : afstand van allen die zijn eigenheid belaagden, zijn vrijheid beknotten, te hoge of verkeerde eisen stelden aan zijn talenten. Hij koos voor afstand, voor vluchten zelfs. - illusoir of niet, dat hinderde niet -  vluchten voor zijn familie, voor de grote stad, voor werkplekken die hem benauwden, zelfs voor de preekstoel waarop hij toch als een soort magiër een volle kerk tot applaudisseren kon brengen. Hij ruilde deze heel bewust in voor het werk, af en toe, met kleine praatgroepjes over poëzie, over religie, en voor een soort kluizenaarsbestaan, alleen met de natuur, zijn boeken, zijn schildersezel, zijn schrijftafel, en zijn honden en katten - Petrarca, schoon boven alle schonen, en Markus, de verschrikkelijke. Als er maar vrienden kwamen, om mee te lachen en te drinken, en alles te bespreken. Met die dubbelheid, die paradox, waarvan hijzelf het geheim, zei hij, maar half vermoedde - afstandelijke nabijheid of nabije afstandelijkheid - heeft hij willen leven, en kunnen leven. Het is de bron geweest, niet van eenzaamheid maar van veel vriendschap. Vriendschap ook met de doden die hem in grote getale bezochten : Kavafis, de minnaar, Gezelle, de klanktovenaar, Vermeer en zijn licht, Yourcenar en haar stoere taal, en heel veel anderen. Één moeten we vandaag speciaal noemen : Ignatius van Loyola die hem boeide, niet uit nostalgie, en niet om zijn Constituties, maar om zijn tranen, zijn aandacht voor het zien, het voelen, zijn zorg voor de outcasts van Rome destijds, en natuurlijk om zijn ‘God vinden in alles’: in de natuur, in de ander, in de leegte, het verlangen van de levende ziel.

         Al die vriendschap,  veraf en nabij, gold uiteraard in de eerste plaats de levenden, ons allen,  ‘Soms realiseer ik me hier’, schreef hij vanuit Frankrijk ‘hoeveel vrienden ik eigenlijk heb. Hoeveel mensen met wie ik praten kan zoals ik wil […] Ik denk aan ze als aan een nabijheid; het is minder persoonlijk, maar haast wel lijfelijker; het is “het”. “Het’ zijn mijn vrienden, een aanwezigheid die elk moment kan aanwaaien’.  ‘Het’, dat waren wij dus, wij allen, die bij hem kwamen aanwaaien als de geest, heilig of niet. ‘Het’, dat waren de laatste acht jaar in de eerste plaats Sieds en Louis. Vanuit hun achterhuis zijn ze steeds meer de steun en toeverlaat geworden van hun kleurrijke vriend in het voorhuis, die vreselijk veel van hen hield. Zij, en natuurlijk Huub - maar wie van ons eigenlijk niet? - zouden uren kunnen vullen met hun herinneringen aan Ton. Misschien moeten we dat ook doen straks, samen een boek over hem maken, nu de dood al de menselijke en goddelijk rijkdom die het leven in hem opgeslagen had, heeft weggevaagd, wreed en onherroepelijk.

Ton was graag nog een paar jaar bij ons gebleven. Eigenlijk verwachtte hij dat dat zou gebeuren, maar hij wist ook, heel nuchter, dat het nu zo ongeveer tijd werd om plaats te maken voor de generaties na hem. En wij die nog mogen leven kunnen op dit droevige moment, lijkt me, niets beters doen dan hem ter ere het lied zingen dat één van zijn grote favorieten was : ‘Ander, ouder, iemand in ons verborgen’. Wie het niet kent moet minstens mee neuriën, voor Tonne. Het is een lied waarin mysticus en profeet hand in hand gaan. In de laatste regel, de zang van de lijster, herkende hij niet alleen de poëzie van Keats en Elliot, maar ook de vogelzang van Mariëndaal, van Couteronne, van de Klinckenborg.

Wat zingt die lijster? De lof van God, dat is zeker : Halleluia.. Laudate!  In dit uur van afscheid, mogen we er ook de groet in horen die Ton aan Hadewych had ontleend en waarmee hij graag een brief eindigde of afscheid nam van een bezoeker :

Vaerwel, ende levet scone!                                                                    

 

Laten we dat dus maar doen.

Dank je wel, Tonne    

                                              

 

                                               Kantens, 12 mei 2009, Henk Hillenaar

 

Absoute

 

Gij, onze God

Gij zijt leven,  geen dood

Gij zijt licht, geen noodlot

Gij zijt trouw en verbonden

met ieder mens

 

Voordat wij van hier gaan

willen wij eren

hem die ons in de dood is voorgegaan.

Wij eren dit lichaam

dat ons zo lange tijd vertrouwd was

als Uw scheppingswerk

God.

Uw liefde heeft in deze mens geleefd

en uitgestraald tot het laatst toe.

Wij zegenen dit lichaam

als teken van geloof

dat Gij, God van liefde,

door de dood heen met ons bent.

 

In de naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest

 

 

Ton wij geven je uit handen

in de hand van de levende God

die stilte is,

die je ziel voor altijd vervult.

Dat de engelen

je mogen begeleiden