IN MEMORIAM BEN TERVOORT

 

* 29-05-1920                   + 17-08-2006

 

 

 

 

Ben Tervoort was aanwezig op alle vier ontmoetingsdagen van jezuďeten en ex-jezuďeten binnen het verband sj-oud-sj sinds 2001. Op 30 maart 2006 pleitte hij direct na de toespraak van Jan Peters S.J. over katholieke universiteiten voor de vrijheid van de beoefening van wetenschap ten opzichte van bepaalde geloofsovertuiging. Hij deed dat met gebalde vuist. Spoedig schreef hij, dat hij misschien niet zo fel van leer had moeten trekken. Wie hem kent, heeft zijn opwelling zeer wel kunnen plaatsen. Ben heeft juist ook als wetenschapper ervaren hoe doofstom en harteloos het kerkelijk systeem kan zijn. Maar ongelovig geworden is hij daardoor niet.  

 

Ben ken ik persoonlijk reeds vanaf 1948, toen ik leerling werd van het Ignatius College te Amsterdam. Je ontmoette hem op de collegekampen en op ZWIC, waarvan hij de pater-leider was. We spraken elkaar regelmatig in het zwembad van de AMVJ. In de jaren 1950-1952 was hij ook mijn leraar Nederlands. Op de katheder gezeten, wiebelde hij vaak met de voet van het rechterbeen, dat hij onder zijn toog over het linker had geslagen. Zenuwen, gedrevenheid? Hij eiste meer dan andere leraren in zijn vak. Je moest maandelijks een opstel produceren. Daarmee vergde hij ook veel van zichzelf. Hij beoordeelde al die opstellen nauwkeurig. Voor de leerlingen een intensieve training in ontwikkeling van fantasie, denkvermogen en schrijftalent in onderling verband. Belangrijk was ook gedichten lezen. En uit het hoofd voordragen. Een keuze uit Carillon, de bloemlezing die hij met zoveel passie uit de Nederlandse dichtkunst had samengesteld, in samenwerking met dr. Ph. T. Lansberg, zou hij zeker waarderen. In deze magnifieke uitgave ook wenken voor het declameren: “Denk aan je houding. Recht op, maar niet militair. Een been rust, de ander draagt het lichaam. Ongedwongen houding van armen en benen.” Hier dringt zich de gedachte op aan de ignatiaanse Regulae Modestiae. Niet altijd eenvoudig om die wenken te volgen, als je ongedurig bent.

 

Hij vertelde ons ook over zijn promotieonderzoek op het “Doofstommen-Instituut” te Sint  Michielsgestel. Gaf daarbij blijk van zijn liefde voor minderbedeelden. Hij ontdekte hun begaafdheden. Toonde aan dat de eigen visuele communicatie tussen doven een echte taal is en dus ontwikkeld kan worden. De eerste promotie die ik meemaakte was die van Ben, in de statige aula van de Universiteit van Amsterdam, 23 november 1953. Een stijlvolle plechtigheid, een stampvolle zaal, de paranimfen in keurig jacquet, Ben in het kleed van zijn status, de melior toog, moedig in het hol van de antikerkelijke universiteit. Veel lof en langdurig applaus. Hij bleef het onderwijs aan doven opschudden, in binnen- en buitenland, niet zonder tegenwerking, ja, zelfs miskenning van de zijde van het kerkelijk bestuur van genoemd instituut. Uiteindelijk won hij ook hier te lande: doven zijn niet stom.

 

Ben, oud-leerling van het Canisius College te Nijmegen, daarna jezuďet, neerlandicus, onder het pseudoniem ‘Mark Vendelier’ schrijver van zeven krimi’s voor jongens, filoloog, priester, na 25 jaar uit de Sociëteit getreden, vanaf 1966 professor in de psycho- en patholinquistiek aan de Universiteit van Amsterdam, én door rector Gerard Zaat S.J. gevraagd terug te keren naar het Ignatius College als bestuurslid. In 1971 zocht ik hem op, toen psychische problemen ook mij de Sociëteit deden verlaten en ik niet wist wat te doen: zou ik nog Nederlands gaan studeren? Het is er op mijn 35e niet meer van gekomen. Maar het tekent wel de band, en de liefde die hij mij – en vele anderen – voor dit mooie vak heeft bijgebracht.

 

In het tiende jaar emeritaat, 1997, schreef hij: Jezus, ben jij dat? - het verhaal van een  roeping. De eerste autobiografie in de Memo-Reeks over katholieke levensgeschiedenissen. Jezuďeten en ex-jezuďeten zijn hem dankbaar voor de wijze waarop hij de klassieke maar inmiddels ter ziele geraakte Sociëteitsopleiding heeft beschreven: gedetailleerd, kritisch, relativerend, met de nodige humor, steeds met respect. Het duizelt de lezer soms wel van de veelheid aan activiteit van hemzelf. Brengt de Sociëteit zulke mannen voort, of kiezen zulke mannen zelf juist voor de Sociëteit? Wisselwerking? De toen 78-jarige schrijft deze wens neer: “Maar heel diep weg is die priester er nog, hunkerend naar erkenning, ooit …” Waarom nog wachten, bij zoveel mislukking van de klassieke modellen? Inmiddels weet hij zeker dat daarboven niet het ambtelijk maar alleen het gemeenschappelijk priesterschap geldt, het priesterschap van eenieder en allen in Christus.

 

Ben kon niet stilzitten. In zijn 84-ste levensjaar verscheen zijn achtste krimi, niet slechts voor jongens: Teken van Leven, de dove monnik en de grootinquisiteur. Zijn grote kennis van taal en doven en van geloof en kerk, liet de rasverteller hier samenvloeien in een misdaadroman, die zich afspeelt in de Middeleeuwen. Zo kon hij op speelse wijze zijn kritiek kwijt op wie wel kunnen horen maar niet luisteren, verblind door macht of angst, en zijn keuze verantwoorden voor wie gehoor missen maar scherp zien en de taal van liefde en waarheid communiceren. Want die taal zegeviert. De eerste letters van de hoofdstukken – capita ook van zijn leven? – liet hij verluchtigen met prachtige miniaturen.

 

De ontmoeting met Ben op de dagen van sj-oud-sj was een genoegen: zijn hart sprak veel meer dan toen hij nog de veeleisende leraar was op het Ignatius College. Hij was trots op zijn leerlingen, van wie hij vond dat zij zich zo goed ontwikkeld hadden. Ben zelf is in de loop der jaren ook zoveel meer mens geworden. Ex-jezuďet, maar altijd Ignatiaan gebleven, onuitwisbaar.

 

Wij wensen zijn vrouw, dochters en andere familieden veel sterkte met het verwerken van zijn overlijden. Zij – en wij – kunnen troost vinden in het besef hoezeer hij zelf beproevingen te boven kwam, hoe rijk en gezegend dit leven was, hoe tevreden en gelukkig hij zelf was geworden, rustig toch ook. Die rijkdom en zegen blijven. Hij ruste in vrede.

 

Breda, 20 augustus 2006

Gerard Klijn

secretaris sj-oud-sj.