Voormalig jezuïet Ben
Tervoort vocht voor de erkenning van gebarentaal. Het kostte hem zijn baan.
Voor Doven
Professor Ben
Tervoort, op 17 augustus op 86-jatrige leeftijd overleden, was hoogleraar
linguïstiek aan de Universiteit van Amsterdam en legde als eerste taalkundige
ter wereld de grondslag voor onderzoek naar gebarentaal van doven. In een
bittere richtingenstrijd vocht hij voor erkenning van gebarentaal die op de
meeste dovenscholen werd ontmoedigd en zelfs hardhandig uitgeroeid. Doven
behoorden toen via liplezen te leren spreken. Hij was een voormalig
jezuïet die met toestemming van Rome de orde verliet en trouwde met Dieuwertje,
een jonge kleuterleidster op een dovenschool in Groningen. Op 84-jarige
leeftijd publiceerde hij nog een thriller over een dove monnik in de
middeleeuwen. Hij hield van tuinieren, was verzot op de natuur en kamperen. Hij
was een gelovig man, op zoek naar het mysterie;
veeleisend voor zichzelf en anderen. Hij was beminnelijk, geestig en
enthousiast, maar kon ook boze brieven schrijven als
hem iets niet beviel. Vaak was het schrijven voldoende, de brief hoefde niet te
worden verstuurd.
Ben Tervoort werd in
Groesbeek geboren, zijn vader was hoofd van de school. Hij ging - twintig
kilometer fietsen - naar het Canisius College, een jezuïetenschool in Nijmegen
en werd ook zelf jezuïet. In zijn autobiografie, Jezus, ben jij dat?, schrijft
hij zonder wrok over de harde beginjaren. De oorlog maakte diepe indruk. In
1945 ging hij, vanuit het Ignatius College waar hij ook les gaf, taalwetenschappen
studeren aan de Gemeente Universiteit bij de medejezuïet professor Reichling.
Hij werd diens assistent, maar toen Reichling in 1948 uit de orde trad en
trouwde, moest hij van zijn superieuren ogenblikkelijk alle contact met zijn
leermeester verbreken. 'Ik heb hem acht jaar niet mogen zien, spreken, bellen of schrijven.'
Verweesd studeerde
hij verder en schreef onder pseudoniem Mark Vendelier (en na toestemming van
bovenaf) deugdzame jongensboeken. Door toeval raakte hij eens in gesprek over gebarentaal
en ging kijken op het R.K. Instituut voor Doven in Sint Michielsgestel. Via-via
hoorde hij dat Reichling het een prachtig promotieonderwerp vond. Hij filmde
dove kinderen en begreep dat gebarentaal de taal van doven was. Na zijn
promotie in 1953 deed hij vanuit Sint Michielsgestel zes jaar een groot
vervolgonderzoek in Amerika, België en Nederland. Hij kreeg steeds meer
tegenwerking van de directeur die zich bleef verzetten tegen gebarentaal. Hij
werd ontslagen en raakte in een diepe crisis. 'In de auto heb ik gejankt van
ellende, ik dacht: "als ik nou slip of een boom raak is het wel afgelopen
en heb ik bij God misschien nog een kans"'.
In die jaren van
vertwijfeling, waarin vrienden zich over hem ontfermden en er voor zorgden dat
hij zijn project af kon maken, had hij Dieuwertje ontmoet, de beeldschone
kleuterleidster die in Amerika wilde werken en hem om advies vroeg. Zij zou hem
schrijven en toen de pater terugschreef 'groeten, Ben', begreep zij dat er meer
aan de hand was. In een briefwisseling van twee jaar heeft hij ontredderd en
wanhopig al zijn gevoelens van zich afgeschreven. Dieuwertje raakte verliefd en
wist: met Ben wil ik verder. Zij trouwden in 1966 en kregen drie dochters. In
datzelfde 1966 werd hij benoemd tot hoogleraar in Amsterdam, op de stoel van
Reichling. Hij publiceerde veel, kreeg groot gezag en verzoende zich met Sint
Michielsgestel. Hij genoot van zijn gezin en Dieuwertje bleef vol trots 'de
vrouw achter de man'. Toen hij in 1986 met emeritaat ging richtte zij 'Rijschool
Dieuwertje' op.
Peter Brusse
de Volkskrant 2 september 2006