In Memoriam Nico Sprokel door Joop van Banning

Jakobus en Johannes hadden Christus op de berg van gedaante zien veranderen (Mc. 10, 35-45). Hij was gekomen om de wereld te verlossen. Zij hadden vooral opgevangen, dat Hij over zijn verrijzenis sprak, en daar gingen ze op in. Jezus vraagt hun niet direct: Kunnen jullie ook lijden?. Hij kleedt zijn woorden in: "Kunnen jullie dan ook de beker drinken, die ik ga drinken?" En daarmee wordt natuurlijk de beker van zijn lijden bedoeld. Als je het leven van pater Nico Sprokel bekijkt, dan was dit een leven, waarin lijden een grote plaats had. Nico heeft waarlijk het evangeliewoord in zich opgenomen, dat wie de eerste wil zijn, dienaar van allen moet wezen. Maar je zou van hem ook kunnen zeggen wat staat in het vierde lied van de Lijdende Dienstknecht des Heren: “Geminacht en gemeden werd hij door de mensen, man van smarten, met ziekte vertrouwd.” ( Jes. 53, 3). Van jongs af aan moest hij een bril dragen en die bril werd steeds dikker, totdat hij op het einde maar voor 10% kon zien en ook dat nog achteruit ging. Hij is herhaaldelijk geopereerd vanwege huidkanker in of aan het oor, waardoor een van zijn speekselklieren niet werkte. En daarbij kwam de bijna eindeloze geschiedenis met de plekken op zijn hoofd, die door de Italiaanse zon té direct beschenen waren en die maar geen rust wilden geven. Al tijdens zijn filosofie op het Berchmanianum moest hij een jaar laten uitvallen vanwege ziekte. Gelukkig dat er op het einde van zijn leven ook medebroeders een handje toestaken die hem omgaven. Zoals Chris Swüste, die telkens maar weer in zijn gezelschap wilde zitten, zodat hij bleef eten. Of Guus Ziggelaar, die samen met hem het brevier bad, en ook voorlas. Toch was er niet alleen maar het lichamelijke lijden. Hij werd misschien door medebroeders achtergesteld. Ik heb hem daar echter nooit over horen klagen. Nam hij het hun kwalijk dat hij niet mee mocht als professor in 1967 naar de nieuwe opleiding in Amsterdam? Was het hem om het even, dat hij op de Gregoriana een van de kleinste kamers kreeg die er waren, ofschoon die wel heel centraal lag, zodat hij gemakkelijk bereikbaar was? Hij zorgde goed voor anderen, maar zat zijn bescheidenheid hem niet soms in de weg? Het was soms gênant hoe hij alles gunde aan anderen, maar niet aan zichzelf. Pas als iedereen van de Nederlanders, die hij bijeenhaalde op zondagavond in Rome, bediend was, kon hij ook zelf genieten. Nico is vier jaar in het Berchmanianum professor geweest, daarna 27 jaar aan de Gregoriana en tussendoor nog zes jaar repetitor aan het Germanicum. Daarna functioneerde hij nog een tijd als docent op Rolduc. In die meer dan 37 jaar heeft hij talloze studenten door hun examens gesleept. Pas toen hij definitief naar Nederland terugkeerde in het jaar 1999, kreeg hij voor al dat zwoegen een reis geschonken in het jaar 2000. Die reis ging naar West en CentraalTurkije en daarvan heeft hij een mooi verslag geschreven. We komen daar nog op terug. Helaas is er bij al dat werken voor anderen geen tijd geweest om zelf ook nog wat wetenschappelijks te publiceren Daarbij had hij een goede pen en bezat een grote woordenschat, was kort en bondig, schreef nooit teveel. En het was nooit zonder enige humor of ironie al wat hij schreef. Hij schreef weinig op zijn eigen vakgebied, of het waren literatuuroverzichten. In Curaçao mocht hij een aantal jaren een cursus geven en dat deed hij met veel plezier. Hij heeft eens een artikel geschreven voor een jubileumbundel van een professor daar, en dat moest gaan over “God, naastenliefde en sociale rechtvaardigheid”. In zijn artikel toonde hij zich zeer sociaal voelend, en verbond de rechtvaardigheid met samenvattingen van filosofen uit zowat de hele geschiedenis van de filosofie. In 1999 keerde hij terug naar Nederland en werd in Rolduc aangesteld, waarnaast hij  nog assistentie verleende in parochies. Zoals gezegd mocht hij kort na aankomst hier deelnemen aan een reis, die hem geschonken werd. “Op de voetsporen van Johannes en Paulus” heette dat en hij heeft inderdaad Efeze aangedaan, waar iedereen van denkt dat Johannes daar ooit geweest is, en ook Iconium, dat Paulus bezocht op zijn eerste missiereis. Tijdens de reis werden ook  Romeinse oudheden bezocht, voorbeelden van Islamitische architectuur, het graf van Ataturk en natuurlijk de dansende Derwischen in Konja. Nico schreef heel nuchter over Efeze: “Volgens een door Anna Katharina von Emmerich versterkte traditie zou Maria hier geleefd hebben, gestorven zijn en ten hemel opgenomen.” Hij laat er zich niet over uit, of dat ook zijn standpunt was. En over Paulus had hij het niet bij Konja, maar alleen bij Antalya. Hij schreef, dat “ook Paulus in zijn tijd gebruik maakte van de haven”. Nico was geboren in het midden van het Rijke Roomse leven en een prachtig voortbrengsel daarvan, maar een katholieke wereld die kritisch omgaat met haar eigen traditie uit wetenschappelijk oogpunt, was dat niet. Ware dat wel zo dan zou misschien ook Nico meer hebben durven schrijven over dat wat hij zo goed kende, de filosofie. Als Jakobus en Johannes op de vraag van Jezus, of ze zijn lijden kunnen aanvaarden,  zeggen dat ze het kunnen, wil Jezus hen niet ontmoedigen. Hij zegt niet: “Heb je er wel goed over nagedacht? Onderschat je het niet?” maar Hij zegt: “Jullie zullen het”; “Mijn beker zullen jullie drinken.” Hij laat in het midden of zij dit kunnen, want misschien kunnen zij het, alleen gelaten, wel helemaal niet. De genade van God zal hen daartoe in staat stellen. De Handelingen spreken erover. Intussen weten we dat Nico de genade van God moet hebben ervaren in al zijn lijden. Anders kan men niet zijn grote vroomheid verklaren. Hij liet geen enkele Eucharistieviering in dit huis voorbijgaan zonder zijn aanwezigheid en was altijd present bij het avondgebed drie maal per week. Nico is zijn leven lang dienstbaar geweest in priesteropleidingen. Hij was een graag geziene collega op de Gregoriana, en hij heeft tallozen die gestrand waren in hun theologieopleiding of het juist heel goed deden, later nog begeleid. Ik ken er persoonlijk verschillende. Paulus heeft aan het einde van zijn leven in de Tweede Brief aan Timotheus een portret gemaakt van Timotheus. Het lijkt wel een beschrijving van Nico:  “Gij zijt mij trouw gevolgd: in mijn leer, mijn manier van leven, mijn plannen, in geloof, geduld, liefde en volharding”. En zo iemand wordt gezien als een contrastbeeld, van de “deugnieten en charlatans”, die “anderen misleiden en zichzelf”. Net als Timotheus heeft Nico zich laten leiden door geschriften die “door God geïnspireerd”  waren en die “de mensen opvoeden tot een rechtschapen leven, zodat de man Gods” volledig “voor zijn taak berekend is”.  Moge hij rusten in vrede.