“ M I S S I E   E N   G  E  M  E  E  N  S  C  H  A  P “

 

 

(bron: http://www.azmibazar.ch/photo_gallery/ivorycoast/civ_stpaul.html)

 

         Tezamen met een docente in ignatiaanse pedagogie en een specialiste in de Geestelijke Oefeningen, werd Arij Roest Crollius SJ uitgenodigd om op de Ignatius-Xaverius-Faber-jubileumviering van een meer dan duizendkoppige gemeente van de “ignatiaanse familie” in de Sint Paulus kathedraal van Abidjan op 1 mei  laatstleden, een persoonlijk getuigenis te geven over hoe ze in hun leven gestalte geven aan het ignatiaans charisma. Hem viel ten deel het thema “Gezonden zijn en gemeenschap vormen” in de Sociëteit van Jezus.

Arij sprak in het Frans. Felix van Voorst tot Voorst SJ vertaalde zijn tekst in het Nederlands en ook de woorden waarmee Arij geïntroduceerd werd. Arij zelf schreef een kort verslag van de bijeenkomst in het Nederlands.

 

Voor wie reageren wil, het e-mailadres van Arij is: roestcrollius@gmail.com

Wie de Franse teksten wil lezen, kan terecht bij: henkus@jezuieten.org

 

Hierna volgen:

 

het verslag

de introductie

de tekst

 

 

---

 

 

ARIJ  VERSLAAT

 

 

         Het was een groots festijn die eerste mei in de Sint Paul’s kathedraal van Abidjan. Meer dan duizend personen van ignatiaans georiënteerde instituten, groepen en bewegingen waren er verzameld. Op het program stonden drie getuigenissen, een over opvoeding, een ander over missie en communauteit en een derde over de Geestelijke Oefeningen. Daarna een plechtige eucharistie viering, waarbij de kloeke 80-jarige kardinaal voorging. De meerderheid was in het blauw, broeken, shirts, rokken, jurken of sariachtige lappen van eenzelfde soort hemels blauw katoen dat speciaal voor de gelegenheid met een drievoudig jubileum patroon bedrukt was.

         De eerste spreekster was een religieuze, lerares op een lyceum, die een lang en goed in elkaar gezet relaas hield over de ignatiaanse opvoeding. Dan kwam Arij met zijn missionair getinte communicatie, en de charismatische dame die over de geestelijke oefeningen zou spreken hield een boeiend relaas over haar bekeringsgeschiedenis.

         De verzamelde gemeente luisterde aandachtig, nu en dan met uitroepen als “Amen!” “Alleluja!” de spreker onderbrekend. Bij mijn stukje merkte ik dat velen lachten - soms wist ik niet precies waarom - en dat het vooral bij de medebroeders en andere religieuzen in de smaak viel. De overgrote meerderheid bestond uit jongelui, maar die hebben toch ook hartelijk geklapt.

         Na de (heel lange) mis met (heel lange) preek gingen we elk weer ons weegs, voldaan de ignatiaanse drieling met een wel vier uur lange viering geëerd te hebben.

 

 

---

 

 

ARIJ  WORDT  INGELEID

 

Pater Arij, met zijn volle naam “Arij Athanasius Roest Crollius”, is jezuïet en staat ingeschreven in de Provincie van het Midden Oosten.

Hij ontving zijn opleiding in zeven verschillende landen.

      - in Nederland, waar hij werd geboren, zijn middelbare school volgde  en filosofie studeerde;

      - in Libanon, om Arabisch te leren;

      - in Egypte, waar hij zijn ‘master’-graad in de moslimfilosofie behaalde;

      - in Rome, voor zijn doctoraat in de theologie;

      - in Jeruzalem, om zich te verdiepen in de studie van het jodendom;

      - in India waar hij de hindoegodsdienst en –cultuur mocht bestuderen;

      - tenslotte in Japan, waar hij een over jaren verspreide training in het Zenboeddhisme doormaakte. 

Gedurende zes jaar was hij Missiesecretaris op het generalaat van de Sociëteit van Jezus. Meer dan dertig jaar was hij hoogleraar aan de Missiologische Faculteit van de Gregoriaanse Universiteit te Rome, en voor kortere periodes gaf hij les en hield lezingen in een veertigtal andere universiteiten in de hele wereld.

Thans doceert hij dogmatische theologie op het Theologisch Instituut van de Sociëteit van Jezus te Abidjan.

 

---

 

 

ARIJ  SPREEKT

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Arij vóór de kathedraal in Abidjan met theologant

 Ludovic Rafanomezantzoa SJ van Madagascar.

 

Naar aanleiding van het jubileum dat de Sociëteit van Jezus viert is mij gevraagd hier een persoonlijk getuigenis te geven met als onderwerp: “Missie en broederlijke gemeenschap in een jezuïetenleven”. 

Drie opmerkingen vooraf:

Het gaat hier om een getuigenis, om iets wat ik heb meegemaakt, niet om iets theoretisch. Het gaat over hetgeen de getuige die hier voor u staat heeft meegemaakt Daarom is het niet te voorkomen dat hij meer dan hem lief is in de “ik-vorm” zal spreken. U wilt het hem wel vergeven.

Ik moet er verder op wijzen dat een getuigenis alleen maar persoonlijk kan zijn, want ieder getuigenis zegt iets over een ervaring die alleen de persoon in kwestie heeft meegemaakt. Van mijn getuigenis kan dus niet gezegd worden dat het kenmerkend is voor alle jezuïeten. Het is er een onder duizenden andere.

Laatste voorafgaande opmerking: wanneer het gaat over mijn persoonlijke ervaring, kan ik alleen maar als jezuïet spreken. Maar dit wil absoluut niet zeggen dat deze ervaring, of sommige elementen daarvan, alleen zou gelden voor jezuïeten. Ik hoop zelfs dat ieder van u zichzelf er een beetje in zal herkennen. 

 

Ik zal drie punten noemen die mij bijzonder hebben getroffen tijdens mijn vijf maal elf jaren als jezuïet:

-    [1] De spanning tussen de jeugd en de rijpere leeftijd aangaande de zending van de Sociëteit.

-     [2] “Ons ‘Thuis’ is het op-weg-zijn” (pater Hiëronymus Nadal).

-     [3] Wat ‘gezel van Jezus zijn’ voor mij heeft betekend in het communauteitsleven en bij de vervulling van de opgedragen zending. 

 

[1] Het enthousiasme van de jonge mens en de bedachtzaamheid van de volwassenen.

         Ik was “reeds” vier jaar in de Sociëteit toen wij in een communauteit van filosofiestudenten een vriendengroep vormden die  het broederlijk leven in de Sociëteit vuriger wilden beleven. In het communauteitsleven ondervonden wij een log individualisme en een star formalisme. Daar moet verandering in komen, zeiden we, gesteund door een nieuwe vriendschapservaring in de Heer, een ontdekken van Jezus in de anderen, een veelvuldig en diepgaand geestelijk met elkaar delen, een zich verdiepen in de Geestelijke Oefeningen en de Constituties, en daarnaast ook dankzij de nieuwe geestelijke en apostolische dynamiek die paus Pius XII in de Kerk van die dagen uitstraalde.

         We beschouwden het als vanzelfsprekend, te proberen om de medebroeders die ons enthousiasme niet deelden tot andere gedachten te brengen, door middel van gebed, boetedoeningen en gesprekken, die toevallig moesten lijken maar in feite goed waren voorbereid.

         Enige jaren later werd ik met een zekere achterdocht in een nieuw huis ontvangen: sommigen waren bang dat ik met een onbesuisde ijver  ook daar medebroeders zou willen bekeren tot  hetgeen onze beweging voorstond. Een van de paters nodigde mij uit voor een wandeling. Ik herinner mij een zin die hij zei: “Beste pater, u moet goed beseffen dat de Sociëteit niet gesticht is door een groep jongelui, maar door volwassen mannen die hun opleiding hadden voltooid. De Sociëteit is geen jeugdbeweging!” En hij ging door: “Voor jonge mensen die willen toetreden tot de Sociëteit hebben we een goede oplossing: ze krijgen een langdurige vorming en ze worden pas als ze zijn uitgerijpt definitief in de Sociëteit opgenomen.” En inderdaad, hier staat voor u een jezuïet die met 18 jaar is ingetreden en veertig jaar was, toen hij zijn laatste geloften aflegde en met het werkelijke werk begon. 

         Ik heb aan den lijve kunnen ervaren dat de  lange vorming voor de te geven opdracht niet tot doel heeft het jeugdig enthousiasme  te doven, maar het vorm wil geven, in goede banen  leiden, het opvoeren tot de hoogste graad van vurigheid  en van doordacht en beproefd idealisme. Ik heb mogen ervaren dat er in het apostolaat van de Sociëteit twee vormen van dynamiek werkzaam zijn die elkaar aanvullen en die beide erop gericht zijn zich zo krachtig mogelijk te ontplooien: de meest volledige gehoorzaamheid en de meest onbelemmerde vrijheid – een gehoorzaamheid waardoor men alles van zichzelf kan geven, en een vrijheid  die dankzij  persoonlijke initiatieven en keuzes het mogelijk maakt het beste van zichzelf te geven, - een gehoorzaamheid die streeft naar steeds volmaakter overgave, een vrijheid die erop gericht is de gaven en talenten die men heeft ontvangen, steeds beter tot hun recht te laten komen.

         Ook heb ik mogen ontdekken dat het evenwicht tussen enerzijds de gerichtheid op het spirituele  en anderzijds op het apostolaat niet te vinden is in de vermaarde via media, de middenweg, waarbij men uitersten vermijdt, maar dat de juiste maat juist is gelegen in het samengaan van wat elkaars tegenovergestelde is, in de positieve benadering en  het positief nastreven van deze beide waarden die  in schijn niet met elkaar zijn te verzoenen, maar die in feite samen ten grondslag liggen aan het apostolisch leven en handelen. In de zaken van de geest bestaat de juiste maat niet in “een beetje van dit en een beetje van dat”. Dat gaat ook op voor het apostolisch ideaal van het  “met God verbonden zijn [het contemplatief zijn] bij het apostolisch handelen”. De juiste maat is niet een beetje bidden en een beetje apostolaat, maar alle mogelijkheden volledig benutten om met God verbonden te zijn en het apostolaat te beoefenen.

         Ik heb gemerkt dat men zich betreffende het juiste midden, waarbij de twee uitersten in het geding zijn, gemakkelijk kan vergissen, en dat er steeds een behoorlijke dosis geestelijke leiding nodig zal zijn om de schade te beperken die het gevolg is van het najagen van illusies.

         En ik ben dankbaar voor de drie vormen van geestelijke leiding in de Sociëteit: die van de oversten, die van de geestelijke vader, en – misschien wel het meest – die welke ik mocht ondervinden  langs de weg van de vriendschap. 
 

[2] Een gemeenschap vormen op de uiteenlopende wegen van het apostolaat

         De Sociëteit is ontstaan en heeft zich verder ontwikkeld als een genootschap van missionarissen, van apostelen die reeds aan het werk zijn in hun verschillende zendingen.  Dat brengt een nogal originele stijl met zich mee met betrekking tot de wijze waarop wij samen leven in onze huizen, of communauteiten, zoals we ze graag noemen. Onze communauteiten zijn gemeenschappen die bestemd zijn om uit te waaieren naar allerlei vormen van apostolaat. Het model van onze communauteiten is niet het gezin, met gezagsdragers die de rol van de ouders vervullen, en waar we opgewekt als elkaars broers samenleven. Pater Hiëronymus Nadal zei: “Er zijn drie soorten huizen in de Sociëteit: de colleges, de residenties en het op-weg-zijn”. En het appel dat van de missionaire reizen uitgaat, heeft ook invloed op de eerste twee soorten van huizen, de colleges en residenties, die steeds in sterke mate iets provisorisch hebben. We wonen niet in een communauteit om er wortel te schieten; het is een tijdelijke woonplaats. We staan steeds klaar om op weg te gaan. Dat bepaalt ook onze armoede. Men kan niet reizen met een teveel aan bagage. Mensen die veel per vliegtuig reizen weten dat maar al te goed!

         Ik heb vele uren op luchthavens doorgebracht en er vaak jezuïeten ontmoet; het waren nieuwe gezichten maar ik herkende ze als vrienden. Daardoor kwam ik op de gedachte dat een ander beeld dan dat van het gezin herkenningsteken zou kunnen zijn voor onze communauteiten: de luchthaven. Wonen in een jezuïetencommunauteit vraagt een luchthaven-spiritualiteit. Het verblijf op een luchthaven is slechts van voorbijgaande aard.

         Een spiritualiteit van het communautaire leven die de nadruk legt op het voorbijgaand karakter van ons samenzijn heeft natuurlijk haar gevaren. Het is maar al te makkelijk om geen moeite te doen een ander beter te leren kennen, als men hem slechts voor korte tijd meemaakt. Waar er zoveel uiteenlopend apostolisch werk wordt verricht door mensen van dezelfde communauteit, en waar er zoveel verschillende karakters zijn met een uiteenlopende achtergrond en die allerlei soorten ervaringen achter zich hebben, is het soms vermoeiend als je belangstelling moet hebben voor zo grote verscheidenheid. Onverschilligheid en individualisme liggen steeds op de loer. En dit in het bijzonder omdat men geen stabiliteitsgelofte heeft afgelegd, maar zich verplicht heeft altijd klaar te staan om te vertrekken naar een willekeurige plaats op de wereld waar te verwachten valt dat men de Heer beter zal kunnen dienen en doeltreffender zal kunnen bijdragen tot het welzijn van de medemens. Zonder overdrijving kan men zeggen dat wij in onze communauteiten ons steeds bevinden in de vertrekhal van een luchthaven.

         Vanzelfsprekend wordt dat op verschillende manieren beleefd. Zonder een simpele vergelijking teveel te willen overdrijven, kan men zeggen dat er ook het onmisbaar grondpersoneel is dat door zijn werk en inspanning meewerkt aan hetzelfde apostolische werk.

         Toen ik aankwam op de Gregoriaanse Universiteit te Rome verontschuldigde zich de pater die mij naar de voor mij bestemde kamer bracht, en zei: “neem ons niet kwalijk dat we u geen kamer hebben kunnen geven met een mooier uitzicht”. Inderdaad stond op enige meters van het raam de muur van het ziekenkwartier. Misschien maak ik het verhaal wat fraaier, maar ik antwoordde zoíets als:

         “Voor een doorgangshuis doet dat er niet toe”.

         Verontwaardigd zei de ander: “Dit is geen doorgangshuis, maar een communauteit”.

         En ik: “Wie woonde er voor mij in deze kamer?”

         Hij: “Pater zus en zo, maar hij is een jaar geleden gestorven”.

         “En voor hem?”, vroeg ik.

         “Dat was pater X, maar hij is sinds lang weg”, luidde het antwoord.

Daarmee eindige het gesprek met een wederzijdse glimlach. 

         Reizen veronderstelt bereidheid tot het avontuur, het onbekende, het onverwachte. Wanneer een leven vast zit in zijn gewoonten en routines leent het zich niet tot avonturen. Een luchthavenspiritualiteit maakt je hart ook toegankelijk voor intense en tegelijk onbekommerde vriendschappen. Ik heb iets merkwaardigs in mijn leven opgemerkt: mijn beste vrienden zitten ver weg, in andere werelddelen. En we schrijven elkaar maar zelden. Maar als we elkaar ergens ontmoeten lijkt het wel of we doorgaan met een gesprek dat de dag daarvoor was onderbroken.

         Vriendschappen: het waren sterke vriendschappen die ik meemaakte en tegelijk lieten ze mij vrij, schiepen ze om mij heen ruimten van vrijheid. Men kan niet reizen als men door teveel banden wordt tegengehouden of door teveel herinneringen wordt bezwaard. Er bestaat slechts één duurzame trouw in het hart van iemand die in naam van het evangelie reiziger is van beroep (wat een aanmatiging!, en toch zit er in die uitdrukking iets waars): de vriendschap met Christus. Alle andere liefdes en relaties zijn aan die vriendschap ondergeschikt en vinden daarin hun plaats.

         Ik heb de spiritualiteit mogen bestuderen van andere godsdiensten, met name die van de islamitische  tradities. Dat de islam radicaal vasthoudt aan het monotheïsme vond in mij een sterke weerklank in de vorm van een affectief monotheïsme, een monotheïsme van het hart. “Geen andere dan Hij, lā illā huwa”. En een geliefde tekst uit het hindoeïsme is mij steeds bijgebleven op deze pelgrimstocht, die liefst langs de wegen voert van de woestijn, welke in feite zowel voor de apostel als voor de biddende mens de meest directe zijn: “Die Mij overal ziet en alles ziet in Mij, hem zal Ik nooit loslaten, zoals hij Mij nooit zal verlaten, [zegt de Heer]” (Bhagavadgītā, 6, 30).

         Natuurlijk heeft deze houding van iemand die steeds op weg is ook haar consequenties voor de wijze waarop hij de eigen cultuur van de verschillende volkeren waardeert en dus ook voor het streven naar inculturatie, maar daarover kan beter bij een andere gelegenheid gesproken worden. 

 

[3] Gezel zijn van Jezus in het leven van de communauteit en in de gegeven opdracht.

         Hierover zal ik kort zijn. Ik heb al iets gezegd over mijn ervaring met vriendschap in onze ‘doorgangs’huizen. Ik voeg er nog iets aan toe.

         Al in het eerste jaar van mijn noviciaat heeft de Heer mij doen begrijpen dat Hij bemind wil worden in de andere mensen, en in het bijzonder in hen die Hij mij als vrienden heeft geschonken. Dat een goede recreatie vaak meer waard is dan een lange meditatie. Dat ik nog de hele eeuwigheid zal hebben voor Hem alleen, maar dat Hij mij zelfs daar niet in isolement wil ontmoeten.

         Wat betreft het samen met Jezus zijn bij de gegeven opdracht: ik heb mogen ervaren dat ik nooit alleen sta in mijn werk. De Vader heeft alles reeds voorbeschikt, zodat het om projecten en taken gaat die ik  met Jezus deel. Om deze bundeling van mijn kracht met die van de Heer enigszins onder woorden te brengen komt me spontaan voor de geest de vermaarde “Grondregel bij dingen die te doen staan” van pater Hevenesi, die zegt zo op de Heer te vertrouwen alsof het hele slagen van de zaak alleen maar van mijn wens en wil afhangt en helemaal niet van de Heer, maar tegelijk me zo met alle kracht ervoor in te zetten alsof het niet van mijn werken afhangt maar de Heer zelf het hele werk op zich neemt. Ik versta dit als een samengaan van vertrouwvolle overgave en actieve inzet in een steeds toenemende spanning van eenheid in tegenspraak, beleefd als een soort permanente grenservaring waarvan de spankracht alleen maar vermoedend aangeduid kan worden door een dubbele absurditeit (twee maal “alsof”).

         De gegeven opdracht maakt gewoonlijk deel uit van een onderneming van de communauteit. En de oversten? Ik heb er nooit een gekend die van de hoge toren blies, maar het waren veeleer gezellen die stimuleerden tot apostolische onderscheiding. Meerdere malen hebben zij mij verrast door het vertrouwen dat ze mij schonken. De andere gezellen waren en zijn betrokken bij een gemeenschappelijk werk waarin samenwerking en wedijver, wederzijdse steun en rivaliteit elkaar afwisselen. In een woord: in de gegeven opdracht zijn Jezus en de gezellen voor mij onafscheidelijk.

 

---

 

 

civ_village.jpg (48321 octets)

 

(bron: http://www.azmibazar.ch/photo_gallery/ivorycoast/civ_village.html)

 

 

---