Overweging bij Prediker C.3 vs. 1-15
door Fried Pijnenborg
bij de afscheidsdienst van Hans Boex 14 augustus 2010
De keuze voor deze bijbeltekst is van Hans zelf. Hij herkende zich in de fasen van planten en oogsten, van lachen en huilen, afbreken, opbouwen. Ook voor ons bevat de passage de nodige herkenning, al zal die onderling weer sterk verschillen.
Dat deze lezing ons eerder aanspreekt dan de brieven van Paulus of de visioenen uit het boek der Openbaring, heeft ook een stilistische reden. Werken met tegenstellingen – goed/fout, links/rechts – wekt de indruk van orde, helderheid, je denkt als het ware gelijk op met de spreker. Maar bij een hele serie tegenstellingen, zoals Prediker hier doet, kan dat bedwelmend werken, je raakt in een soort hypnose, of – omgekeerd – je gaat je er juist tegen afzetten. Dat laatste doet trouwens Prediker zelf, als hij mijmert: “(…) toch blijft Gods werk voor de mens vanaf het begin tot het einde ondoorgrondelijk”.
Ook in die kritische kanttekening heeft Hans zich herkend. Hij zou zelfs die reeks uit eigen ervaring kunnen aanvullen: “Er is een tijd van geloven en een tijd van twijfelen. Een tijd van bidden en een tijd van dorheid, van niet kunnen en niet willen bidden. Een tijd van God zoeken en een tijd van God kwijt zijn.” Ook dat is herkenning, ook dat is Hans, ook dat zijn wij.
Voor onze tijd is nu heel actueel de tegenstelling: bovenaards – ondermaans. Vaak blijven we in de discussie steken. Prediker haalt de angel uit deze impasse, door het besef van tijd erin te betrekken. Tot vijftien keer, dus in totaal dertig maal, herhaalt hij: er is een tijd van dit en dat, van zus en zo.
Waarom werkt dit bevrijdend? Omdat wij – mensen in en van de tijd – pas greep krijgen op ons leven in een terugblik of in een vooruitzicht. Op het moment zelf lukt ons dat niet.
Denk aan de jaren zestig: nu bijna een mythe, maar destijds verwarrend. In dat levensgevoel van het onheldere “nu” hebben Hans en ik elkaar herkend en gesteund. Zowel in de jaren als leraar als in het eb-en-vloed-getij van kerk en school. Van beide enkele voorbeelden: begin jaren zestig, de jaren van het Tweede Vaticaans Concilie. Wat een lente in Gods kerk. Midden zestig: het boekje van bisschop Robinson “Honest to God”. Een verademing. Latere publicaties als: “Het einde van het conventionele christendom”; “Jezus, het verhaal van een levende”. “Het algemeen betwijfelde christelijk geloof”. “Geloven in een God die niet bestaat”. Het is maar een greep.
De veranderingen op school volgden elkaar in een rap tempo op: invoeren van de Mammoetwet; brugklas; Havo-opleiding; scholengemeenschap; vakkenpakket, schoolonderzoek, ongedeeld VWO; twee-fasenopleiding, studiehuis enzovoorts.
Als je het achteraf overziet, vraag je je af, hoe hebben we het overleefd? Weer komt Prediker ons te hulp door te wijzen op de DUUR in ons besef van tijd. Er is dus meer dan de hitte van de actualiteit. Voor Hans hield dat in dat hij na dertig jaar doceren, de draad weer oppakte van het studeren, een vreemde taal is toch ook een land, een volk, een cultuur, en zich ging verdiepen in de achttiende eeuw, en met plezier. Het zijn zijn eigen woorden. Prediker steunt hem daarin: “(…) als iemand kan genieten van wat hij met al zijn zwoegen bereikt heeft, is dat immers een gave van God”.
Ook in zijn geloofsbezinning oversteeg Hans de golfslag van progressie en regressie. Restauratie-tendenzen of het Ietsisme, hij voelde zich er niet bij thuis. Hij miste daarin de Duur. Dat vond hij wel bij het mysterie, bij het ondoorgrondelijke.
Bij een van mijn bezoeken in het Radboudziekenhuis sprak Hans over een gedicht van C.O. Jellema: “Het kerkje van Fransum”. Een kerkgebouw in het Groningse landschap, verlaten, trefpunt voor grazend vee, schuilplaats voor vogels. Gesloten, dicht, en toch zo voor de dichter op zijn mooist, want “van het uitblijvend antwoord de schrijn” (bis). “Schrijn”, zei Hans, “dat woord vind ik zo goed gekozen”.
Zo heb ik de laatste weken, en eigenlijk heel dit jaar van zijn ziekte, met hem geleefd als met iemand die de tegenstelling gezond/ziek, nu/straks achter zich had gelaten. Nuchter, niet opstandig, zei hij: “Het einde, ja dat hoort bij het leven. Doodgaan, het is ons voorland, al hecht ik nog aan de aarde, alleen al om Mieke en de kinderen het afscheid te besparen”.
Of – om nog eens Prediker het woord te laten: “Ik kwam tot het inzicht dat alles wat God doet voor altijd blijft: er valt niets aan toe te voegen en niets gaat eraf”.