BIJ DE UTVAART VAN HANS OUDSHOORN SJ, 29 MEI 2013

 

WOORD VAN WELKOM

Peter van Gool

 

Welkom U allen in de naam van Hem, die ons heeft gemaakt,

en die ons behoedt en op handen draagt.

Bij elkaar deze morgen om afscheid te nemen van Pater Hans Oudshoorn,

priester van de Sociëteit van Jezus, 87 jaar oud,

in ons midden gestorven, 24 jaar geleden naar het Berchmanianum gekomen,

niet als bejaarde, maar als bejaardenpastor,

nadat hij 11 en een half jaar ziekenhuispastor geweest was in Tilburg;

maar die ook later, toen hij hier een opvolger had gekregen,

met grote liefde en ijver zich bleef wijden

aan de zorg voor zijn zieke huisgenoten,

totdat tenslotte de dood van zijn geliefde broer Piet

anderhalf jaar geleden zijn gezondheid een knak gaf,

en wij hem langzaam zagen wegkwijnen, en allerlei kwalen

zijn dood naderbij bracht. Die dood heeft hij onder ogen gezien

en vol dankbaarheid en overgave aanvaard.

Het gebed van Ignatius: “Sume Domine et suscipe” werd zijn lijfgebed.

Mèt hem terugkijkend op een vruchtbaar leven als priester en pastor

bidden wij in zijn naam tot zijn Heer en God:

 

Wat ik gewild heb - wat ik gedaan heb

wat mij misdaan werd - wat ik misdaan heb

wat ongezegd bleef - wat onverzoend bleef

wat niet gekend werd - wat ongebruikt bleef

al het beschamende - neem het van mij.

En dat ik dit was - en geen ander -

dit was mijn liefde. - Hier ben ik.

 

Samen met Hem bidden en zingen wij het gebed om ontferming

 

OVERWEGING

 

Hans was iemand die erg goed en precies wist wat hij wilde,

en daar graag aan vast bleef houden.

Zo had hij zich ook een duidelijk beeld gevormd van hoe deze uitvaartdienst

er uit zou moeten zien, en hij had zijn instructies daarvoor achtergelaten.

Over de liederen en ook over de beide lezingen had hij goed nagedacht.

Hij heeft gekozen voor tweemaal een lezing uit het Nieuwe Testament,

en beide teksten schilderen een ideaalbeeld van hoe het leven

van christenen gestalte zou kunnen en moeten krijgen:

De brief aan de inwoners van Tessaloniki beschrijft de situatie van mensen

die samen hetzelfde willen, en die één gemeenschap hebben gevormd

om zo het ideaal van een christelijke broederschap te realiseren.

Misschien heeft Hans die tekst gekozen, omdat hij een ideale voorstelling had

van de gemeenschap van het Gezelschap van Jezus,

toen hij - als adolescent van 20 jaar, onmiddellijk na de bevrijding -

koos voor het religieuze leven, en wel bij de Jezuïeten.

Aan die gemeenschap heeft hij in grote trouw een leven lang zijn krachten gewijd,

in het begin van zijn loopbaan door met medebroeders

in het Stanislascollege en later in De Guldenberg

samen te werken en iets nieuws op te bouwen;

Later werkte hij in het ziekenhuis Tilburg samen met de medische staf;

en ten slotte hier in het Berchmanianum als bejaardenpastor.

En al die jaren tot op het eind van zijn leven gaf hij het beste van wat hij had.

De woorden van Paulus: “Streeft steeds naar wat goed is voor elkaar en voor allen”

vatten het gemeenschapsideaal van Hans goed samen. Zo was hij. Zo dacht hij.

En zijn visie vond hij geformuleerd in Paulus’ woorden aan de Tessalinicenser.

Maar er waren ook woorden van het Matteus-evangelie waar Hans voor koos,

opnieuw een ideaalbeeld: het visioen dat Jezus zelf ons schildert in de Bergrede:

Jezus richt zich daar niet tot een groep mensen, tot een leefgemeenschap,

maar eerder apart tot elke mens, die Hem herkent, en die met Hem méé wil doen.

In de acht Zaligsprekingen schildert Jezus het perspectief

dat die mens heeft, die oprecht wil leven,

maar die dan wel zijn ogen niet sluit voor de moeilijke, harde kant van ons bestaan,

daar waar mensen elkaar onrecht aandoen, met elkaar in oorlog zijn:

Als je naar de zwaarte van het bestaan durft kijken, ga je daar zelf aan lijden,

wanneer je ziet hoe je medemensen daar aan ten prooi vallen;

maar, zegt dan het visioen van de Zaligsprekingen:

zalig de mens die dan het geluk en de kracht heeft innerlijk overeind te blijven,

die vol vrede blijft in alle conflicten, zachtmoedig, niet oordelend,

solidair met de lijdenden, de eenvoud van hart bewarend,

een mens die innerlijk de vrede bewaart en vrede tussen anderen sticht.

Jezus richt zich hier niet tot mensen

die elkaar in een gezamenlijk ideaal gevonden hebben,

Hij beschrijft wat het in het hart van een mens gaat gebeuren,

wanneer die bereid is, met open, heldere ogen naar de werkelijkheid te kijken:

van zo’n mens zegt Jezus: haar of zijn honger naar een eerlijke wereld

zal verzadigd worden, eens, maar wie weet wanneer;

haar of zijn hart zal zuiver worden bij het kijken naar het leed van de mensheid;

zó zuiver dat die mens ooit God zal zien. Ooit. Ten slotte.

Ik denk niet dat Hans als 20-jarige de diepte heeft kunnen verstaan

van wat Jezus hier onder woorden brengt.

Maar wel dat visioen uit Paulus’ brief, dat hij koos als leidraad

voor dat hele mensenleven van hem: er zijn voor de ander.

Als leraar; als vormingsleider; als ziekenhuispastor.

En toen hij, na zijn 11 jaar in het Elisabethziekenhuis in Tilburg,

bejaardenpastor werd in het Berchmanianum, besloot hij toch, heel wijs,

voldoende afstand te scheppen tussen zichzelf en zijn werkterrein,

zodat hij daardoor des te beter beschikbaar zou zijn voor de ander.

Het werd het appartement aan de Houtlaan 2, waar hij zijn eigen huishouden deed,

aquarellen schilderde, zijn vrienden ontving, de tuin deed, zijn kippen verzorgde,

die vanwege zijn broer Piet allerlei exotische caribische vrouwennamen kregen.

En dat arrangement stelde hem juist in staat, elke dag opnieuw

aandacht te hebben voor elke medebewoner die het niet goed maakte,

met zijn aanwezigheid de zwakken te steunen,

eenzame huisgenoten in het oog te houden, even bij iemand binnen te lopen,

vanuit een voortdurende bereidheid de sfeer in huis te dienen en te verbeteren,

mede daarin gesteund door zijn kontakten met Thérèse, de zorgmanager,

en vooral ook door zijn preken en zijn gewaardeerde voorgaan in de liturgie.

En ook toen hij werd opgevolgd bleef hij werken aan het leefklimaat van ons huis.

Totdat. Totdat zijn broer en huisgenoot Piet hem ontviel.

Er was een leven lang een hechte band tussen de twee broers en hun zus,

eigenlijk al vanaf het ogenblik dat hun moeder stierf kort na de geboorte van Hans.

In die onderlinge liefdeband ligt vermoedelijk de basis van Hans zijn gave en feeling

ja, zijn behoefte om steeds beschikbaar te zijn, en ook die typische gewoonte

van hem, om bij elke gelegenheid waardering en dankbaarheid uit te spreken

als er iets leuks of bijzonders gebeurde in huis,

en ook die gewoonte om elke klein voorval dat er in de gemeenschap plaats vond,

te registreren en hardop voor zichzelf te benoemen en zo te beamen.

Die familieband tussen beide broers bleek tegelijkertijd zijn zwakke plek.

Door de dood van Broer Piet, anderhalf jaar geleden, knakte er iets in hem.

Hij viel in een zware depressie. Zelf noemde hij het een burn-out.

En die wilde maar niet over gaan. Zijn eetlust was weg,

zijn creativiteit functioneerde niet meer,

en zijn aandacht, die altijd gericht geweest was op het welzijn van anderen,

was nu wel erg veel bezig met zijn eigen situatie.

Zijn doofheid, die met de jaren erger geworden was,

maakte in deze periode dat hij zich zeer geïsoleerd en eenzaam ging voelen.

En toen dan tenslotte de depressie overwonnen scheen,

was het zijn lichaam dat hem begon in de steek te laten.

Het enige perspectief dat hij nog had, was dat van Jezus’ Zaligsprekingen:

“Wat een geluk als je geest leeg geworden is, als je zó arm geworden bent,

want dan zal het Rijk der Hemelen je erfdeel zijn, dan zul je God zien”.

En het enige wat hem die laatste weken nog ter beschikking stond, was:

alsmaar te herhalen het gebed van Ignatius: “Sume Domine et suscipe”,

Neem, Heer alles wat ik heb. Namens Hans wil ik dat nog een keer bidden:

Neem, Heer, en aanvaard heel mijn vrijheid,

mijn geheugen, mijn verstand en heel mijn wil,

al wat ik heb en bezit.

U hebt het mij gegeven, aan U, Heer, geef ik het terug.

Alles is van U, beschik erover geheel volgens Uw wil.

Geef dat ik U mag liefhebben, die genade is mij genoeg. Amen.

 

LIED:

 

Een schoot van ontferming is onze God.

Hij heeft ons gezocht en gezien zoals de opgaande zon aan de hemel.

Hij is ons verschenen toen wij in duisternis waren, in schaduw van dood.

Hij zal onze voeten richten op de weg van de vrede.