In Memoriam Hans Oudshoorn door Leo van Lanen

 

Enkele weken geleden was Hans nog aanwezig bij de maandelijkse bijeenkomst van ons dwarsverband in Berchmanianum. Hij wilde, zoals altijd sinds veertig jaar, graag aanwezig zijn  bij zijn “ dierbaar dwarsverband”, zoals hij dat noemde. Met dit groepje komen we sinds lang / een keer per maand  samen om ons op het evangelie van de volgende zondag te bezinnen, een thema te bespreken en van elkaar te vernemen hoe we het maken. Hans heeft hierover nog onlangs een artikel geschreven in Cardoner.

 

In zijn beleving was hij er nu voor de  laatste keer bij: hij wilde bewust afscheid nemen. Hij vertelde dat hij dankbaar was voor zijn mooie en lange leven/  maar dat hij voelde dat zijn einde naderde / en dat hij daar vrede mee had. Na dat vertrouwelijke gesprek vormden we een kring in stilte, in het besef dat we in al die jaren veel samen hebben gedeeld / en dat we  hem binnen afzienbare tijd zouden moeten loslaten / zoals Hans zich ervan bewust was dat hij  ook ons moest loslaten.

 

Enkele weken daarvoor vroeg Hans mij / om in deze eucharistieviering iets namens hem te zeggen/  “ter bemoediging” van allen die hem dierbaar waren.  Zoals wij hier samen zijn hebben wij hem goed gekend en weten we op welke wijze hij zijn leven geleefd heeft. Wat ik toch nog graag namens hem wil doen / is even stil  staan bij wat hij gedaan heeft in zijn leven, maar vooral bij wie hij als mens geweest is. Deze twee aspecten van zijn leven waren overigens twee kanten van een medaille.

 

 Hans als de werkende, dienende mens: na zijn opleidingen in onze Sociëteit/  was hij docent in Delft en overste van zijn communauteit. Daarna was hij coördinator van de werken van de Nederlandse jezuïeten. Vervolgens agogisch medewerker op Guldenberg en ziekenhuispastor in Tilburg. En tenslotte pastor hier op het Berchmanianum en daarna tot mantelzorger.

 

Tegelijkertijd was hij ook de betrokken  sociale mens/ in veel andere kringen van mensen. Hij was een broer voor Toos en Piet, een oom voor zijn twee generaties neven en nichten, een medebroeder voor de jezuïeten/  en een vriend van zoveel mensen. Hans was steeds geïnteresseerd hoe het met ons ging en hij hield van gezelligheid.

 

We herinneren hem ook als de mediterende, bezinnende studerende mens: hij nam de tijd voor gebed, spiritualiteit en theologie, voor de ontwikkelingen in de Sociëteit, kerk en samenleving. Hij las er veel over en wilde er steeds graag met ons allen over communiceren.  In zijn mening die hij erover vormde zocht hij altijd de nuances, kritisch en loyaal, betrokken met hart en hoofd. Hans was daarbij open over de pijn die hij ook heeft gekend in zijn / en onze gezamenlijke geschiedenis in de Sociëteit en in de Kerk.

 

Naast deze eigenschappen kennen wij hem ook als een man met liefde voor kunst en de natuur. Hij genoot van dat alles in de dagelijkse nabije omgeving  / maar reisde ook graag de wereld door. En veel van wat Hans bewonderde / probeerde hij toegewijd weer te geven in de vele aquarellen die hij ons nagelaten heeft.

 

Terwijl ik op deze wijze over het leven van Hans mijmerde / zag ik geleidelijk weer voor mij hoe zijn woning getuigde van zijn levenswijze:  bij de ingang van zijn laatste woning Houtlaan 2  het wilde tuintje en het kippenhok. In zijn kamer de duidelijk aanwezige moderne communicatiemiddelen, de comfortabele zithoek, aan de wanden de meest recente aquarellen, de boeken en tijdschriften. Zijn eethoek herinnert er ons aan hoe vaak hij mensen gastvrij aan tafel uitnodigde. Tekenend voor zijn trouwe vriendschap waren ook altijd de vele foto’s van familie en vrienden / en met name ook van hen die sinds kortere of langere tijd geleden gestorven waren. Tenslotte was er zijn hoekje voor stilte, meditatie en gebed.

 

Wat ook helemaal bij zijn leven hoorde / was dat hij de laatste jaren veel bezig was met oud worden en inleveren. Lange tijd ging dat nog over anderen / en vaak ook in functie van zijn pastorale werk en mantelzorg. Maar het laatste jaar met name / ging het steeds meer over hem zelf. Hij zei vaak: Ik voel dat nu dat ik echt oud word. De kwalen nemen toe en mijn  krachten nemen af. Ik moet en ik wil leren / steeds minder ànderen te kunnen helpen  en steeds meer afhankelijk te worden van de hulp van anderen. Ik ben daar dankbaar voor / maar het valt me moeilijk.

 

Daarmee heeft Hans lang geworsteld en zich uiteindelijk overgegeven  aan anderen / en aan God, de Grond van zijn bestaan.