HOMELIE bij de uitvaart van

Wim Oomens s.J.

bij 2 Kor.5,11-15 en Luc. 10, 30-33

 

Het schilderij van de Barmhartige Samaritaan is een van de best geslaagde werken van Wim Oomens . De ene jongeman helpt de andere. Samen met het rijdier vormen zij een groep, een krachtsinspanning tot herstel, een weg naar hulp. En opzij verheft zich “het dal van de schaduw des doods” uit psalm 23, waaruit de gewonde gered wordt. Het is duidelijk dat de schilder zich in de parabel herkent. En dat slechts één zin wordt gesproken, tot de herbergier: de parabel wordt ver-beeld, maar sluit met een beslissend woord. Twee mensen worden nog genoemd behalve de misdadige rovers: de priester en de leviet. In de parabel en in het verhaal van Wim Oomens spelen zij een ondergeschikte rol: eredienst en rituele plichten mogen zich niet opdringen, zij dienen heel discreet te blijven, op de achtergrond. Wanneer onze Paus over de parabel spreekt, veronderstelt hij dat de priester en de leviet misschien vooral bang waren, of onhandig, niet wetend hoe ze hulp moesten bieden.

Voor goed handelen is dus durf nodig. Een nieuwe dimensie. Voor christelijk handelen moet je je ten diepste laten schokken door degene die je hulp vraagt: “ten diepste begaan” worden tot in je botten, ja tot in je hart geraakt worden. Lucas gebruikt de uitdrukking ook nog wanneer de vader zijn verloren zoon ziet terugkomen en wanneer Jezus de droefheid van de weduwe van Naim ziet: “als een moeder in je ziel geraakt worden”. Dat overkomt alwie goed om zich heen kijkt: de ander moet voor je gaan tellen als was je het zelf, je wordt broer van al degenen die je hulp echt nodig hebben. En je moet, net als om te schilderen, heel goed kijken.

En dan gaan veel middelen gebruikt worden, wanneer je op hem bent afgestapt. Dan worden wonden verbonden, dan deel je alles wat je hebt, dan ben je niet bang om veel geld uit te geven. Ja, soms ga je over de schreef en betaal je zelfs voor nog niet gemaakte onkosten en beloof je bij je terugkomst alle verdere kosten te vergoeden. Dan heet die liefde niet meer “amor” maar “caritas”, “agape”.

Natuurlijk loeren hier gevaren, van binnen en van buiten. Wim Oomens heeft ermee te maken gehad en zijn schilderijen verraden hem. Wij kennen van zijn exposities de afbeeldingen van Narcissus, de man die zich in zijn eigen spiegel verloor – wij kennen zijn Atlas uit de Cannerberg die de hele wereld meende te kunnen torsen – wij herinneren ons het vuur dat van de goden geroofd werd en Phaitoon die de macht verliest over de paarden van de zonnewagen. Durf kan wel eens overmoed worden....

De caritas, dat diepe begaanzijn met de ander staat geworteld in “de vreze des Heren”:  “voor God zijn wij een open boek” en “hopelijk ook voor ons geweten”; “voor God zijn wij onverstandig, buiten zinnen”,  “de liefde van Christus laat ons geen rust”,  “caritas Xi urget nos”, er is hoogste urgentie. Dat schrijft de over-actieve Paulus !

In die trant heeft Wim Oomens geleefd, proberen te leven. Dat maakte hem onrustig, gaf hem de onrust van de dokter die bepaalde patienten niet uit zijn hoofd kan zetten, zette hem terzij van de gewone jezuietencommunauteit. Op velerlei wijze trachtte hij de vastgereden jonge mensen verder te helpen, weer op het paard te helpen, gezinnen hoop te geven, ouders zelfvertrouwen, moed te geven, in een mijnstreek waar de werkgelegenheid verdween en de toekomst duister werd. De Samaritaan vroeg dan niet naar de afkomst van zijn pupil, of hij jong was of oud, uit een stad of uit een dorp, want een méns was gewond, en dat ontroerde hem, letterlijk.

In dit uur, bij zijn begrafenis herinneren wij ons zijn belangrijkste boodschap. Die is er natuurlijk een van “God zag dat het mooi was”, want Gods Woord spreekt zich uit in schoonheid en vloekt met alle lelijkheid. Maar oneindig belangrijker is het getuigenis dat Wim Oomens met zijn leven heeft gegeven en waarbij zijn menselijke talenten verbleken: de wijze waarop hij gestalte gaf aan zijn talent voor liefde. Vaak was hij een Barmhartige Samaritaan en zeker in die drie laatste jaren. Maar soms werd hij zelf als de muilezel van de Samaritaan: zwijgend, meedragend, niet meer begrijpend, volhoudend, ’n beetje dul, terwijl misschien het bloed van de gewonde langs zijn flanken liep. Dan leek hij zelf op de gewonde en waren de rollen omgekeerd. “Alles ist relativ”, placht hij tenslotte te murmelen.

En dan had hij zelf samaritanen nodig, die hem verbonden, en naar de herberg van God brachten. Daar komt hij “bij”, op “de volgende morgen”, die van zijn opstanding.

AMEN

 

Frans Kurris S.J.