IN MEMORIAM LEON JANSSEN
Ieder mens voert in zijn leven een paar gesprekken die de loop van zijn verdere leven voor een groot deel bepalen. In mijn leven is dat een gesprek geweest met Leon. Ik was nog student; het gesprek vond plaats in zijn kamer bij de fraters in Tilburg. Ik had pater Janssen nog nooit tevoren ontmoet en ik zou hem ook daarna niet meer spreken tot ik hem als provinciaal weer tegenkwam, nu drie jaar geleden, in het Berchmanianum. Maar dat gesprek bepaalde wel de volgende 30 jaar van mijn leven: de landbouwstudie en het werk in Indonesië dat daar op volgde. Ik ben hem altijd dankbaar voor zijn advies gebleven. Hij was er ook wel een beetje trots op.
Het is maar een klein voorbeeld van de invloed die Leon gehad heeft in de wereld van het ontwikkelingswerk. Voor tallozen is hij adviseur geweest, niet alleen voor studenten zoals ik, maar voor universiteiten, de Nederlandse regering, alle belangrijke Organisaties voor ontwikkelingswerk en niet te vergeten de Orde van de jezuïeten. Er was in de jaren 60, 70 en 80 in onze Provincie geen commissie van enig belang waarin hij geen zitting had, niet alleen als het om financiële zaken ging, maar ook over secularisatie, opleiding etc. Hij adviseerde niet alleen in Nederland, maar hij reisde de hele wereld over, waarbij zijn belangstelling vooral uitging naar Latijns Amerika. Op dat continent hield de Kerk zich in die tijd ook het meest bezig met deze problematiek en werd er theologisch het meest over nagedacht.
Leon was geen theoloog. Hij was priester. En als priester ging zijn zorg uit naar de armen. Na het lezen van een artikel van de beroemde econoom Jan Tinbergen in 1952 over la question sociale begreep hij dat dat vraagstuk niet meer ging over de arbeiders, maar over de armen in de Derde Wereld. Het probleem van de onderontwikkelde gebieden – zei Leon in 1955 – zal de komende 25 jaar (als we vrede houden) van urgent belang zijn. En uit angst dat de Kerk nòg een keer de boot zou missen, zoals bij de arbeiders, heeft hij zich als jezuïet gedrongen gevoeld om daar iets aan te doen. Hij heeft zijn oversten toen gevraagd om zich diepgaand te mogen voorbereiden op een taak ten behoeve van deze gebieden. Hij hield hun de voordelen voor van zo’n lange en dure studie:
* hij zou iemand worden die met meer gezag zijn stem kon doen horen in de opinievorming in een vraagstuk dat voor de Kerk van de hoogste betekenis was
* onze invloed bij internationale lichamen die over veel geld en hulpmiddelen beschikken kon direct en indirect bevorderd worden
* hij zou professor kunnen worden in Nederland of Rome.
Het is allemaal uitgekomen zoals hij had voorzien en gepland.
Leon werd econoom. Leon werd professor, in Nederland, maar niet alleen daar, hij gaf gastcolleges op vele plaatsen, richtte de sociale faculteit op van de katholieke Universiteit van Lima (die er hem een eredoctoraat voor gaf) en eindigde zijn carrière op 75-jarige leeftijd met het geven van gastcolleges aan de Gregoriana in Rome.
Hij heeft een glanzende carrière gehad, maar daar was het hem niet om te doen geweest. Hem interesseerde economie alleen als hulpmiddel om de armen te kunnen helpen, niet om boeiende boeken en artikelen te schrijven over interessante theorieën. Hij bleef nuchter, keek naar de realiteit en als dat niet klopte met de theorie, jammer voor de theorie. Zijn benadering van het ontwikkelingsvraagstuk was multidisciplinair en hij werkte graag en vaak samen met andere deskundigen.
Hij zag dat individuele armoede ingebed ligt in een macro kader. Werken aan de verandering van het kader dat de armoede veroorzaakt, dat was zijn doel als econoom.
Leon was onder de indruk van de missionarissen en ontwikkelingshelpers die rechtstreeks werkzaam zijn onder de armen. Ben ik nu priester geworden om berekeningen te maken over transportkosten in ontwikkelingsgebieden? vroeg hij zich op een gegeven moment af. Gelukkig maakte de grote Britse econoom Colin Clark hem toen duidelijk dat die berekeningen waarschijnlijk meer zoden aan de dijk zetten bij de armoedebestrijding dan veel werk van missionarissen die direct onder de armen werkzaam zijn. Niettemin hechtte hij eraan dat de medewerkers aan het door hem opgerichte IVO (Instituut voor Ontwikkelingsvraagstukken) persoonlijk ervaring opdeden in de uitvoering van ontwikkelingsprojecten.
Bij dit alles bleef Leon een hartelijke mens die zijn medebroeders en familie zeer nabij was. De globetrotter die interessant vertellen kon over exotische plaatsen in de wereld vertelde toch met de meeste liefde over zijn geboortestad Maastricht. Hij had met zijn familie een hechte band en hij was als oudste broer en oom een middelpunt in de familie door zijn medeleven en zijn betrokkenheid.
Als jezuïet heeft hij lange tijd vanwege zijn werk buiten een communauteit gewoond, maar toen hij een punt gezet had achter zijn werk in Tilburg kwam hij spoedig naar het Berchmanianum.
Hij keek met tevredenheid op zijn leven terug. Hij was blij met zijn kamer en de verzorging. Hij speelde graag zijn spelletje bridge in de middag. De laatste jaren raakte de energie op. Hij verlangde naar de dood. Steek de vlag maar uit als ik dood ben, zei hij tegen het einde. Dat hebben we uiteraard niet gedaan. Maar hij is met vlag en wimpel geslaagd in zijn leven als jezuïet en als pleitbezorger voor de armen.
Jan Bentvelzen SJ