Dierbare Peter,
In alle rust ben je overleden, staat in de rouwadvertentie
in de Volkskrant. Tekst en vorm van de annonce passen helemaal bij jou,
tenminste in het beeld dat ik van je meedraag.
Ik laat jou weten dat het mij spijt dat je er niet meer bent.
Als eerbewijs voor jou, om je mijn genegenheid te tonen.
Ik laat je postuum weten dat ik waardering voor je had en heb.
Jouw naam wordt in mijn huis zo nu en dan genoemd.
Dat is vooral op het moment als we de maaltijd besluiten met het eten van een
peer, een ‘conference’, bijvoorbeeld .
Ik herinner me dan – het was in de jaargang 1956/1957 in ‘de Houtlaan’ - hoe je
me, aan tafel naast me, voordeed hoe ik een sappige peer het best kon schillen,
zonder ‘vieze’ vingers en zonder dat het sap van de peer verloren ging. We eten
nu en dan peren, dus ga jij dan met de peren en al over de tong.
Als ik naar je toe zou komen en ik zou je dat vertellen,
dan zie ik als het ware je verraste blik met die brede glimlach van je. Wanneer
was het dat we elkaar voor het laatst zagen? In het verband van SJ-oud-SJ, die club
die op het einde van de vorige eeuw werd opgericht? Prima initiatief toch:
Jezuïeten en oud-Jezuïeten die elkaar nog wel eens zouden willen ontmoeten. Wij
horen bij de laatste groep, wilden elkaar dus nog wel eens zien.
We zagen elkaar voor het eerst in Velp bij Grave. We zijn
even oud. Jij trad in de orde in 1951, ik twee jaar later. (Ik was nog in militaire
dienst geweest.) In Mariëndaal hebben wij elkaar nooit gesproken. Jij zat in
het derde jaar, het zgn. junioraat. Die groep leefde en werkte geheel
afgescheiden van mijn groep, het noviciaat. De novicen zaten in afzondering.
Als novice had je met niemand echt contact dan alleen met je novicemeester. Vriendschap
was zelfs verboden, zowel aan die van Junioraat en
Noviciaat: prima mensen toch allemaal, mooie herinnering. Dat wij leefden in weinig
maatschappelijke omstandigheden kwam niet in ons op, behalve misschien bij de
mensen die daarom uittraden. ‘Frater die en die is naar zijn ouders
teruggekeerd’, zei de novicemeester in zo’n geval dan bij zijn haast rituele
ochtendlijke instructie. Betrokkene zag je niet meer. misschien later nog eens,
bij toeval.
Als mijn plan tot uittreden in 1967 definitief is tref ik mijn oude novicemeester
bij toeval. Hij excuseert zich ongevraagd. In de beoordeling van zijn handelen in de jaren van het
noviciaat is hij niet mals voor zichzelf en voor de situatie toen.
Dat siert hem in mijn ogen zeer. Maar ik wijs hem op wat hij ons eens in een
instructie had voorgehouden: ‘als je mettertijd oordeelt over vroeger tijd die
je hier meemaakt, dien je alle elementen bij je oordeel te betrekken die toen
geldig waren’, waaraan ik nu toevoeg ‘die toen geldig leken’. Ik vergeef het
hem graag. Vanaf die tijd zijn we vrienden!
In onze tijd van filosofiestudie in Nijmegen aan de Houtlaan hebben jij en ik ook een jaar onder één dak
gewoond. Alleen maar studeren (en bidden). Ach, wat leefden we ook daar toch ook
afgesloten van het gewone leven, tot uiting komend in het simpele feit dat we
geen kranten lazen. Mochten we dat niet? We werden eenvoudig niet in de
gelegenheid gesteld ons te vergewissen van wat er in de wereld speelde. Dat zou
niet passen. Als je al eens buiten de deur kwam, stond je dus in een vreemd
pakhuis.
We konden binnen wel met elkaar spreken, dat wel. Daarvan herinner ik me van jou
vooral: de bescheiden mens zonder pretenties. Jij hebt daar niet meer
meegemaakt dat enkelen onder ons zich meester maakten van de informele leiding
en een tweedeling veoorzaakten: wie ‘erbij’ hoorden door ‘goed gedrag’ en wie
niet. De beweging heette dat, weet je nog?
Na jouw jaren daar vertrok jij in 1957 van het Berchmanianum in Nijmegen naar Amsterdam met de opdracht om
daar Frans te gaan studeren. (Dat hoorde ik vanmorgen tenminste nog iemand
zeggen. Ik was het zelf vergeten.)
Twee jaar later, werd ikzelf, na de Houtlaan,
surveillant op het internaat van het Canisius College, duvelstoejager zogezegd.
De een dus in Amsterdam, de ander in Nijmegen, met beperkte bewegingsvrijheid. Zoiets
schiet ook niet op.
Ik hoorde van die eerdere iemand ook nog dat we elkaar
in Maastricht weer troffen. Jij kwam er
aan in 1963.
Of de studenten daar veel of weinig contact hadden en met wie, werd mede bepaald
door wie op welke gang je woonde.
Er waren vier verdiepingen met studentenkamers. Rang en stand speelde ook? Laat
iedereen dat zelf maar nagaan.
Jij woonde ergens boven, ik woonde op de onderste gang.
We zaten in verschillende klassen, volgden en groupe andere lessen. Zodoende troffen
we elkaar zelden. Aan tafel ja.
Je staat me desondanks voor de geest als was het gisteren.
Latere herinnering aan je kwam boven toen ik, na
Maastricht, van 1966 tot 1969 in Utrecht studeerde: ik kwam wel eens langs het
huis waarin je ouders woonden en werkten: aan de Nieuwe Gracht, hoek NN-straat.
In dat verband herinner ik me nog – uit een toevallig gesprek – dat je het
laatste jaar van je middelbare school thuis woonde in plaats van als ‘intern’
op de Breul in Zeist. Je zou Jezuïet worden had je je
ouders verteld. 'Zo konden je vader en moeder tenminste nog één jaar van je
genieten.'
Verder ben ik het zicht op je kwijtgeraakt, in de tijd na mijn uittreden vanwege
groeiend ongeloof in kerk en ambt.
Met allen contact houden is zo goed als onmogelijk. Ieder van ons heeft eigen
werk en leven, bovendien heeft een dag maar vierentwintig uren.
Het is nu te laat voor een diepergaand gesprek daarover.
‘Het afscheid vindt in kleine kring plaats’, staat in
de krant.
Dat respecteer ik. Het is m.i. ook in jouw geest.
Het is verre van onmogelijk dat de een of ander van je nabestaanden kennisneemt
van bovenstaande woorden aan jou: waardering van mij voor jou, over de
genegenheid die ik (op afstand) voor je koester. Voor die lezer is het goed te
weten dat het grote verlies ook buiten de eigen kring zeer wordt betreurd.
Misschien hoor ik nog eens iets hoe het je in je het leven buiten mijn weten is
gegaan. Wat je (oud) medebroeders betreft: ik voel nog vaak dat wij geen beter
volk om ons heen hadden kunnen hebben dan medebroeders . Alleen de
omstandigheden waren wat minder. Van die omstandigheden hebben wij, zowel jij
als ik, ons bevrijd, en ze ingeruild voor nieuwe omstandigheden.
De goede band met ons omringende mensen is gebleven.
Jouw weg hier is ten einde. We keken samen even om.
Toepasselijk is (voor ons beiden) het gedicht ‘Tenslotte’ van Hannie Rouweler.
Ik voeg het bij deze brief.
Dierbare Peter,
ik groet jou in de geest.
Joop Zijlstra te Ellecom.
Kijk niet te vaak
achterom.
Wat achter ons
ligt werd
te licht
soms te zwaar
gewogen,
is in en
buiten ons om
voorbijgegaan.
Hannie Rouweler
Bijgaande aanhef in literaire vorm
als troost voor nabestaanden.
Ik hoop dat zij daaruit begrijpen
dat ik Peter graag nog had ontmoet.
Hem had ik bij die gelegenheid
het bijgaande laten weten.
Van mens tot mens
Joop Zijlstra