In Memoriam Joep van Beeck
Dit huis is een huis waar geoefend wordt,
waar dat ene talent wordt aangesproken:
kunnen wachten op de volheid van leven.
Dit is een huis waar de levenskunst wordt ingeoefend
om het einde van het leven welkom te heten, onbevreesd te laten komen.
'Ars moriendi' noemden vroegere wijze mannen dat.
Niet alleen zij voor wie het einde nabij is,
moeten die levenskunst leren beheersen, de kunst van het loslaten,
van het afscheid nemen oefenen wij allen, ook vandaag weer.
In de ander worden wij geconfronteerd met de broosheid van het bestaan.
Aan elkaar ervaren wij de kwetsbaarheid van relaties,
wanneer de helderheid van geest van de mens naast je langzaam afneemt.
Allen oefenen wij in loslaten. Wachten op een Leven in Volheid.
Je leven verliezen om het Leven te winnen, noemt Jezus dat.
Veertig dagen loopt Elia. Het gevoel voor tijd verdwijnt,
soms meent hij aan de horizon een berg te zien.
Zelfs het contact met zijn eigen ik vervaagt: wie ben ik toch?
Het overheersend gevoel 'Ik ben de kluts kwijt'.
Radeloosheid, want dat gevoel is nieuw. - Dan daagt de berg op.
Bodem en hemel raken elkaar, tijd en eeuwigheid geven elkaar de hand.
Wat plat en vlak leek, krijgt ineens relief.
Op de berg zoekt Elia beschutting, ergens in een rotsspleet. En rust daar uit.
En nu is het niet de engel die hem wekt.
Maar een stem die al jaren diep in hem klonk,
maar die hij telkens liet overstemmen door andere geluiden.
Nu nodigt die stem hem uit: 'Kom naar buiten. Laat je zien,
je mag de mens zijn die je bent, eindelijk'.
Als Elia er gehoor aan geeft, is er eerst geweld. Storm. Bliksem. Vuur.
En daar achter: een stilte die niet langer de stilte van de woestijn is,
maar anders, een zacht fluisteren, liefdevol.
Eindelijk laat de Onzichtbare, de Onhoorbare zich voelen. In liefde.
Een dierbare vriend en huisgenoot is heengegaan.
Zijn laatste en belangrijkste talent heeft hij aangesproken: Ars moriendi,
de kunst om te leven tot en met het einde. Hij is in God.
Wij blijven achter met een leegte. En vol weemoed.
Want voor ieder van ons wacht nog steeds zo'n zelfde reis. Naar de berg.
Er komt een ogenblik dat ook ons eigen leven af en voltooid zal zijn.
Met de woorden van die andere profeet, Simeon,
zingen we namens hem die ons verlaten heeft:
'Heer, laat nu uw dienaar in vrede gaan', want nu eindelijk
hebben mijn ogen gezien wat ze nog nooit gezien hadden.
Laat ons samen zingen. (Lukas 2, 29-32)
IN MEMORIAM Frans Jozef van Beeck (11-06-1930 -
Toen Joep, Frans Jozef, in de familie Franchosef Van Beeck, ruim vijf jaar geleden plotseling in ons huis belandde, bleek hij alle schepen achter zich verbrand te hebben. Zijn mensen en zijn werken lagen voortaan in de States, hijzelf kwam slechts terug omdat hij daar niet meer nodig was en hij hier nog slechts God had te zoeken. Zo drukte hij het toen ongeveer uit.
Een hersenbloeding had zijn verblijf beeindigd en twee scholastieken moesten hem begeleiden om zijn terugreis mogelijk te maken. Wonderlijk hoe Frans Jozef van toen af nog maar weinig over zijn werkzaam leven sprak. Hij had bijna veertig jaar in Boston en in Chicago geleefd, was voor wetenschappelijk werk gereisd naar Indonesia, Canada, en vele landen in West-, Zuid-, en Oost-Europa. Hij had er gastcolleges gegeven, meegewerkt aan plaatselijke theologie-projekten en vooral overal vrienden gemaakt. Hij was 'er op af' gegaan zoals wij dat noemen, had niet gewacht tot ze bij hem kwamen en hij had in zekere zin zijn wereld veroverd. Dat ging niet vanzelf, het aantal keren dat hij in ziekenhuizen is beland is groot, en het woord "overwerkt" heb ik in zijn curriculum vitae minstens zevenmaal geteld.
Verbaast ons dat van iemand die veel les gaf, vanaf zijn 30e op het Veldekecollege in Maastricht, colleges en koorrepetities, die retraites gaf en veel geestelijke leiding, die twaalf grote boeken schreef en een kleine honderd artikelen, die crossend over heel de wereld reisde, en die toch ook de tijd nam om met medebroeders te praten, een vioolconcert te geven, over poezie te schrijven en een virginaal te bouwen?
Waar komt dat allemaal samen?? Wat bezielde deze wat cholerische man? Natuurlijk hebben wij zijn autobiografische beschrijving: "Ik ben afschrikwekkend: m'n grote bek, een zware stem, ik ben groot en kan een hoop. Maar ondanks dat gebeurt het onwaarschijnlijke : allerlei mensen gaan in Christus geloven en er ook naar leven". Dus die rijke gaven van een barokke affectiviteit, een musisch gevoel, een scherp intellect, en een bruisende energie staan buit kijf. We gaan terug in zijn leven.
En we glimlachen als een jaargenoot vertelt dat tijdens het noviciaat Frans Jozef bijna elke week de wc's moest schoonmaken om nederig te worden. Of het veel geholpen heeft, wanneer je je licentiaat in de filosofie, in de theologie en in de letteren allemaal mag bekronen met een "cum laude". Als je proefschrift na 35 jaar weer herdrukt wordt, en je de Mundelein-zetel voor theologie krijgt toegewezen?
Terug naar de basis, naar de tijd voor zijn intrede. Naar Helmond en Asten. Daarheen keerde Frans Jozef hier in Nijmegen terug. Over al die triomfen heen: terug naar de basis. Wij belanden dan in Oost-Brabant. Het land van de echte gastvrijheid, van de hartelijkheid en het Thuis. Misschien is dat wel het geheim van Frans Jozef ; de gastvrijheid van hart. Kom maar bij me. Bij mij ben je veilig. Ja, hij was een waardige vertegenwoordiger van de Van Beecks. Hij was allergisch voor mensen die op een afstand bleven. Dan kon hij, mede door de medicijnen van de laatste maanden, zeer onheus optreden. Mensen die, onbewust, zijn gastvrijheid negeerden. En dat was dus tegenover deze wat dominante man niet altijd hun schuld.
Maar Frans Jozef bood beschutting aan weerlozen, en dat was misschien zijn grootste kracht. Mensen die naar hem toe kwamen omdat zij bang waren, of eenzaam, weerloos.
En deze sterke man was rond zijn veertigste gaan ervaren dat men naar je toe komt omdat jij ergens Anders heengaat. Dat werd het laatste bedrijf van zijn leven : vijf jaar van groeiende stilte, van vechten tegen die oprispingen, en van overgave in gebed.
Laat ons bidden dat God aan Frans Jozef vergeeft wat er minder goed in hem was, en in ieder van ons..
OVERWEGING
Diverse vesperantifonen van het feest van Ignatius zijn citaten
uit het verhaal van de talenten dat Jezus ons vertelt.
'Goed zo, getrouwe en goede knecht, treed binnen in de vreugde des Heren'.
De mens die we vandaag uitdragen had heel veel talenten,
en hij wist ze zeer goed te gebruiken.
Zoveel boeken, zoveel studenten en pastoranten,
zoveel veelzijdige activiteiten in zoveel landen,
zoveel vrienden ook - want ook dat is een kostbaar talent.
En vandaag mag de Heer uit de parabel terecht zeggen: Goed zo, kom binnen.
Maar zo gestroomlijnd als Jezus het verhaal laat aflopen,
gaat het in het leven meestal niet: na gedane prestatie afrekening en beloning.
Het gebeurt maar al te vaak dat het totaal aan talenten
nog altijd niet volledig is ingezet en benut,
dat er nog een aantal jaren wachten die je verleidelijk toelachen,
dat er nog altijd nieuwe inzichten en ideeen in je opborrelen,
allerlei perspectieven zich gerealiseerd willen zien.
En dan ineens, onverwachts, valt er een deur in het slot.
Weggerukt uit het land van belofte. In ballingschap.
Voor je gevoel buitengezet, zonder waarschuwing.
Zo'n ervaring vraagt tijd, heel veel tijd. Tijd om de illusie los te laten
dat de ballingschap maar voor even zal zijn, en toe te laten
dat het feest van de talenten is afgelopen.
Op dat ogenblik wordt er van een mens een nieuw talent gevraagd:
dat van geduld - en dat had je toch al zo weinig.
Dat van relativeren, van aanvaarden, je hoofd buigen,
en dat had je al helemaal nooit echt geoefend.
Je er bij neerleggen dat er zich een tijd aandient van afbraak,
zowel fysiek als geestelijk.
En niemand kan je zeggen hoeveel tijd je krijgt om dat talent te ontwikkelen,
waar dit op uit loopt tenzij op het niets..
Jarenlang heeft de profeet Elia zijn talenten uitgeleefd, er van genoten.
Samengebalde kracht. Vuurwerk, letterlijk
toen hij de vierhonderd afgodspriesters de vuurdoop liet ondergaan.
En dan ineens stuikt alles in elkaar.
Opgejaagd, verbannen: de koningin en haar soldaten zitten achter hem aan.
De glorietijd van vroeger voorgoed voorbij.
Hij is uitgeput, in diepe crisis: dit hoeft niet van mij. Ik wil sterven, alleen zijn.
Hij zoekt de woestijn op, de geeigende plek voor ballingen,
het oord van de wijdte en de leegte, waar tijd en ruimte
een vervreemdend ander dimensie krijgen, waar elk houvast, elk contact ontbreekt.
Elia kruipt weg onder een struik, zijn mantel over zijn gezicht.
Niet meer zien, niet meer voelen.
Bij een crisis komen de vragen: wie ben ik, wat stel ik voor.
Niets van wat je ooit gepresteerd hebt geeft je nog houvast:
als of het niet van jezelf was.
De grote verleiding voor Elia is zijn doodsverlangen. Er niet meer zijn.
Maar de kern in zijn binnenste is sterk: die wil blijven leven.
En krijgt de gestalte van een engel:
'word wakker en eet en drink', brood en een kruik water.
De engel is een bode, een gezondene van Hem
die zichzelf noemt: Ik-ben-er. Die zegt: Ik wil dat je leeft.
In alle ellende van het verlies,
van de frustratie over een lichaam dat je in de steek laat,
over je geest die duister wordt, is daar die Stem: Ik-ben-er.
Pas de tweede keer als de stem weerklinkt staat Elia op
en vindt de moed op reis te gaan.
Het wordt allerminst een triomftocht zoals vroeger in de tijd van zijn talenten.
Een reis waar je telkens weer je eigen grenzen tegen komt.
Veertig dagen lang loopt Elia.
Zoals Jezus veertig dagen vast, zoals het volk veertig jaren doolt.
De reis kan ook vier of vijf jaar duren, want elk tijdsperspectief lost langzaam op.
De afbraak kan altijd nog erger.
Is dit voorbereidingstijd? Voor wat? En waar kom je uit?