Petra den Dulk bij de uitvaart van Jan van Deenen 25 aug 2012

 

 Lieve mensen

 

Wat heeft Jan ons verrast…. daar houdt hij van!

Wat zou hij hier vandaag graag bij geweest zijn.

Wat zou hij genoten hebben: zo’n bonte groep van mensen; jong en oud, vrouwen, mannen, lastige, lieve…

Wij zouden genieten van hem:

Zoals hij is met zijn humor. Met zijn vuur.

Jan hield van het leven: hij zwaaide naar elke baby.

 

We zagen allemaal hoe Jan z’n krachten afnamen; hoe broos zijn gestalte werd. Vanaf januari dit jaar ging dat versneld; hij begreep het zelf nog niet.

In juni zei ik:

‘Jan je bent ziek’. Dat woord kende hij nog niet: ziek.

Hij herhaalde het af en toe voor zichzelf: ‘ik ben ziek’.

Het werd een leerschool voor hem. Jan voelde zich uitgeput.

‘Dat ik geen toekomst heb…. Ik val weg…. Ik val uit elkaar.’

Hij verlangde te leven en tegelijk verlangde hij te sterven. Zo gaat dat blijkbaar.

Na zijn thuiskomt op 25 juni uit het ziekenhuis: zei ik elke dag:

Jan alles is goed, er hoeft niets. Eet je een visje; OK, wil je niks: prima.

Dat was ook de tekst van Julian v Norwich, die wij die laatste ochtend samen lazen:

‘All shall be well’, alles zal goed zijn. Wat het ook is, het zal goed zijn.’

Dat dééd hem goed.

 

Jan is het geschenk van mijn leven. In 1979 herkenden we in elkaar de fascinatie voor het Geheim van het leven. God. Wij deelden een benieuwdheid naar zin en samenhang van leven. We konden ernstig zijn én de humor zien van de heerlijke en dwaze weg van geloven: als één stroom van leven.

Ik leerde van hem: door al je gedoe en beproeving heen, mag je weten dat je goed bent zoals je bent. Mens van liefde.

Ons samen optrekken versterkte de levenschenkende dynamiek. We genoten van tochten maken. Jan speelde met kikkervisjes in de duinen. Jan gaf terug dat mijn vriendschap zijn leven verrijkte. Bonter maakte. Zijn steeds grotere trouw raakte me in m’n wezen.

 

Jan hoopte op samenwerking met mij in het apostolaat na de beproefde jaren van provincialaat.

Ik dacht: niks daarvan; ik ga mijn eigen weg in de gezondheidszorg.

In 1998 verloor ik mijn baan. Jan nodigde me uit om met hem mee te werken; een weekend in Heeswijk, een goedevrijdagmeditatie in Arnhem.

Het mondde uit in een intensieve samenwerking in de Praktijkschool voor levensvragen.

Hier maakten we een bedding voor mensen op zoek naar antwoorden. De spiritualiteit van het geheim van de gewone dingen. Jan leefde dat voor. Door zijn aanwezigheid ontstond er harmonie in een groep.

 

In ons samen optrekken gaf Jan woorden aan zijn gevoelens. Zijn zogenaamde geslotenheid was voorbij – het stroomde op zo’n moment als een rivier.

Dat ontstond altijd in het aandachtsuur van voorbereiding voordat een groep kwam. In zo’n situatie werd het ons gegeven de weg naar de stilte, naar het Levensgeheim te ontsluiten. Het mysterie gebeurde aan ieder van ons….. Ontzagwekkend.

 

Op zo’n dag; wanneer we ons bewust werden hoe we daarin ook keer op keer in tekort schieten; kon hij zeggen:

‘Elke avond voor ik inslaap bid ik: ..wees mij barmhartig….

ik moet wel opschieten, anders slaap ik al… en met de bekende twinkeling in zijn ogen: ik hoop dat als laatste op mijn sterfbed te zeggen:

 ‘Wees mij barmhartig’’.