In dankbare
herinnering aan
Guus van
Hemert
jezuiet en
priester
17 augustus
1927 - 8 augustus 2011
Stel
dat je Guus zou vragen: "Ik zou graag je geboorteplaats eens zien."
Hij zou met je meegaan naar zijn parochiekerk in Voorburg en vertellen dat de
architect ervan dezelfde was als die van het Aloysiuscollege. Zo'n typisch Guus-detail.
Dan volgen de daarbij gelegen kleuter- en lagere school, en een bezoek aan een
van zijn onderwijzeressen, die hem heel zijn leven trouw is gevolgd, en Guus
haar.
Bij
zijn geboortehuis vertelt hij dat hun naaste buur de beeldhouwer Albert Termote
was, die in Utrecht Willibrord afbeeldde te paard, net als keizer Karel in
Nijmegen. Het ouderlijk huis lag niet ver van het park waar nog resten te zien
waren van een Romeinse legerplaats. Maar ineens schrikt Guus omdat hij de tijd
aan het vergeten is. Dus vlug de trein in. Daar neemt hij de draad weer op en
zegt: "Ja mijn geboorteplaats heb ik aan weinigen laten zien, maar de rest
is je bekend: Grave noviciaat, Nijmegen filosofie, en Maastricht theologie.
Voor mijn werk op het HKI kwam ik terug in Nijmegen, en ben daar mijn verdere
leven gebleven: Arksteestraat, Berg en Dalseweg, Dukenburg. Ja, in Dukenburg
heb ik graag gewoond, ruim twintig jaar. Een rustpunt na het drukke trekkersleven
voor krant en TV.
Maar
wat praat ik over mijn leven en werken, veel belangrijker vind ik wat ik voor
anderen beteken, hoe ik - als het zover is - in hen voortleef. Want dan weet ik
dat ik hen heb liefgehad, en zij mij. Zo hoop ik Nelly te ontmoeten, en ieder
die zich mij herinnert gun ik het geheugen van de Muzen, dat ik als motto
meegaf aan mijn boek 'In het licht van Omega':
"Jullie,
muzen, weten het nog,
zo goed is
jullie geheugen.
Tot ons komt
maar net
een vleugje
van een gerucht."
Vergilius,
Aeneis 7, 645
In
Memoriam Guus van Hemert (Luc. 6, 1 - 11)
12 augustus
2011
Fried Pijnenborg SJ
Om
Guus te gedenken kunnen we het beste dicht bij huis beginnen: dus bij zijn
muurschilderingen. In de refter zien we als eerste St. Jan Berchmans, een
Vlaamse jezuiet naar wie dit huis is genoemd. In de wand daarnaast een even
levensgrote Petrus Canisius, Nijmegenaar van geboorte, en als laatste Jezus aan
het kruis, geschilderd toen Guus 23, 24, 25 jaar jong was.
Op
de eerste verdieping niet ver van de kapel schilderde hij een portret van
Ignatius, onze ordestichter. Het spreekt me nog steeds aan. Wel denk ik daarbij
wat Guus me later eens zei (weliswaar in ritmisch Latijn): 'Benedictus hield
van de bergen, Bernardus van lieflijke dalen, Franciscus van sobere behuizing,
Ignatius koos voor de steden.'
De
talrijke aquarellen her en der in huis sla ik over. Een klein werk vermeld ik
nog, de engelfiguur met de duif, boven de refterdeur richting aula. 'Dat
schilderde ik', aldus Guus, 'op de laatste dag van mijn filosofiestudie. Ik
vond het zo kaal, dat lege vlak daar. Ik heb het in een middag op de muur gezet,
zonder schets vooraf, en zonder rector of minister iets gevraagd te hebben.' Voor
vandaag zie ik in die duif de ziel van Guus, door de engel meegenomen 'in
paradisum'.
Naast
zijn schilderskwast was Guus ook heel vaardig met de pen. Wie zijn handschrift
kent, herkent daarin de tekenaar, schetser. Drie publicaties wil ik in
herinnering roepen. De nieuwe katechismus uit 1966, waarvan hij de eindredactie
voerde. Hoe merkwaardig is het nu anno 2011 uit het voorwoord van de bisschoppen
te lezen: '(...) moge deze katechismus ons allereerst een van hart en ziel
maken met heel die wonderlijke katholieke kerk, waarin mensen leven o zo
verschillend van ras, cultuur en denkwijze als mensen maar kunnen zijn.' Een
van hart en ziel, hoe anders pakte dat uit. Jaren later heeft Guus in een
terugblik gewezen op het tijdgebonden karakter van de uitgave - het optimisme
van vlak na het concilie - maar het meest blijft me bij zijn verzuchting: 'Hadden
we het woord katechismus maar niet gebruikt. Het had ons veel kommer en kwel
bespaard.'
In
1983 verscheen een bundeling en bewerking van zijn wekelijkse column in Trouw
getiteld 'Een manier van Christen zijn', met als ondertitel 'Orienteren in de
bebouwde en bewoonde wereld'. Het grootste deel daarvan schreef Guus in de
nieuwbouwwijk Dukenburg. In de keuze voor een stad in aanbouw, daarin proef ik
toch ook wat Guus over Ignatius noemde diens voorkeur voor de steden. Toch
verloochende Guus ook niet zijn liefde voor de natuur. Daarvan getuigen de
artikelen samengebracht onder het thema 'Natuur en gebouwde omgeving'.
Eind
tachtiger jaren vroeg Guus me als proeflezer van zijn boek dat speelde in de
derde eeuw van onze jaartelling. Het zich inlezen en inleven in die periode
dijde almaar uit, zodat de uitgave steeds langer op zich liet wachten. Lang
aarzelde hij wat de overhand moest krijgen: de romanvorm dan wel de theologische
en spirituele thema's. Tenslotte koos hij voor dit laatste, 'want om een roman
te schrijven', zo zei hij, 'moet je veel jonger beginnen'. Zodoende heeft hij
mooi beschreven passages laten vallen, maar zeker voor beginnende
theologiestudenten is 'In het licht van de Omega' een uitstekende inleiding in
die eerste christeneeuwen.
Naast
deze schilder en schrijver bestaat nog een heel andere Guus, niet de mediaman,
eerder iemand die opbloeit in kleine kring. Zijn prettig karakter en zijn
talent tot vriendschap kregen daar alle ruimte om eindeloos te varieren in
onverwachte attenties, veldbloemen meegebracht van fietstochten, stil
hulpbetoon, een ansicht, of een schetsje, of een mandarijn voor de terugreis.
In
zijn waaier aan contacten springt de vriendschap met Nelly Rooymans eruit. Hij
leerde haar kennen als secretaresse van het maandblad 'De Heraut'. Haar eenvoud
en hulpbetoon bewerkte wat ik - veel te kort door de bocht - een Franciscus en
Clara - vonk noem. Dat Guus voor die vriendschap eerlijk uitkwam heeft zijn
jezuiet- zijn hachelijk gemaakt. Problematisch voor de orde en voor hemzelf.
Maar hij hield vast aan zijn intuitie dat celibatair leven omgang met vrouwen
verdroeg: 'Zij zijn toch ook je naaste'. Zijn consequent geleefde liefde voor
de naaste heeft het contact met Nelly voor de orde aannemelijk en uiteindelijk
voorbeeldig gemaakt. Zo hebben Nelly en Guus bijgedragen aan het verdwijnen van
de al te clericale omgang met vrouwen. Het innige gedachtenisprentje dat Guus
voor haar schreef is een waar eerbetoon aan haar persoon. Toen Guus zelf ziek
en hulpbehoevend werd, heeft hij Nelly zeker gemist. De verpleging die het
Berchmanianum hem bood, heeft hem ondanks zijn Huntingtonkwelling overeind
weten te houden.Maar Guus in de kracht van zijn jaren herdenken we als:
origineel, onconventioneel, en waar nodig controversieel.
Ter
afsluiting nog dit: mocht iemand in deze overweging de figuur van Jezus missen,
lees dan nog eens de Lukas - passage over, die van de evangelielezing. Daaruit
zal blijken dat op Jezus dezelfde trekken van toepassing zijn: origineel,
onconventioneel, en zo nodig controversieel. Met Guus in herinnering, kunnen we
in het licht van de Omega, bemoedigd verder.
Fried
Pijnenborg SJ
Uitvaart van Guus van Hemert
Voorgangers: Peter van Gool en Fried Pijnenborg
Nijmegen, 12 augustus 2011
Woord van Welkom
Welkom U hier allen, familie, speciaal aan hen
voor wie Guus van familielid tot vriend geworden
is.
Welkom aan mijn medebroeders, nog in de orde - of
uitgetreden -
die gekomen bent voor een laatste groet;
welkom aan allen die gehoord hebben van zijn
overlijden,
allen die vonden, er bij te moeten zijn vandaag.
Wij gedenken Guus van Hemert in dankbaarheid.
Maar wie was hij?
Een Jezuiet. Een schrijver. Een schilder. Een mens
vooral.
Als jonge jezuiet, vooraan in de twintig, had hij
het lef,
om hier in dit huis, de hele muur van de eetzaal
vol te schilderen met voorstellingen die hem toen
bezielden,
het kleine engeltje boven de ingang zelfs zonder
voorstudie.
Taferelen die nog steeds het oog strelen en je
hart warm maken.
Kunstenaar dus. En als elke kunstenaar tegen de
draad in.
Onconventioneel. Eigenzinnig.
Zijn laatste beschikking die we pas na zijn dood
vonden:
ik wil niet in een colbert worden opgebaard,
maar in een zwarte trui met een overhemd. Zo
geschiedde.
Dat onconventionele, dat hem verleidde
om in elke discussie zich lijnrecht op te stellen
tegenover het standpunt van de ander,
en die alternatieve benadering hardnekkig te
verdedigen.
Tegelijk zijn aarzeling: schrijver of schilder?
Hij is het allebei blijven doen. Gelukkig voor
ons.
Goed voor de lezers van Trouw en van zijn boeken.
Goed voor hen die ooit van hem een aquarel of
pentekening mochten krijgen..
Maar dat aarzelende was ook een probleem:
Zijn roman "In het licht van Omega"
heeft er fataal onder geleden, dunkt me.
Maar ook de eigenwijze en ijverige doorzetter,
die op een sublieme manier de visie van het HKI op
een nieuwe katechismus
voor een nieuw kerkvolk wist te redigeren.
Waar haalde hij het lef vandaan om zo'n handboek
te laten beginnen
met een romantisch verhaal over een middeleeuwse
burcht
waar in de vergaderzaal een vogeltje uit de koude
nacht
komt binnenvliegen en weer verdwijnt in de
vrieskou.
Het zou een zelfportret kunnen zijn.
En dan zijn behoefte om bij de tijd te blijven.
De documentaires die hij maakte voor de TV
wekten in hem een belangstelling voor dat medium,
en tot het einde van zijn ziekteperiode bleef hij
kijken
elke avond tot diep in de nacht.
Maar tegelijkertijd was hij zo wereldvreemd, dat
hij het niet nodig vond
zijn krakkemikkige TV en geluidsinstallatie te
vernieuwen,
terwijl de kwaliteit van beeld en geluid beneden
alle peil was.
Voor hem was die oude apparatuur goed genoeg.
Zoals de flat daar over het kanaal goed genoeg
was,
ondanks het ernstig vervuilde trappenhuis,
ondanks een verwarde buurman wiens gekrijs hem 's
nachts wakker hield.
En zijn aandacht voor de natuur vond ook daar
bevrediging
in de bloemen en planten die hij op zijn balkon
kweekte.
En dan was er zijn trouw aan zijn vriendin Nelly,
en haar trouw aan hem,
toen Guus vanwege zijn ziekte in psychische nood
raakte,
en zijn verdriet toen hij stierf.
Hij heeft er voor gevochten om in zijn ziekte zo
lang mogelijk
zijn oude leefpatroon vast te houden. Maar toen
wij vonden
dat zijn aanleunwoning te veel risico voor hem
meebracht,
kwam hij gedwee naar het grote huis, en later naar
de tweede verdieping.
En toen de laatste dagen kwamen, was zijn wens,
niet alleen gelaten te worden.
Nu heeft hij ons alleen gelaten, en is - alleen -
gegaan naar het Vaderhuis.
Heel zeker, zonder twijfel of aarzeling zal hij
daar welkom zijn.
Hij heeft vrede gevonden. Wij zingen samen de
kyrielitanie.
Eerste Lezing
Uit de Nieuwe Katechismus.
Gelezen door Gabrielle Steggerda
Kunsten en wetenschappen
Uit vrij en belangeloos bezig-zijn werden in de
mensengeschiedenis ook de kunst en de wetenschap geboren. Vanaf de oudste
dansen, zangen en verhalen, vanaf de grotschilderingen van Altamira en de
eerste kennis over planten en sterren, heeft de mens geprobeerd om, zodra de
zorg om het bestaan hem adempauze gaf, de diepe orde van de wereld te
beschrijven en vorm te geven. Door deze opkomst van steeds nieuwe vormkracht en
gedachte tekent de mens zich af tegen het dier. De mens zoekt naar antwoorden
op de vragen, of deze nu zijn de werking van de electriciteit of de zin van het
bestaan. Hij zoekt naar weergave van orde en schoonheid, wanorde en lelijkheid,
door muziek, woord, dans, kleur en vorm. Voor wetenschap en kunst geldt wat
gezegd werd over de arbeid: door hun invloed op levende mensen hebben zij
invloed op de liefde, en de liefde heeft invloed op de eeuwigheid. En ook hier
kunnen wij ons afvragen: bestaat hun eeuwig blijvend resultaat alleen in hun
oogst aan liefde? Zal ook iets van de vorm zelf waarin nu op aarde de
wetenschap en de kunst ontstaan, eeuwig worden in de 'nieuwe hemel en de nieuwe
aarde' ? Want als het beste van de mens verrijst in onbederfelijkheid, waarom
dan niet ook het beste in al zijn scheppingen?
Evangelie (Lukas 6,
1-12)
Eens ging Hij op een sabbat door de korenvelden en
om te eten plukten zijn leerlingen aren, die ze met hun handen uitwreven.
Sommige Farizeeen vroegen: Waarom doet ge iets dat op sabbat niet mag? Jezus
gaf hun ten antwoord: Hebt ge dan niet gelezen wat David deed, toen hij en zijn
metgezellen honger kregen? Hoe hij het huis van God binnenging, de toonbroden
nam en opat en er ook van gaf aan zijn metgezellen, terwijl toch alleen de
priesters daarvan mogen eten? En Hij voegde er aan toe: De Mensenzoon is Heer
van de sabbat. Het gebeurde op een andere sabbat, toen Hij de synagoge
binnenging om daar te onderrichten, dat er een man aanwezig was met een
verschrompelde rechterhand. De schriftgeleerden en Farizeeen hielden Hem in het
oog, of Hij op sabbat een genezing zou verrichten, om iets te vinden waarvan
zij Hem zouden kunnen beschuldigen. Maar Hij wist wat ze dachten en zei nu tot
de man met de verschrompelde hand: Sta op en kom in het midden. De man stond op
en trad naderbij. Daarop sprak Jezus tot hen: Ik vraag u: is het niet eerder geoorloofd
op sabbat goed te doen dan kwaad, iemand te redden dan te laten omkomen? Toen
liet Hij zijn blik rondgaan over hen allen en zei tot de man: Steek uw hand
uit. Hij deed het en zijn hand was weer gezond. Toen waren ze buiten zichzelf
van woede en bespraken met elkaar wat ze tegen Jezus konden doen.
Voorbeden
Voor de voorbeden in deze uitvaartdienst
gaan we terug naar het verhaal van het evangelie.
Wat een vrij en onbevangen gedrag van de
leerlingen
en wat een moedig weerwoord van Jezus aan kribbige
Farizeeen.
Lieve Heer, laat ons vreugde beleven aan Uw moed,
en aan de spontaniteit van uw volgelingen..
Het is daarom dat wij zingen:
Heer onze God wij bidden U verhoor ons.
Wat een scherp inzicht op de juiste verhoudingen,
Heer,
toen u het genezen van een gehandicapte man
van hoger belang achtte dan het naleven
van een bijkomstige sabbatregel.
Geef dat wij de nood van een naaste voorrang geven
op krampachtig geloofsgedrag.
Het is daarom dat wij zingen:
Heer onze God wij bidden U verhoor ons.
Wat een verdriet van de familie van Guus van
Hemert,
nu zij hun broer, schoonbroer en oom
en zijn unieke inbreng moeten missen.
Wat een leegte voor de Jezuieten in Nederland,
nu wij niet meer kunnen profiteren van zijn kijk
op mensen, dieren, bloemen,
kortom op de liefde die aarde en hemel beweegt.
Het is daarom dat wij zingen:
Heer onze God wij bidden U verhoor ons.
Wat een kwelling, die ziekte van Huntington
en wat bleef Guus daarbij geduldig en weldadig
vriendelijk.
Het is daarom dat wij zingen:
Heer onze God wij bidden U verhoor ons.
Overwegen wij in stilte wat ons ter harte gaat (stilte)
Gebed: Gij lieve Heer, uniek was Guus
even uniek wacht ons nu het gemis.
Heer, help ons hier doorheen. AMEN.
Tafelgebed (tekst van Huub Oosterhuis; meestal gezongen)
Gij die weet wat in mensen omgaat aan hoop en
twijfel,
domheid, drift, plezier, onzekerheid.
Gij die ons denken peilt
en ieder woord naar waarheid schat
en wat onzegbaar is onmiddellijk verstaat.
Gij toetst ons hart
en Gij zijt groter dan ons hart.
Op elk van ons houdt Gij uw oog gericht.
En niemand, of hij heeft een naam bij U.
En niemand valt of hij valt in uw handen
en niemand leeft of hij leeft naar U toe.
Maar nooit heeft iemand U gezien.
In dit heelal zijt Gij onhoorbaar. En diep in de
aarde
klinkt uw stem niet. En ook uit de hoogte niet.
En niemand die de dood is ingegaan
keerde ooit terug, om ons van U te groeten.
Aan U zijn wij gehecht. Naar U genoemd.
Gij alleen weet wat dat betekent. Wij niet.
Wij gaan de wereld door met dichte ogen.
Maar soms herinneren wij ons een naam,
een oud verhaal, dat ons is doorverteld,
over een mens die vol was van uw kracht,
Jezus van Nazaret, een jodenman.
In hem zou uw genade zijn verschenen,
uw mildheid en uw trouw.
In hem zou, voorgoed, aan het licht gekomen zijn
hoe Gij bestaat: weerloos en zelveloos,
dienaar van mensen.
Hij was zoals wij zouden willen zijn:
een mens van God, een vriend,
een licht, een herder,
die niet ten eigen bate heeft geleefd,
en niet vergeefs, onvruchtbaar, is gestorven.
Die in de laatste nacht dat hij nog leefde
het brood gebroken heeft en uitgedeeld,
en heeft gezegd:
Neemt, eet, dit is mijn lichaam
zo zult gij doen, tot mijn gedachtenis.
Toen nam hij ook de beker, en hij zei:
Dit is het nieuw verbond, dit is mijn bloed,
dat wordt vergoten tot vergeving van uw zonden.
Als je uit deze beker drinkt, denk dan aan mij.
Tot zijn gedachtenis nemen wij daarom
dit brood en breken het voor elkaar,
om goed te weten wat ons te wachten staat
als wij leven hem achterna.
Als Gij hem hebt gered van de dood,
God, als hij, dood en begraven, toch leeft bij U,
redt dan ook ons en houdt ons in leven,
haal ook ons door de dood heen, nu.
En maak ons nieuw,
want waarom hij wel, en wij niet -
wij zijn toch ook mensen.
Absoute
Met respect, met eerbied wil ik het dode lichaam
van Guus besprenkelen:
Eens is dit lichaam gedoopt met water,
en een heel leven heeft het ten dienste gestaan
van de liefde tot het opgeteerd en versleten was.
Niemand leeft voor zichzelf, niemand sterft voor
zichzelf,
wij leven en sterven voor God onze Heer,
aan Hem behoren wij toe
(zingen): Niemand leeft..
En ik wil dit lichaam ook eren door het te
bewieroken,
als teken van respect voor wat het geleden heeft,
maar ook als teken van onze hoop,
dat het leven niet ophoudt bij de dood maar
verandert.
Want wij leven en sterven voor God onze Heer.
(zingen): Niemand leeft..
Bij U, ik ben altijd bij U. Gij houdt mij vast, uw
hand in mijn hand.
Alles zult Gij ten goede leiden, Gij voert mij mee
in uw raadsbesluit.
Wat is de hemel voor mij zonder U,
wat moet ik op aarde als Gij niet bestaat?
Al wordt mijn lichaam ook afgebroken, al sterft
mijn hart,
Gij zijt mijn Rots, mijn God, de toekomst die op
mij wacht.
Bij U, mijn hoogste goed, mijn God,
bij U ben ik geborgen. AMEN
Wij dragen het dode lichaam van Guus naar het
kerkhof,
wij vertrouwen het daar toe aan de aarde,
waarin het rusten zal, en wachten op de laatste
dag.
We zullen daarbij de wondermooie woorden van het
'In Paradisum' zingen:
als afscheid en als belofte:
Guus, naar het paradijs mogen engelen jou
begeleiden.
Bij je aankomst zullen allen die gemarteld zijn je
in hun armen sluiten
en dan dragen ze je mee naar de Stad, het heilige
Jerusalem.
Daar schaart een koor van lichtgestalten zich om
je heen,
en met Lazarus, de arme zwerver, zal jij zijn in
rust en vrede voor altijd.
Bij het verlaten van de kapel:
In Paradisum deducant te Angeli,
In tuo adventu suscipiant te Martyres
et perducant te in civitatem sanctam Jerusalem.
Chorus Angelorum te suscipiat
et cum Lazaro quondam
paupere
aeternam habeas requiem.