Opgroeien  voor een missie vanuit een ‘rooms katholiek nest’

Waar kan dat toe leiden?

Vooraf

1. Toen geluk nog heel gewoon was in de jaren vijftig

2. Roeping

3. Een vaderloos tijdperk breekt aan

4. Via de ‘Societas Jesu’ naar ‘de grote stad’ Amsterdam

5. Veertig jaar onderweg : ontwikkeling en verandering

    Een nieuw perspectief en een nieuwe dynamiek

Nawoord

                                                                       Harry van der Zant

                                                                       2012

 

Vooraf

 

November 2011 verscheen een boek van mij met als titel ‘Missionair Bestaan’. ISBN 987-90-816212-4-3 verkrijgbaar via  missionarbestaan@gmail.com.

In dat boek schets ik levenslijnen van mijzelf en mijn broer, die veertig jaar nu al weer missionaris en ontwikkelingswerker is op de Salomons Eilanden. Tevens ga ik in op essenties van missionair bestaan in en buiten een religieuze context. Dit verhaal is niet meer of minder dan een extract van mijn eigen biografielijn uit dat boek. De vier jaren in de Societas Jesu zijn een keerpunt geweest in mijn leven.

 

1. Toen geluk nog heel gewoon was in de jaren vijftig

 

Het stadje Groenlo waar ik in 1943 werd geboren en  opgroeide was voor het grootste deel Rooms Katholiek. Het leven verliep er volgens vaste patronen. De kerktoren was vanuit alle windrichtingen het eerste wat je zag. De straten en huizen waren compact op elkaar gebouwd. Meer naar de markt toe de winkelstraten. Het stadje omringd met grachten en wallen. Voorbij de grens van het stadje afwisselend weilanden met koeien, akkers, in de zomer toen nog gedecoreerd met korenschoven, verder de weilanden afgewisseld met stroken bos. De boerderijen waren vooral kleinschalig en van gemengde bedrijfsvoering, nog niet in het gelid gestreken door de grote ruilverkaveling. De oorlog was al enige jaren voorbij en de wederopbouw in volle gang. Als jongen van acht fietste ik voor het eerst de grens met Duitsland over. Ik zag toen pas goed wat er allemaal kapot was gebombardeerd of geschoten. Ik ben de eerste twaalf jaar van mijn leven weinig het stadje Groenlo uit geweest en had er ook geen behoefte aan. Ik kende iedere hoek en steeg en kon bij vele deuren naar binnen.

 

De jaarcyclus

Jaarfeesten in die tijd werden behalve thuis ook op straat gevierd. Begin november waren de dagen van alle heiligen en alle zielen. We gingen in en uit de kerk na een deel van de rozenkrans gebeden te hebben om zieltjes te verlossen. Toen ook spraken we over hemel, hel en vagevuur. Eigenlijk geloofde ik niet zo in de hel, toen al niet. Ik kon me die eeuwige verdoemenis niet goed voorstellen. Bij de ergste voorstelling zou mijn godsbeeld toen al op de klippen zijn gelopen. Met een wrekende God heb ik nooit veel op gehad. Wat later in de maand november was er het feest van St. Maarten. Een kinderoptocht met lichtjes in suikerbieten, waarmee we na de optocht langs de huizen gingen om iets extra’s op te halen. In deze maand was er ook slachttijd voor de winter. Dat slachten werd nog bij boeren en burgers thuis gedaan. Zo kwam je met gerookte ham, aardappels van het land, appeltjes op zolder en groenten in de wek in de kelder aardig de winter door. In de vastentijd gingen we iedere week met hele klassen schoolkinderen naar de kerk voor de kruisweg. De priester ging langs alle kruiswegstaties. Tussen iedere statie door werd er een lied gezongen. Zo raakten wij ritueel vertrouwd met de lijdensweg van Jezus. Die vertrouwdheid met het geloof werd ook op school bijgebracht. We leerden de vragen en antwoorden uit de Roomse catechismus van buiten. Er waren wel honderd vragen met eenduidige antwoorden. Vooral duidelijke antwoorden. Als je ze allemaal kende kreeg je een tien voor Godsdienst op je rapport. Dat lukte een paar keer. De verhalen uit de Bijbel gingen er in als koek. Geleidelijk aan ging je er mentaal in wonen. Het werd jouw eigen van zelf sprekende realiteit. In de huizen zag je bijna overal een Heilig Hart beeld, een beeld van Maria, een beeld van enkele andere heiligen en een of meerdere kruisen. Ik geloof bij ons thuis o.a.: een beeld van de heilige Antonius. Dit alles was het rijke Roomse leven in onze habitat.

Het leven in een groot gezin kende zijn bekoorlijkheden en ongemak. Het sociale besef werd sterk ontwikkeld. Voor ieder was er wel een taak bedacht. Voor de vragen van het afzonderlijke individu was minder ruimte. Je moest je plaats maar vinden in de heersende onderlinge orde. Als een van de jongeren was er stilzwijgend blijkbaar geen taak voor mij beschikbaar meer. Ik heb daar niet om getreurd, maar heb het vertier vooral op straat gezocht. Het ritueel van iedere ochtend om acht uur naar de kerk gaan wist ik op een gegeven moment te doorbreken door linksaf te slaan naar de  broodjeswinkel van een vriend. Dat was andere koek. Ik werd er kind aan huis. Het geluk thuis leek heel gewoon en zat toen vooral in de basisveiligheid die dit leven in het grote gezin ons verschafte.

 

2. Roeping

 

Eerste signalen

Wonen in het huis van het katholieke geloof. Zo is het culturele klimaat in onze jeugd tussen de jaren 1945 en 1965 te typeren. Er was destijds begin jaren vijftig een missietentoonstelling in ons stadje, in een grote tent tussen wallen en gracht. Wel dertig  kramen uitgestald en voorzien van allerlei attributen uit de missielanden Ik kreeg mijn eerste blikken op een verder gelegen horizon. Eens in de vier jaar kwamen paters onze parochie bezoeken. Deze keer waren het Franciscanen. De kerk zat tjokvol. Ze staken hartstochtelijk donderpreken af van de preekstoel en iedereen ging daarna te biecht. Het was of het hele stadje schoon gespoeld en van zonden gereinigd werd. Ik vond het toen buitengewoon indrukwekkend en zag mezelf al staan op die preekstoel. Een eerste signaal van roeping? Voor zover ik weet werden mijn broers en ik allemaal korter of langer misdienaar. Meisjes mochten dat toen nog niet. Je leerde alle Latijnse teksten van buiten. ‘Introibo ad altare Dei. Ad Deum qui laetificat juventutem meam’. Op een gegeven moment had ik het te bont gemaakt en te veel streepjes voor kletsen verzameld. Ik moest mijn plaats inruilen voor iemand die meer devotie zou tonen.

 

Een roepstem

Het gebeurde in die tijd, ik was tien jaar oud, dat ik ernstig ziek werd. Met hevige pijn in mijn buik liep ik in mijn eentje van school naar huis. Ik ben er in ieder geval gekomen. Onderzoek van de huisarts brachten mijn ouders op een dwaalspoor. De dokter kon niets vinden. Misschien iets verkeerds gegeten, werd er gezegd. Na een week in bed met veel pijn kwam er in het weekend een andere dienstdoende huisarts. Hij constateerde zeer hoge koorts en ernstige buikvliesontsteking. Ik moest onmiddellijk naar het ziekenhuis voor operatie. Het was eerste Pinksterdag. Ik moest tellen en zeilde weg naar het grote witte licht. Een maand ben ik al met al in het ziekenhuis geweest. Pas de derde week begon alle aandacht van thuis, school en buurt goed tot me door te dringen. Ik kwam weer opnieuw op deze wereld. Bewuster nu dan voorheen. Ik begon te lezen en zelf na te denken over de wereld en mijn plek daarin. In die tijd kwam regelmatig het verhaal van de profeet Samuel in mijn hoofd op. Tot driemaal toe werd hij geroepen niet wetend waar de roep vandaan kwam. Het was alsof ik zelf die roepstem hoorde. Ik begon me af te vragen wat dat betekende. Wat mijn bestemming in dit leven zou zijn. Het was zomer al en dat was vooral in de tuinen te ruiken. Er begon een vanzelfsprekend verlangen en voornemen in me te groeien. Ik zou me het komende leven na mijn ziekte gaan in zetten voor de liefde in deze wereld en het geloof in de kracht van Jezus. Het klinkt vast hilarisch vroom, maar het voelde toen echt zo. Ik kon me toen niets mooiers voorstellen dan al mijn energie daarop te gaan richten. Ik nam me voor naar het seminarie in Apeldoorn te gaan om te gaan studeren voor priester. Ik was door het ziekbed een persoon geworden met een eigen gezicht, een eigen plan, een eigen missie. Niet langer zo maar een kind die er ook bij hoort. Ik voelde behoefte dat nieuwe besef te voeden en te verzorgen. Zo kwam ik uit het ziekenhuis weer terug in de wereld van familie, buurt en school. Voor mij is daarna die stap naar het seminarie, twaalf jaar oud, vooral een eerste stap naar meer individualiteit geweest. Weg uit een zekere beslotenheid  van mijn directe omgeving en gaan voor meer avontuur, een groter en ruimer toekomstideaal. Dat verbond ik toen aan de keuze om priester te willen worden. Bij het toelatingsexamen voor het kleinseminarie werd de vraag gesteld wat ik later wilde worden. Ik werd verzocht drie antwoorden te geven. Ik koos voor de antwoorden: 1. priester , 2. arts, 3. zeeman. In die volgorde. Ik werd toegelaten. Uiteindelijk zal ik er als organisatieadviseur, therapeut en opleider een eigentijdse variant van brouwen.

 

3. Een vaderloos tijdperk breekt aan

 

Seminariejaren

Ik zat nog maar goed en wel anderhalf jaar in het internaat van het kleinseminarie te Apeldoorn toen midden in de winter van januari 1958 ik ineens tijdens de studie bij de studieprefect werd geroepen. De mededeling was kort en bondig. Mijn vader was plotseling niet goed geworden en had een beroerte gekregen. Het was nodig dat ik direct naar huis ging. Met wat spulletjes in de tas verliet ik het grote gebouw, anno 2010 politieschool aan de Arnhemseweg in Apeldoorn, om op weg te gaan naar de trein en naar huis. Veertien jaar oud was ik. Thuis trof ik huilende en geschokte mensen. Vader lag in het ziekenhuis. Hij kon niet meer praten, keek wat verdwaasd om zich heen. Een paar weken heeft het geduurd voor de volgende fatale beroerte kwam en hij op acht februari overleed. Een man die ik vooral op afstand had gekend. De ontmoeting tussen ons zou nog moeten komen eigenlijk. Hoe zou die confrontatie zijn uitgepakt? Hij was er nu niet meer. In mijn dromen was hij later nog regelmatig aanwezig. Na een paar dagen nam ik weer de trein naar Apeldoorn. De lessen Latijn, Grieks gingen weer gewoon door, ook al had ik nog een waas voor mijn ogen. Belangstelling en meeleven kreeg ik vooral van klasgenoten. Dat schooljaar na het overlijden van vader doubleerde ik. Ik kon mijn draai maar moeilijk vinden. De padvinderij bood nog de nodige afleiding en de A-griep brak uit. De helft van alle jongens was gedurende een of twee weken ziek. Je hing een handdoek over de schutting van je chambrette ten teken dat het zover was. Een zee van handdoeken op de slaapzalen. Het bracht  afleiding. Ik hield het voor wat studeren betreft dat jaar vooral voor gezien. Een jaar met de nodige egokrenking door die onvoldoendes voor Grieks en Latijn. Het volgende jaar zou vast wel beter gaan. Dat was ook zo. Voor mij was er in ieder geval geen weg meer terug naar de Gelderse Achterhoek. Ik kon alleen maar denken in stappen naar de toekomst vooruit en dat betekende verder van huis. Het leven op dit seminarie verliep zeker die eerste jaren nog erg gestructureerd. We hadden een dagorde met een strakke indeling van vroeg tot laat. Ieder half uur was er wel iets gepland.

 

Op eigen benen verder door de puberteit en vroege adolescentie

Vanaf dat moment als jongen van 14 jaar stond ik vooral op eigen benen. Met vakanties kwam ik thuis. In Apeldoorn kwam moeder een keer per jaar op bezoek met ouderdag. Ik werd groter en sterker, had vrienden, kon aardig sporten en leren. Ik zou zo wel door die seminariejaren heen rollen. Je werd er goed opgeleid voor het eindexamen, er werd veel aan sport, cultuur en literatuur gedaan.

Maar hoe zat het eigenlijk met mijn ideaal om priester te worden? Soms was het er nog, soms niet meer. Soms leek het alsof er geen einde aan de jaren daar in Apeldoorn zou komen.     

 

Het hoofdstuk erotiek deed zo af en toe zijn intrede.

Als jongens van tien hadden we elkaar vroeger voorgelicht aan de rand van de sloot en in de badcel van het zwembad. Het zgn. ‘doktertje spelen’ werd op meerdere plaatsen beoefend en zelfs in de hooiberg. De kapelaan hoefde ons niets meer te vertellen bij onze inwijding als padvinder. Thuis kregen we weinig voorlichting van onze ouders mee. Je ving wel eens wat op, je vroeg er niet naar. De emotionele ontwikkeling op het seminarie is weer een ander verhaal. Wellicht bij gebrek aan jonge dames waren er soms warme vriendschappen van jongens onder elkaar. Ik zou dit nu typeren als pre-erotisch. Soms was er correspondentie met een jonge dame. Een verre romantisch hoofse puberliefde op veilige afstand. Als andere jongens dat door hadden, dan was je echt wel stoer. Avances van priesterleraren heb ik daar in Apeldoorn zelf niet meegemaakt. Soms vernam je geruchten in die richting. Ook aan de literaire scholing kon je de eigen verbeelding en het gevoelsleven ontwikkelen. Het gaf je een bijzonder besef van eigenwaarde mee te leven of je te kunnen  identificeren met de hoofdpersoon van een boek of theaterstuk. Alsof je voor even die identiteit aannam. Die jaren las ik veel, ook gedichten. Zondag werden er luisterbijeenkomsten voor klassieke muziek georganiseerd. Zeker in hogere klassen wilde je daar naar toe. Toch even iets anders dan alleen maar Elvis Presley.

 

Paters Jezuïeten

In het vierde jaar van het kleinseminarie besloot ik tijdens een retraite gegeven door enkele paters Jezuïeten om bij het afronden van de opleiding aan het seminarie in te gaan treden in de orde van de Jezuïeten. Dat zou nog twee jaar duren. Op een of andere manier had ik het idee gekregen dat deze paters in hun missie en spiritualiteit meer voor goud gingen. Weer ging ik in mijn leven een eigen tegendraadse route volgen. Ik zag me later niet zo maar ergens in een pastorie van het aartsbisdom verdwijnen. Een ver missieland of  het bedrijfsapostolaat in een grote stad, dat leek me meer bij mij passen. In mijn hedendaagse training en adviespraktijk is het meer het laatste geworden. Een en ander nu op geseculariseerde grondslag.

 

4. Via de ‘Societas Jesu’ naar ‘de grote stad’ Amsterdam.

 

Noviciaat en filosofie

Ik kwam de orde binnen met gemengde gevoelens. Nog sterk verliefd op mijn zeer actuele eerste jeugdliefde ging ik naar het noviciaat van de Jezuïeten in Grave en was ik tegelijkertijd vervuld van roeping en missionair verlangen. Wat een ambivalentie. Het begrip van mijn novicemeester daarvoor hielp me geleidelijk door die ambivalentie heen en bracht me na de dertig daagse retraite in een zekere religieuze euforie. Die zou niet vier jaar blijven. Nu de balans opmakend kan ik zeggen dat ik de jaren in deze orde niet had willen missen. Ik heb de orde van de Jezuïeten leren kennen als een gemeenschap met een heel eigen spiritualiteit: het leren onderscheiden van de bewegingen in je zielsleven. Je passie en verlangens leren richten op een hoger doel. Hoe die verlangens zo te kneden naar een voor jezelf en anderen maximaal vruchtbaar en dienstbaar leven. Door deze weg compromisloos te verbinden aan het Jezusverhaal, werd ik getraind om ook later eigen persoonlijke momenten van tegenspoed, pijn of geestelijke dorheid, te zien als een ‘Golgotha’ ervaring, waar op den duur nieuwe kracht uitgeput zou kunnen worden (‘de geestelijke vertroosting’). Deze spirituele weg werd mij pas later in mijn leven door eigen ervaring duidelijker. Met wat ik toen heb geleerd, kon ik de crises op mijn verdere levenspad beter hanteren. Het zaad was daar in Grave met name het eerste jaar noviciaat gezaaid. In het tweede jaar met een nieuwe novicemeester anders van karakter werd het voor mij al lastiger. De warme menselijkheid bij de eerste heb ik zien verdampen naar een wat meer afstandelijke rationele houding bij de tweede. Hij was meer gefocust op wil en discipline. In de vriendschappen die ik mocht ervaren in de orde was op momenten onmiskenbaar ook een zekere erotiek aanwezig. Nooit dwingend of anderen uitsluitend. Ik kijk er met een gerust gevoel op terug. Dit thema lijkt een boek op zichzelf waard. De geestelijke oefeningen van Ignatius van Loyola, de stichter van de orde der Jezuïeten, waren het hoofdrecept en de leidraad bij de spirituele ontwikkeling. Van Ignatius is de uitspraak dat je, al ben je slechts veertien dagen in deze kloosterorde geweest, je geacht wordt voor je hele leven ‘in welke hoedanigheid dan ook’ Jezuïet te zijn. Op zijn Hollands gezegd: “je hebt voor altijd een klap van de molen gehad”. Een andere uitspraak van hem, vooral van belang voor mensen die een missie willen uitdragen, was: “Als je in aanraking komt met andere culturen, is het belangrijk eerst die grondig te leren kennen en te begrijpen, voordat je met een eigen boodschap komt”. Ik heb deze stelregel later in mijn beroep als organisatieadviseur zelf kunnen benutten. In mijn jaren als Jezuïet heb ik veel praktisch sociaal werk leren kennen. Zo mocht ik als verplegend novice de laatste levensfase van pater B., die ver in de negentig was, van dichtbij meemaken. Ik werkte enkele maanden als verpleger in een bejaardentehuis, in een tehuis voor gehandicapte kinderen, een half jaar lang als vervangend clubhuisleider op een woonwagenkamp, ik had een korte ervaring in het bedrijfsapostolaat en in een tehuis voor onbehuisde mannen. Na twee jaar filosofie besloot ik na een periode van veel twijfel uiteindelijk toch uit te treden. Met een kerkelijk Baccalaureaat filosofie op zak stapte ik de grote buitenwereld in op weg naar de stad Amsterdam.  

 

Twijfel en een nieuwe focus

Het is vooral de vaste structuur en regelmaat die me geleidelijk aan begon te benauwen. Ik voelde me er in essentie nog onvolwassen bij gehouden. De grote mannen als Augustus, Franciscus of Ignatius hadden pas na een stormachtig leven hun inkeer gekregen. Ik was te weinig nog ondergedompeld en gelouterd in het aardse leven, vond ik zelf. Het bouwwerk van Kerk en Orde begon voor mij te eroderen. Na vier jaar was ik aan een grens gekomen. Ik wilde meer sturing aan mijn eigen leven gaan geven zonder vaste kaders, maar vertrouwend op mijn eigen bagage en intuïtie. In 1967 werkte ik in Amsterdam tijdelijk op het goodwillcentrum van het Leger des Heils. Iedere dag kreeg ik een stapeltje brieven van majoor Bosschart mee, brieven van mensen aan de onderkant. Ze wilden graag een bezoek. Ik ging dus op pad en zag vaak sociale ellende, maar genoot ook van de vrije stadslucht. Op een avond in gesprek met majoor Bosschart baden we op de knieën samen voor meer helderheid over mijn roeping. Na een lang gesprek kwam er rust in mij. Heel mijn leven had ik nu al gewoond in het huis van het katholieke geloof met al die vaste patronen. Zou het niet tijd worden dit huis te verlaten en met een vrije en open geest de wereld daarbuiten te verkennen. Zou ik het aan durven simpel voor mezelf te gaan zorgen iedere dag weer opnieuw? Vanuit een innerlijke vrijheid leven, onbekommerd mensen van allerlei pluimage tegemoet treden en mijn weg te vinden? De keuze voor Goldmund maken in termen van Herman Hesse, Narcissus in mij voorlopig de achtergrond gunnen. De Roomse Kerk als een loden mantel met zekerheden en verklaringen afleggen. 

Onthechten als een soort omgekeerde gelofte van armoede, een gelofte van gehoorzaamheid aan het eigen geweten en een gelofte van zuiverheid in een simpel verlangen werkelijk aangeraakt te worden.

Een verlangen naar eigen authenticiteit. Helemaal niets meer om in te wonen dan mijn eigen huid. Ik kwam weer dicht bij mijn ervaring van de jongen van tien jaar in het ziekenhuis na mijn operatie. Dit keer een mentale operatie. Ik bleef nog drie maanden bij de Jezuïeten, heb me daar kunnen uitspreken met behulp van een goed luisteraar pater Jezuïet. De man vertrok later naar Rolduc. Dat deed me pijn. Ik heb afscheid kunnen nemen van vrienden en ben direct vanuit Nijmegen vertrokken naar Amsterdam. Het ontslag van mijn geloften heb ik in keurige Latijnse teksten mee gekregen. Daar in Amsterdam zou mijn leven, inmiddels was ik 24 jaar, een radicale wending krijgen. Mijn missie in dit leven zou ik opnieuw gaan uitvinden. Het gemis aan de vriendschap die ik in de orde wel degelijk had ervaren bleef zeker nog een tijd schrijnen. Nu na meer dan veertig jaar krijg ik weer wat contact met Jezuïeten van toen, al of niet uitgetreden. Ik kan het weer verdragen.

 

5. Veertig jaar onderweg: ontwikkeling en verandering      

    Een nieuwe perspectief en nieuwe dynamiek?

 

Alleen in Amsterdam

Na een dag aanbellen op diverse plekken in de stad vond ik een eerste bescheiden woonplek in Amsterdam West aan de Jacob Catskade. Niet wachten bij studentenhuisvesting in tijden van woningnood. Gewoon er op af gaan en zoeken naar de speld in de hooiberg. Ik zou daar een half jaar blijven wonen alvorens ik een studentenflat van een vriend kon overnemen aan de Prinsengracht. Vervolgens mijn eerste baantje zoeken: slaapwagenconducteur. Zo was mijn start in Amsterdam. Ik begon in september 1967 een studie aan de sociale academie en in 1970 een studie andragogie aan de universiteit van Groningen. De roerige jaren zestig in Amsterdam beleefde ik van dicht bij: provobijeenkomsten bij ‘het Lieverdje’, regelmatig rellen met de politie op de Dam, het Spui en het Museumplein. Damslapers uit de hele wereld, het Vondelpark vol met hippies.

 

Politieke en culturele veranderingen

Mijn zwarte toog had ik inmiddels al lang verwisselend voor een kleurig spijkerpak. Er waren nog steeds demonstraties in Amsterdam tegen de oorlog in Vietnam onder de leus: ‘Johnson moordenaar’ met steeds weer Piet Nak vooraan in de eerste linie. De zgn. ‘teach-ins’ overal in de stad met heftige openbare politieke debatten, ze trokken volle zalen. Professor Constance meestal vooraan in het debat.

Maatschappelijke conflicten waren er volop op wereldschaal en lokaal. Boeddhistische monniken in Vietnam die mediteerden op de brandstapel, terwijl ze zich zelf levend offerden en lieten verbranden. Een zoenoffer? De beelden gingen de hele wereld over. Hun motieven waren een grote schreeuw om hulp voor de weg naar vrede, maar aan dovemans oren gericht voorlopig. Het was een tijd van sociaal culturele omwenteling in Nederland, dekolonisatie en revoltes elders in de wereld. Ik wilde er deel vanuit maken en zoog alle informatie in me op. De gretigheid waarmee ik dat deed, was voor mij tot dan toe ongekend. Een kerk bezocht ik zelden meer.

De jonge generaties wilden afrekenen met autoritaire structuren, zochten erkenning voor het vaderloze tijdperk. Het paste mij wonderwel. De politiek in vele landen boette in aan gezag. Met name de Roomse Kerk verloor in ons land snel gezag. Het nieuwe elan van het tweede Vaticaans Concilie werd weer weg gedrukt. Voorlopig geen vrouwen in het ambt van priester. Condooms en anticonceptie bleven taboe. Rolduc in Limburg werd ingericht als nieuw conservatief bolwerk voor de opleiding van priesters. Moderne priesters werden geboycot en het zwijgen opgelegd. Mensen stroomden de Kerk uit.

 

Eind jaren zestig in Amsterdam.

Vooral de cultureel werkers op onze Sociale Academie waren in die late jaren zestig aan hun hippe imago herkenbaar. Docenten en studenten cultureel werk ‘runden’ samen de hippietempels ‘Fantasio’ en ‘Paradiso’ in de stad Amsterdam. De Kabouterpartij met Roel van Duin als aanvoerder kreeg later zomaar 10 zetels in de gemeenteraad van Amsterdam. Amsterdam was min of meer een anarchistische en antiautoritaire stad geworden. ‘Bloemenkinderen leg die stiletto’s weg, vergeet die bloedige taferelen, want geuren en kleuren zijn de nieuwe wereldmacht, vechten gaat zo gauw vervelen’, zo klonk de hippie ‘voice’ op de radio. De onbespoten groentes zouden midden op de Dam gaan groeien. De verbeelding was even aan de macht. De hippiemusical ‘Hair’ werd een knaller. Iedereen was lief voor elkaar wachtend op het Aquarius tijdperk. Een sprookje om in te geloven, al is het maar voor even. De mariniers wisten wel beter en veegden vrij plotseling nog vroeg in de ochtend de Dam schoon van dat ‘werkschuw tuig’. Heel Nederland keek toe en had achteraf commentaar. Politierellen staken weer de kop op. Hippies deelden krenten uit bij ‘het Lieverdje’ op het Spui om de politie op het verkeerde been te zetten en op het vredelievende pad te brengen.

 

Een nieuwe weg, een nieuw perspectief

'Umwertung aller Werte', zei een Duitse filosoof vroeger al. Ik voelde me vooral nieuwsgierig betrokken op verkenningstocht. Voor mij was het vaderloze tijdperk nu pas echt begonnen en ik wentelde me in de ‘flow’ van de gebeurtenissen, op de golven van de tijdgeest.

Ik zat met nog een mannelijke medestudent in een groep samen met twintig jonge dames. Ik was zomaar vanuit een al jarenlang durende mannengemeenschap en cultuur neergedaald in deze overwegende vrouwengemeenschap. Ik heb het niet echt als cultuurschok beleefd. Heb ik dat achteraf bekeken toch aan mijn zussen te danken?

De eerste drie jonge dames waar ik graag mee optrok waren van joodse afkomst. Totaal nieuw voor mij. Margaret is later naar Israel gegaan en omgekomen. Een bom op de weg was de oorzaak. Met Sonja ben ik in 1968 op bezoek geweest bij Otto Frank in Basel. De Franken ontvingen ons zeer gastvrij. Otto vertelde enthousiast over de hoeveelheid post die hij kreeg van jongeren over de hele wereld, iedere dag weer opnieuw. Dit naar aanleiding van het dagboek van zijn dochter Anne. De nieuwsgierigheid naar andere religies, stroningen en culturen hield ik heel mijn verdere leven lang vast. De Roomse Kerk verdween naar de achtergrond. Etty, vriendin van de later bekende nieuwsreporter Eddo Rosenthal uit Israel, is na onze tijd op de sociale academie ook vertrokken naar Israel. Ze was nog getuige toen ik met mijn eerste grote liefde Marja het stadhuis in trad.

Onze eerste zoon had zich aangekondigd. Zo snel en onverwacht. In september 1969 werd ik zelf vader. Vader en moeder trouwden. Een studentenhuwelijk. Aan eeuwige trouw waren we beiden nog niet toe in het vaderloze tijdperk. Onverantwoord? We waren loyaal in onze zorg voor de baby. We hebben het nodige doorgemaakt, zijn er aan gegroeid en kunnen het nu we niet meer getrouwd zijn goed met elkaar vinden.

Onze sociale academie ging in dat jaar 1968 structureel plat. Geen lessen meer. Alle studenten werden uitgenodigd om naar de gymzaal te komen voor overleg. Psycholoog Mispelblom Beyer leidde het gesprek. Wonder boven wonder loodste hij alle emoties in redelijk begaanbaar vaarwater weer naar een werkbare situatie op deze academie. Democratie gaat blijkbaar werken mits er zeer goede facilitators opstaan. Een inspirerend voorbeeld daarvoor was onze psycholoog zeker. Karl Marx zei al over het jaar 1848 in zijn communistisch manifest: “Er waart een spook door Europa…”. Hij moet ook voor het jaar 1968 als profeet zoiets in petto hebben gehad. Nijmegen werd het Havanna aan de Waal genoemd, iedereen koketteerde met een poster van Che Guevara. Op onze sociale academie was de storm van de democratisering allang weer gaan liggen toen het Maagdenhuis in Amsterdam door studenten bezet werd. Chapeau voor onze leraren die de tijdgeest al eerder aanvoelden, meebewogen maar met een glimlach, betrokkenheid en mededogen richting konden blijven geven. Deze glimlach vond ik later terug bij de Bhoedistische monnik Thich Nah Tan. Hij werd verbannen uit Vietnam omdat hij geen partij wilde kiezen. Hij stichtte later een Boeddhistische gemeenschap in Plum Village in Frankrijk, schreef vele boeken o.a. over loopmeditatie en de persoon van Jezus Christus vanuit Boeddhistisch perspectief. Als ik ergens veel geleerd heb is het wel eind zestiger jaren geweest  op de sociale academie in hartje Jordaan. Op deze niet religie gebonden academie hebben we ook alle steun gekregen die we nodig hadden voor onze studie en bij de geboorte van en zorg voor onze zoon. Wat was ik blij dat we hier in deze vrijzinnige omgeving zaten. Daardoor werd het mogelijk voor ons beiden af te studeren. Talloze oppassen bij de hand of de baby kon mee naar de academie. Dat kon allemaal. Mijn stagetijd in de psychiatrische kliniek was een test voor mij. De trieste kant van de samenleving in zijn ‘uitval’ heb ik daar kunnen zien. Maar in alle triestheid ook weer humor. Ik kwam er achter in die tijd dat ik het werkelijk moeilijk had met autoriteit boven me. In dit geval was het een psychiater uit het behandelteam. Ik was het tachtig procent van de tijd niet met hem eens. Ik schreef een werkstuk over ‘totaal instituten’ als grote bureaucratieën, bedrijven, maar ook ziekenhuizen, gevangenissen en kloosters. Hoe ze individuele mensen kunnen kneden en soms vermalen in regels, procedures en riten. Ik had het zelf van dichtbij meegemaakt. Ik besloot met aanmoediging en ondersteuning van de academie naar de universiteit te gaan. Het vertrouwen dat ik van directeur en docenten gekregen heb in die tijd is een opsteker geweest voor de rest van mijn leven. In drie jaren slechts waren voor mij vensters naar de wereld geopend na de jaren van vooral introspectief leven in de orde van de Jezuïeten. 

Tijdens de daarop volgende jaren op de universiteit in Groningen   raakte ik geïnvolveerd in de wereld van bedrijfstrainingen, gestalttherapie, bio-energetica en organisatieontwikkeling. Eerst theoretisch en onderzoekmatig, later als trainer, adviseur en procesbegeleider. Toen werd de basis gelegd voor mijn verdere professionele pad voor de volgende veertig jaren.

Na een periode van zes jaar leidinggeven aan een centrum voor plaatselijk vormingswerk in de stad Groningen volgden zes jaar in de gemeente Amsterdam als begeleider van veranderingen in de gemeentelijke organisaties en daarbij het opzetten en uitvoeren  van opleidingsprogramma’s voor leidinggevenden in deze gemeente. Prachtig werk. Ik was op mijn plek en voelde me gewaardeerd.

Met mijn zoons bekeek ik destijds begin jaren tachtig een huis in de stad om eventueel te gaan kopen. Het is er toen niet van gekomen. Mijn zoons en ik treinden in de jaren daarop volgend in de weekends regelmatig op en neer van West naar Noord of van Noord naar West Nederland. Na lang beraad besloot de moeder van de jongens uiteindelijk om in het noorden te blijven wonen. Dit markeerde onze relatie. Aan onzekerheid kwam een einde. Een nieuwe levensfase was ingeluid. Ruimte werd gemaakt voor een nieuwe toekomst, oude wonden verzorgd en geheeld.

Dankbaarheid voel ik zelf terugkijkend nu voor het vertrouwen en de kansen die de gemeente Amsterdam mij in die tijd in een moeilijke fase van mijn leven heeft geboden. Amsterdam werd voor de tweede keer de stad van mijn leven. Ik bleef daar in de gemeente zes jaar onafgebroken werken en bleef er tot op de dag van vandaag wonen.

Na nog drie jaar bij een adviesbureau te hebben gewerkt, nam ik in 1989 het besluit een eigen centrum voor opleiding, training en advies op te richten. Het werd een missionair bestaan voor mijn verdere leven. In een droom verscheen de naam: Viaconsult. Via is de weg. De letters staan voor verbeteren, innoveren en activeren van zowel beleid als organisatie. De missie: ontwikkeling van mensen in wisselwerking met hun werkomgeving, werkorganisatie en organisatiedoelen. In de orde van Jezuïeten werd gesproken over ‘semper major’. Het betekent zoveel als ‘zoek altijd naar het betere’. Voor mij was dit het. Werken aan de invulling van deze droom Viaconsult zou mijn verdere leven bepalen. Wat wil je worden vroeg men aan de twaalfjarige jongen van weleer? Priester, arts, zeeman waren de antwoorden bij de toelating op het Klein Seminarie geweest. Nu kwamen de drie polen bij elkaar in mijn werk als adviseur, opleider en coach.

 

Een missie voor het leven

Inmiddels kwam er nieuwe liefde in mijn leven en werd ik wederom vader, nu van twee dochters. Mijn kinderen zijn de grootste levensvervulling met alle vragen en zoeken erbij naar mijn eigen vaderrol. 

In al die jaren steeds wonend op dezelfde plek werkte ik gestaag verder aan mijn maatschappelijke missie Viaconsult, opleiding en advies voor beleid en organisatie. Ik kwam zelf bij diverse bedrijven op de werkvloer. Zo zag ik in die jaren bij Corus schroot versmelten tot vloeibaar ijzer. Ik zag bij Joh. Enschede en zonen lappen papieren geld van de drukpersen rollen. Ik coachte een vriend van mijn zoon die een bedrijf had in het vernietigen van oud geld en er in de recycling weer nieuwe producten van maakte. Hoe bont wil je het hebben. Ik zag bij DSM en Dow Chemical hars omgetoverd worden in verven en allerlei andere basisproducten. Maar hoe zat het daar met de veiligheidscultuur, vroeg ik me af? Ik zag cacaobonen door de fabriek gaan en transformeren in veelkleurige poeder en boter tot tussenproducten bestemd voor de Chocoladefabrieken. Ik stond voor zalen met blauwe overalls te vertellen over een andere werkstructuur van de revisie van tram en metro. De medewerkers zelf moesten in het nut ervan  gaan geloven. Het zou een verrijking van hun taak opleveren. Ik stond voor het middenkader en de directie van een groot academisch ziekenhuis. Ze hadden het even gehad met elkaar, maar moesten wel bewegen naar een nieuwe toekomst bij de nieuwbouw van het ziekenhuis. Kon ik ze daar in begeleiden en meekrijgen? Ik kwam steeds frequenter ook in de kolossen van ministeries in Den Haag. Ik heb deze in die jaren alleen maar luxer zien worden. Mijn eigen missie in al dit werk was steeds het optimum proberen te vinden tussen mensontwikkeling en organisatieontwikkeling. Voor iedere situatie is dat weer zeer specifiek werken op maat. Dit juist maakt het werk zeer afwisselend en boeiend.

De jaren tachtig waren vooral gericht op het werken aan kwaliteit en verbetertrajecten na een tijd van recessie. De pakken gingen weer aan, de stropdassen weer om na de lossere jaren zeventig, de nieuwe zakelijkheid sloeg toe. Eind jaren tachtig viel de muur in Duitsland en het communisme in Oost Europa sneuvelde. Fukujama schreef over het zgn. einde van de geschiedenis en de neoliberale overwinning. Links raakte uit. Wim Kok zocht met Clinton en Blair naar de zgn. derde weg: iets tussen socialisme en liberalisme in. Intussen weten we beter. We hebben de schaduwzijde van het neoliberalisme in enkele recessies met beurs en bankencrises inmiddels grondig leren kennen.

In de jaren negentig kwamen veel vragen voor opleiding en training binnen bij Viaconsult. Het was de tijd waarin de informatisering van de samenleving in al zijn volheid doorzette, tenslotte eindigend in de grote internet ‘blow up’ op de beurs in 2001. Van stencilmachine tot het macbook of de ipad…het was ook voor mij een hele lange weg.

Na de eeuwwisseling was het wederom zoeken geblazen naar herstel op de economische markten. Eigenlijk is dat nu zeker in Europa nog steeds gaande. Werken voor de overheid bleek voor ons al die jaren een sterke troef te zijn voor continuïteit. Inmiddels ben ik bijna zeventig jaar, maar nog steeds actief voor Viaconsult. Pensioen is een relatief begrip. Ik realiseer me terdege dat de, naar ik hoop, vroege avond van mijn leven zich onvermijdelijk gaat aandienen.  

 

Nawoord.

 

Bij het ouder worden heb ik geleerd de meeste antwoorden op vragen te vinden in het meer onbeantwoord laten van de vragen, er bij stil staan en de vragen hun eigen werk laten doen. Met deze paradox kan ik leven en wil ik leven. Boeddhistische leraren wezen me het achtvoudige pad, Kundalini Yoga leerde ik van de Sikhs, het padwerk van John en Eva Pierakos leerden me over diepere emotionele lagen in het menselijke energetische veld. De grote levensvragen mogen er zijn zonder antwoord. Verwonderd kan ik zijn over de diversiteit aan geproduceerde antwoorden. Na jaren van pelgrimeren naar Santiago, Assisi, Rome, Roemenie, Tibet en Rusland voel ik me nog sterker ‘pelgrim’ door tijd en ruimte. Wat loont voor mij is de weg voelen. Ik weet me verbonden met pelgrimgangers van toen en nu. Ignatius van Loyola en Franciscus van Assisi waren ook pelgrims. Ik hoop de komende jaren nog eens de tocht van Loyola naar Manresa in de voetsporen van Ignatius te volbrengen. Deze tochten geven mij een hernieuwde verbondenheid met oude wortels.

Amsterdam, waar ik woon en hopelijk nog lang blijf wonen is bonter en veelkleuriger dan ooit. Ik houd daarvan. Het was al zo in de 17e eeuw en daarvoor. Ik ben er dankbaar voor dat ik hier in deze stad mag wonen. Ik houd van de plek en de buurt.

De weg is ons gegeven. Het proces doet er vooral toe. Was het in essentie ook de droom van de tienjarige jongen in mij? Ik hoef nu geen antwoord te geven. Pas na jaren heb ik ‘mijn ouderlijk nest’ leren terug vinden zonder er nadrukkelijk naar te zoeken. Weer zo’n paradox. Contacten met broers en zussen worden weer levend. De draden naar het verleden lichten weer op.

In onze westerse maatschappij lijken God en Godsbeelden decennia dood verklaard. Godsdienst is meer naar het private domein verbannen. In de tijd van de verlichting is dit proces ooit ingezet en theologen hebben geprobeerd het karwei af te maken, zo lijkt het. De mens moet het voortaan hier in het rijke westen vooral alleen zonder ‘Deus ex machina’ stellen. Het brein en de libido lijken vooral te regeren. Een wat benauwende gedachte soms. Hoeveel ruimte is er nog voor spiritualiteit en verbondenheid? Hoeveel ruimte is er nog voor heilige verwondering over ‘the ground of our being’? Kan verwondering bestaan naast fundamentele twijfel. Hoeveel ruimte is er nog voor missionaire betrokkenheid? Ik laat de vragen voor wat ze zijn.

Met alle ambivalentie stel ik mezelf ook de vraag: Wat of wie zou ik geweest zijn zonder die moeder de heilige Kerk, soms te zien in al haar schamelheid? Mijn missie heeft zich vooral buiten die Kerk voltrokken. Daar heb ik voor gekozen. Maar waar ik in den vreemde ook kom, altijd zoek ik als vanzelf toch weer kerken op. Hoe anders zou ik mijn geschiedenis begrepen hebben zonder deze culturele wortels? Het heeft me gebracht waar ik nu ben. Het heeft me zowel inspiratie als weerstand gegeven. Ik denk na over onze stad Amsterdam met veelsoortige tempels, meer dan 140 verschillende nationaliteiten. Ik denk aan al die Nederlanders wonend en verspreid  over minstens zoveel buitenlanden. We raken wereldwijd met elkaar verbonden, verknoopt en van elkaar afhankelijk in alle verscheidenheid. Er rest ons slechts een grenzeloos bestaan in het besef van wereldburgerschap en eindeloze variëteit. Onzeker en uitdagend. Ga er maar aan staan.