UITVAART FONS GRIMBERG, 22 SEPTEMBER 2012

 

OVERWEGING    

 

    “Graag het evangelie van de broodvermenigvuldiging”.

Dat zei Alfons toen we vorige week spraken over zijn begrafenis.

Hij wist dat heel zeker.

Natuurlijk is het een verhaal dat aan de eucharistie doet denken,

de Mis: hij ging graag voor in de vieringen.

Als hij, nog maar een paar maanden geleden

voorging hier in de huiskapel in de dagelijkse misvering,

dan had hij dat telkens weer zorgvuldig voorbereid:

hij deed het met grote aandacht en toewijding ondanks zijn vermoeidheid.

Tot het er niet meer in zat – en hij af moest haken.

    Maar het verhaal van de broodvermenigvuldiging heeft iets eigens:

Het gaat over mensen, veel mensen.

Alfons hield van mensen. Hij moest mensen om zich heen hebben,

praten, grapjes maken. Erbij zijn, dat gaf hem geborgenheid.

Met een raar woord dat je op dit ogenblik nogal eens hoort gebruiken:

Alfons was een mensen-mens, leefde van contacten, leefde op bij contact.

En dan vooral geen dure, geleerde mensen: gewóne mensen,

van de straat, van het voetbalveld, van het café. Zomaar een praatje,

gewoon bij elkaar warmte vinden en gezelligheid.

In het evangelie van vandaag is u misschien opgevallen,

hoe Jezus aangaf, dat de mensen in groepjes moesten gaan zitten,

er was veel gras, staat er dan ook nog bij. In een kring

ongecompliceerd bij elkaar zitten en contact maken.

    Maar  ik denk ook dat iets in het verhaal Alfons trok:
de rol van de apostelen: doorgeven. Het brood uitdelen.

Zoals Jezus zorg hebben, oog hebben voor de behoeften van mensen,

niet alleen voor hun honger, maar ook voor de nood van hun hart,

en daar wat aan proberen te doen: niet alleen ze te eten geven,

maar ze ook een hart onder de riem steken.

In het verhaal klinkt al meteen het pastorale aspect door 

als Jezus zegt: Ik heb medelijden met de mensen,

ze zijn als schapen zonder herder. Hij ziet hun geestelijke nood.

Maar als Jezus dan hun honger ziet, maakt Hij naar zijn vrienden

een wat stekelige opmerking, (Alfons was daar ook sterk in):

“Als ik jullie was, zou ik er maar eens wat aan gaan doen” -

om dan onmiddellijk zelf de regie over te nemen.

    Ooit heeft Alfons sociologie gestudeerd. Ik had niet het gevoel

dat daar nog veel van was blijven hangen. Alleen dit:

Zijn sociaal gevoel. Belangen van mensen moeten gerespecteerd worden,

daar moet je rekening mee houden.

Ook die van hemzelf: een grote behoefte aan ónafhankelijkheid,

allergie als zijn eigen ruimte werd bedreigd.

Maar dus ook: inspringen voor de belangen van een ander,

dienstbaar zijn, hulp verlenen, opnieuw: pastor zijn.

intermediair zijn: zo beleefde hij zijn taak als priester.

De socioloog in hem reageert spontaan op de woorden van Jezus:

“Geven jullie die mensen toch te eten”. Hier is nood. Hier moet aangepakt worden.

De handen uit de mouwen. Zonder poespas, want het moet vooral

doordeweeks blijven. Niet duur, niet elitair. Mensen van de straat,

daar kon hij vlot en direct contact mee krijgen.

    Had dat gewone, en tegelijk pastorale, te maken met het gezin

waar hij in opgroeide?  Het schijnt dat zijn vader graag priester had willen worden.

Het was Alfons die het geworden is. Intermediair tussen God en de mensen:

Helpen, klaar staan, sjouwen, belangstelling tonen, luisteren.

Voorgaan in de mis, sacramenten bedienen, dat was voor hem helpen,

dan voelde hij zich één met de mensen en tussen hen in.

In die functie kon hij aan mensen nabijheid en steun geven.

Ook dat zal hem getrokken hebben in het verhaal van Jezus:

dat Die niet alleen doceert en onderricht geeft, maar ook zorgt.

Dichtbij mensen is. Maar Jezus bidt ook: slaat de ogen ten hemel,

en dankt God, vóór Hij het brood gaat uitdelen.

Pastoraat voor Alfons was helpen, maar ook een manier

om zijn geloof te beleven. In contacten, in de eucharistie.

    Een paar maanden geleden had hij een gesprek met een van ons,

en toen zei hij: “Bij de communie kun je wel bidden: Geef dat ik genees.

Maar dat is het niet. In Gods nabijheid zijn, bij Christus,

en je niet ongerust maken. Zoals Teresia van Avila ook zegt”.

Ook voor zijn stijl van geloven gold voor Alfons: niet duur doen,

gewoon doen. Hij was op een mannelijke, eenvoudige manier vroom.

Niet dat dat zo gemakkelijk was, zeker niet in de tijd van zijn dodelijke ziekte.

Lange tijd was de dood zijn vijand, vocht hij tegen zijn ziekte.

Zowel zijn langdurige suikerziekte als de ziekte die hem sloopte

beleefde hij als een gevangenis, en hij rammelde aan de tralies,

schopte tegen de deur. Er was onmacht. Leegte.

Twijfel, depressie en angst. Een langzaam leerproces, ook van ontkenning,

ook van zelfverwaarlozing. Maar hij vertelde mij vorige week:

er is een moment gekomen dat de twijfel van hem was weggenomen.

    Dat voelde als een bevrijding. Langzaam groeide de zekerheid:

ik hoef niet meer te vechten, want God blijft trouw.

Dat was  - nog steeds– geen gemakkelijk onderwerp om over te praten:

dat je los mag laten, het heft niet meer in eigen handen hoeft te houden.

Hij schijnt het volgende gebedje toevertrouwd te hebben aan een medebroeder:

Ik kom even naar U toe, mijn God, stil en vol eerbied,

dankbaar wetend dat U mij kent, helemaal,

dat U op mij wacht en naar mij verlangt,

zoals mijn hart naar U verlangt... En alles wordt stil.

Voor Alfons is de strijd gestreden. Hij heeft, met Jezus,

tegen de hemelse Vader kunnen zeggen:

In Uw handen beveel ik mijn leven, mijn geest, al wat ik ben.

Biddend met hem zou ik dat samen met u willen zingen: In manus tuas...