Soeterbeeck 11 april 2015 door Gregory Brenninkmeijer SJ

Ik ben gevraagd in 15 minuten antwoord te geven op de vraag: Hoe wordt er vandaag de dag in de Sociëteit over armoede gedacht?

Ik kan maar één reden verzinnen waarom deze vraag naar mij toe gekomen is, namelijk: dat ik nog vrij onlangs betrokken ben geweest bij de inleiding van onze novicen in het denken en doen van de Sociëteit en dat gaat dus ook over het denken en doen rond de armoede.

Aan de principiële stellingname van Ignatius ten aanzien van de armoede is niets veranderd. In de optiek van Ignatius zou onze armoede zo totaal mogelijk moeten zijn. Die optiek is dezelfde, maar in de loop van de eeuwen is daar heel wat aan gesleuteld ten gevolge van plaatselijke omstandigheden, de eisen van het apostolaat een de uitgroei van de Sociëteit. De ontwikkelingen zijn van dien aard geweest, dat we op den duur eerder konden spreken over “een zo klein mogelijke rijkdom” dan over een “zo totaal mogelijke armoede”.

Nu is de armoedebeleving in de Sociëteit, zoals bijna alles in de Sociëteit,, een zeer individuele aangelegenheid. We mogen tot op de dag van vandaag niet uit het oog verliezen, dat armoede niet ons ideaal is, maar het volgen van de arme Jezus is ons ideaal. Naar de mate dat een Jezuiet intenser door Jezus is geraakt en van Hem is gaan houden, des te meer zal hij zich aan Hem willen spiegelen en Hem ook in zijn armoede willen volgen. De liefde voor en de navolging van Christus is dus de reden voor onze keuze voor armoede en die is in ieders leven uniek en verschillend.

De individuele verschillen kunnen groot zijn. Maar ook de diversiteit aan apostolische opdrachten doet verschillen ontstaan. Je hebt een auto nodig voor je werk of niet. Maar zelfs bij autogebruikers kennen we het verschil tussen mensen die een eigen auto hebben en mensen die een auto gebruiken. Er zijn altijd straatarme jezuieten geweest en medebroeders met een meer flamboyante levensstijl.

Hoe meer de Sociëteit institutionaliseerde, des te meer groeide het gemeenschappelijke bezit, en mensen raken zeer snel gewend aan bezit. In de tijd van ons leven is het te danken aan de medebroeders van Latijns Amerika en met hen verwante geesten, dat in de 32ste algemene congregatie de Sociëteit de 'preferentiële optie voor de armen' omarmd heeft. Het was in landen met extreme armoede en gigantisch onrecht dat die optie moest ontstaan. De Nederlandse provincie, die nauwelijks contact had met dat soort armoede in haar werken, had grote moeite om zich die optie voor de armen eigen te maken. Het werd een continu punt van onrust en onhandigheid en goedbedoelde, maar weinig reële acties, alle uitzonderingen daar gelaten.

Een van de belangrijkste stappen om die optie voor de armen naderbij te bren gen en ze realistischer te maken in onze context is te danken aan Peter-Hans Kolvenbach, die er bij voortduring op hamerde, dat onze armoede zich natuurlijk moet uiten in een eenvoudige levensstijl, maar pas reëel wordt in ieders persoonlijke contact met werkelijk arme mensen. En dat niet in termen van een neerbuigende caritas of welwillend hulpbetoon, maar als geprivilegieerde vindplaats van Christus onze Heer. Contact met de armen om van hen te leren en met hen samen te streven naar gerechtigheid. Het is die houding die steeds duidelijker post vat in de Sociëteit en die door Gods genade in de persoon van onze medebroeder, Paus Franciscus, een uitgesproken gezicht heeft gekregen.

Wat leren we nu de novicen? Bij die vraag moeten we ons vooraf realiseren dat de huidige novicen doorgaans gemiddeld tien jaar ouder zijn dan toen wij intraden. Zij komen dus binnen met een heel andere voorgeschiedenis en levenservaring. Maar nog steeds worden de novicen in hun eerste jaar, in Januari/Februari onderworpen aan hun eerste experiment, de Geestelijke Oefeningen. In dat experiment moet duidelijk worden of er een realistische affectieve relatie groeit met Jezus, én een verlangen Hem te volgen in zijn zending en daar je leven voor in te zetten. Dat is, zoals gezegd , de basis van alles. Daarna zijn alle experimenten vormen van 'exposure to the poor' in een veelheid van verschijningsvormen. Onze twee eerste-jaars novicen hebben zojuist een experiment van zes weken in Nederland afgesloten, de een in het Berchmanianum in de ouderenzorg, de ander in Oudezijds 100, in de rosse buurt van Amsterdam.

Maar ook een persoonlijke armoede ervaring maakt deel uit van die experimenten in de vorm van een trektocht langs ongebaande wegen, gedurende ongeveer zes weken, zonder geld en zonder mobiele telefoon. Het lijkt een achterhaalde en onmogelijke opdracht, maar werd door allen als een van de belangrijkste ervaringen van hun noviciaat beleefd. Bovendien hebben ze allemaal een apostolische taak gedurende één dag per week, bij asielzoekers, daklozen, gevangenen, school in een achterstandswijk van Birmingham, een verzorgings/verpleeghuis.

Er worden in het noviciaat vrijwel geen lessen gegeven. Alle onderwerpen die aan de orde moeten komen en bestudeerd worden zal de novicenmeester in één á twee ochtendsessies inleiden. Vervolgens worden uitgezochte artikelen en boeken verdeeld om bestudeerd te worden en iedere novice krijgt de opdracht het onderhavige onderwerp, b.v. de armoede, vanuit zijn leesstof in te leiden. Daarna volgt een gedachtenwisseling waarin de inhoud wordt bediscussieerd. Ter afronding maakt iedere novice een paper over dat onderwerp waarin duidelijk moet worden wat zijn kijk is op de kwestie en wat hij heeft opgepikt of waar nog nadere studie vereist is.

Natuurlijk is dit allemaal slechts inleiding, maar de opleiding is lang. Ook tijdens de verdere studie is 'contact met de armen' steeds een onderdeel van het programma van de student. En wat mij opvalt is dat zij nadrukkelijk zoeken naar stages die gericht zijn op het contact met de armen. Ik ben gedurende heel mijn opleiding, afgezien van het woonwagenkamp tijdens het noviciaat, nooit met een arme mens in contact gekomen.