MIJN TWEE
JEZUIETENBROERS - door Piet
Gieles
Mijn
broer Henk was het oudste, ik het vijfde en mijn broer Theo het achtste kind in
de rij van dertien van ons gezin in Den Haag die alle drie intraden in de
Jezuietenorde. Eerst wil ik mijn beide
broers kort gedenken.
Henk Gieles, geboren 2
sept. 1922, trad, na gymnasium B op het Aloysiuscollege in Den
Haag, in Mariëndaal in het noviciaat in september 1941. Door de oorlog kon hij
maar heel weinig bezoek van familie krijgen, met name toen in het laatste
oorlogsjaar - de filosofen woonden toen
in Eijsden - het zuiden bevrijd en het noorden nog bezet was. Hij was drie jaar
surveillant in Amsterdam, werd priester gewijd op 22 augustus 1953. Na het
tertiaat in Drongen werd hij in 1947 prefect van de niet-internen op het
Cansiuscollege in Nijmegen. Omdat ik in
1947 intrad en ook onderworpen was aan
de strenge SJ -bezoekregels, bleek in 1963, toen ik mijn opleiding beëindigd
had, dat wij elkaar 26 jaar niet gezien hadden en eigenlijk van elkaar
vervreemd waren.
Henk
is na een jaar prefectuur op Canisius, - hij had veel moeite met die
disciplinerende taak - altijd werkzaam
geweest in meerdere Jezuietenparochies, als minister of pastoor. Het begon met
16 jaar Aloysiusparochie in Utrecht. Daarna in Gouda, Dordrecht en Den Haag.
Hij was een goede predikant en in de zielzorg voorzichtig, sympathiek en een
tikkeltje verlegen. In zijn laatste standplaats, in Zeist, zo kon ik
vaststellen, was hij zeer geliefd bij de
parochianen. Dat bleek sterk bij zijn vertrek uit Zeist. Na zijn pensionering woonde Henk nog enkele
jaren in het Aloysiushuis in Den Haag. Hij had een grote liefde voor poëzie (Stille wateren .....) .
Samen met Maurice Pirenne had hij al eerder een op muziek gezette vertaling van
de wisselende gezangen van de liturgie gemaakt.
In
1996 werd vastgesteld werd dat hij aan
leukemie leed. Daaraan is hij, toch nog onverwacht, op 11 oktober 1996
overleden. De uitvaart was in Voorburg. Het parochiekoor van Zeist zong bij de uitvaart,
toegewijd en met tranen in hun ogen. Henk werd begraven bij de medebroeders, op
Jonkerbosch, in Nijmegen.
Theo Gieles, geboren 7
juli 1932, was tijdens zijn gymnasium-tijd op het Aloysiuscollege gegrepen door
de problemen van de arme kinderen in de Westeindebuurt in Den Haag. Een Jezuiet
leidde het plaatselijk jeugdwerk en werd geholpen door een paar oudere
leerlingen van het Aloysiuscollege, onder wie Theo.
Hij
trad in het noviciaat in 1950, en hoopte
later sociaal werk te mogen doen. Er zou een groepje novicen naar Java gaan;
een van hen kwam niet door de keuring terwijl de reis al was geregeld. Aan Theo
werd gevraagd of hij wilde invallen en dat deed hij graag.
In
het noviciaat in Giri Sonta werden hij en enkele medebroeders getroffen door een typhus-epidemie. Theo
overleefde, maar bijvoorbeeld niet Paul van Oorschot en Hans Plag.
Ook
na de filosofiestudie zat een verlof naar Nederland er niet in omdat het
Soekarnobewind iemand die vertrok geen kans gaf om weer terug te komen. Pas
toen hij economie had gestudeerd, daarna theologie en priester was gewijd in 1965, liet de
politieke situatie in Indonesië het eindelijk toe, in 1966, om naar Nederland te komen. Hij deed het
tertiaat in Drongen en kwam veelvuldig in het ouderlijke huis over de vloer en
vertrok weer na een jaar.
Om
beter te kunnen functioneren had hij de
Indonesische nationaliteit aangenomen. Hij sprak vloeiend Indonesisch en Javaans.
Van
1968 tot 1993 was hij hoofddocent economie aan de door de Jezuieten geleide
lerarenopleiding Sanata Dharma in Djokjakarta. Toen deze opleiding in 1993 tot
universiteit werd uitgebouwd werd hij er decaan van de economische faculteit.
Hij schreef een leergang economie voor middelbare scholen, die door de overheid
tot standaard werd verklaard in heel
Indonesië.
Zijn
hart lag bij de studenten. Hij hielp hen hun leven in te richten. Als pastor
gaf hij mede leiding aan een reeks cursussen voor verloofden. De toeloop was
groot. Hij had ook een drukke spreekkamer, (in dat land maakte je geen afspraak
maar ging je gewoon!) waardoor hij meermalen de maaltijd van de communauteit
moest verzuimen maar daarna de keuken gesloten vond. Hij kon goed luisteren en
mensen helpen hun eigen problemen te onderkennen en ermee om te gaan. Hij was
altijd enthousiast, maar ook bescheiden en hij legde zich niet op. Tenslotte
was hij vaak in de arme buurten van Djokja te vinden waar hij mensen geld of
voedsel gaf naar gelang hij daarover beschikte.
Vanaf
2004 voelde Theo zich niet helemaal gezond. Toen werd een aneurysma bij hem
geconstateerd (een zodanige plaatselijke
gespannenheid van de aorta, dat deze dreigt te knappen). Hij werd in
Djokja met succes geopereerd, maar hij overleed enkele dagen na de operatie aan
de gevolgen ervan, op 20 maart 2005.
Zijn uitvaart was druk bezocht, evenals zijn begrafenis in Giri
Sonta. In Nederland heb ik voor de
familie en voor enkele Jezuieten en kennissen een herdenkingsdienst
georganiseerd.
MIJN LEVEN
VOOR, TIJDENS EN NA MIJN JEZUIETENBESTAAN – PIET GIELES
Ik
was het vijfde kind in de reeks van dertien van ons gezin. Ons gezin was door
en door katholiek. Dagelijkse mis, zondags het “lof”, vader lid van het
kerkbestuur.
Na
de Lagere School kwam ik in 1941 op het
gymnasium van het Aloysiuscollege terecht, in een noodgebouw, want de
Oostduinlaan was in handen van Duitse bezettingstroepen. Vanaf de derde klas
werden wij gehuisvest in het R.K. Meisjeslyceum, de meisjes ’s-morgens, de
jongens ‘s-middags. Behalve druk verkeer aan de achterkant van de school, de
Kazernestraat, uitgang meisjes en ingang
jongens, was er druk contact via de lege inktpotjes van de schoolbanken.
De vierde klas werd feitelijk overgeslagen: het was de hongerwinter en de
Duitsers hielden razzia’s, zodat ik samen met mijn broer moest onderduiken bij
een oom die tuinder was in Leidschendam. Daar zijn de Duitse SS- controleurs inderdaad tot tweemaal
toe binnen geweest om ons te zoeken, maar wij waren goed verborgen. Na de
Duitse capitulatie kregen we nog les in
een oud schoolgebouwtje. Inmiddels was
het hoofdgebouw aan de Oostduinlaan opgeknapt en trokken we met een plechtige
optocht erin. Ik was zeer actief in de leerlingenvereniging en deed in 1947
eindexamen.
Ik
vertel dit alles ook omdat ik die laatste jaren met enige bewondering aanzag
hoe de Paters deze moeilijke tijden
doorkwamen, en toch voortdurend erop uit waren om mensen in nood te
helpen. Ik zag hoe deze “geleerde”
mensen kennelijk goed samenwerkten en samenleefden, en voelde mij tot hen
aangetrokken. Weg idee van Nederlands studeren, maar op naar het noviciaat, 8 september 1947.
De
opleiding in de Orde
Het
noviciaat was een afknapper: Je naam, je familie en je vrienden bestonden niet
meer. Wel was de grote retraite voor mij intiem van groot belang. Maar ik had
een hekel aan de kinderlijke devotionele praktijken die er heersten. Het leven werd iets normaler in het Junioraat: daar kwam enige menselijkheid om de hoek
kijken en kon je ook soms gewoon met elkaar praten. Na Mariëndaal was de
Houtlaan een oase. Niet alle vakken vond ik interessant, maar een aantal wel,
vooral de bijvakken. Verder konden we tennissen, hockyen, soms tegen de Augustijnen. We kregen
onze eigen voornaam weer terug en discussieerden vrij over allerlei
onderwerpen. Na het behalen van het
licentiaat werd met de provinciaal de toekomst besproken. Ik werd bestemd voor
geschiedenisstudie in Nijmegen. Een
maand later bleek mijn naam in de rectorenvergadering gevallen omdat in het Delftse Stanislascollege een
surveillant nodig was. Ik moest dan maar een schriftelijke cursus geschiedenis
gaan volgen. Ik kwam er aan in augustus 1953. Het Stanislascollege was
verspreid over oude schooltjes door heel Delft. In het grootste schooltje, voor de eerste twee
klassen, werd ik geposteerd als een
manusje van alles: de bel laten gaan, de koffie zetten voor de leraren,
surveilleren op de speelplaats, het schoolblad modereren, de zorg voor de
junioren van de hockeyclub, rapporten schrijven en wat niet al. Wie denkt dat
ik toen nog een letter studeerde? Een
jaar later kwamen er twee studenten voor
de TH en een surveillant bij, zodat het werk wat beter kon verdeeld
worden. Inmiddels was ik, samen met Theo van Eijk en Jan Bots, overgegaan op
een “echte” M.O.-cursus die op woensdagmiddag gegeven werd in Utrecht.
Er
werd hard aan het nieuwe gebouw gewerkt.
De gymzaal was al klaar. Voor het schooljaar 1955-56 werden er grote schotten
in gezet zodat er enkele lokalen ontstonden voor de derde en vierde klassen ,
met mij als een soort afdelingsleider. Tijdens de lessen kon ik dan wat
studeren in een holle overgebleven ruimte in die gymnastiekzaal. In 1956 werd het nieuwe gebouw geopend. Ik
mocht al een paar geschiedenislessen geven op twee hbs 4B-klassen, en het
volgende jaar idem.
In
september 1958 deed ik M.O. (nu heet dat HBO) examen geschiedenis en kon ik
naar de theologie in Maastricht. Ik was
er blij met de exegese-colleges van Paters Renckens (OT) en Ahsman (NT) en
kerkgeschiedenis van Pater Rupert. Ik ontwierp de hoofdlijnen van de didactiek voor
de vakken geschiedenis en godsdienst. Onder auspiciën van pater Hijman (docent katechetiek) schreef ik een boekje voor leerlingen van de
hogere klassen over de Reformatie, compleet met handleiding voor de leraar en
een theologische + didactische verantwoording voor de theologen. Pater Rupert was enthousiast en
bood mij aan het aan als mijn
licentiaatscriptie te accepteren, al moest ik er sommige cursiefjes in
aanbrengen onder het motto: de kerk heeft toch gelijk!
Op
31 juli 1961 werd ik gewijd. In het vierde jaar kregen we al enkele pastorale
taakjes. Voor het tertiaat werd ik met
Leo Kramer en Frans Bilsen geplaatst in Münster, waar we ondergedompeld
werden in de ouderwetsheid. Wij werden gezien als een soort rebellen, die niet
tegen de muur de mis wilden lezen in de grote kelder vol met altaren en één
misdienaar per tien, maar wij vierden elke dag met z’n drieën de eucharistie.
Leraar
in Delft
Per
augustus 1963 werd ik opnieuw naar Delft gestuurd, nu als leraar geschiedenis
en godsdienst.
Mede
dankzij mijn voorbereiding had ik geen probleem met de geschiedenislessen. Godsdienst
(toen heette het katechese) gaf ik aan de hoogste klassen. Het
(zestigerjaren) probleem was drievoudig: de leerlingen wilden niets horen over
het katholieke geloof, de ouders wilden dat wij de leerlingen weer naar de
zondagsmis zouden praten en de bisschoppen vonden dat de geloofsleer van de
Kerk, de katechismus, moest worden gedoceerd. Juist om die eindeloze strijd te overleven hadden wij met enkele
leraren en moderatoren een landelijke vereniging opgericht die gezamenlijk
weerstand kon organiseren op deze drie gebieden. Ik redigeerde het
maandblad B & B voor onderlinge
uitwisseling en troost, maar dat hielden we strikt alleen voor de leraren zelf:
schoolleiders kregen het niet, laat staan de bisschoppen. Nieuwe programma’s
werden opgezet, ideeën voor oudercursussen bedacht en werkvormen verspreid. Als
Bestuur lagen wij regelmatig overhoop met de
bisschoppen.
Ik
praatte graag met allerlei leraren over mijn experimenten in de didactiek van
mijn beide vakken. Het gevolg daarvan was dat ik her en der gevraagd werd voor
lezingen, conferenties en zelfs trainingen daarover. Al gauw werd mijn lokaal
bezocht door menige geschiedenisleraar vanwege mijn methodiek. De Vereniging van Geschiedenisleraren vroeg
mij een commissie voor te zitten over de didactiek voor de toen aanstaande
nieuwe brugklas: dat werd het
Brugklasrapport, later gevolgd door een rapport voor de gehele
onderbouw.
In
die tijd probeerden godsdienstleraren in de bovenbouw de leerlingen te
benaderen door geloofsprediking, getuigen van hun geloof. Dat was problematisch
tussen Frans en wiskunde in. Ik introduceerde ‘katechese als seculier vak’, dat
net als geschiedenis een pedagogisch hoofddoel
had (historisch besef door kennisname van historische feiten, ontwikkelingen en
structuren ), nl feeling voor geloof en
levensbeschouwing. Dat Pedagogisch doel
was niet zelf lesonderwerp, maar moest via informatieve lessen over
allerlei levensbeschouwelijke en
ethische onderwerpen worden bereikt. Daartoe ontwikkelde ik met twee collega’s
(o.a. Hans Koenen) een reeks “katechetische units” .
Uittreden
Het
werd voor mij steeds moeilijker om, in de tijd van het Concilie en vooral
daarna, mij op te stellen als vertegenwoordiger van de Kerk van Rome. De
bisschopsbenoemingen getuigden, vond ik,
van ernstige geborneerdheid. In mijn vele onderwijskundige contacten begon ik mij te schamen voor mijn Kerk. Ik preekte eenmaal in de drie weken in de
zondagmissen in de kerk naast het college. Eerlijk gezegd was de kerk dan
voller dan anders. Maar de pastoor bleek wat bang te worden dat ik misschien te
ver zou gaan. Toen ik dat merkte nam ik mijn ontslag en sloot mij aan bij het
team Jezuieten (Max van Hövel, Gerard van Welie, Piet Vlaar) die in de kapel
van Stanislas een studentenkerk verzorgden, waar ook niet-studenten kwamen. We
noemden het de “Randkerk”: het bleek
inderdaad steeds meer een rand te worden, een overgang van de parochiekerk naar
niets.
Inmiddels
was de tweespalt over geloof en Kerk ook in het Patershuis doorgedrongen, zoals
in hele Nederlandse Provincie. Het ging over theologische, liturgische en
morele tegenstellingen. Ik dacht steeds vaker: hier hoor ik niet bij. Dit is
niet wat ik vroeger gekozen heb. In 1969 nam ik mijzelf definitief voor om uit
te treden, maar zou wachten tot de
leerlingen in mijn onderwijsexperiment (ik was benoemd tot “experimentleider”)
hun eindexamen in 1971 gedaan zouden hebben. Ik was al gevraagd om medewerker
te worden van het Katholiek Pedagogisch Centrum (KPC) en was dat al halftime.
En ik zou dan een flatje voor mezelf in Den Bosch zoeken. Inmiddels keek ik ook met andere ogen naar
vrouwen en voelde mij geïnspireerd door de Remonstrantse geschiedenislerares Henriette
Colenbrander, die een door mij geleide training bezocht. We hielden onze prille
verhouding een jaar lang geheim en voelden ons vrij om na de eindexamens in het huwelijk te treden op 7 augustus 1971.
De oecumenische plechtigheid geleid werd door mijn oudste broer Henk en haar
dominee van de Remonstrantse Broederschap. Ik voelde me inderdaad bevrijd.
Later kon ik zeggen dat ik mijn idealen voor onderwijs en leerlingen beter en
sterker kon bereiken dan in de orde. Al was het moeilijk om al die vrienden te
verlaten, waarvan sommigen mij met de nek aankeken. Maar ook dat laatste ging over. We kregen
twee dochters en genieten nu van vier
kleinkinderen
Den
Bosch
Op
het KPC in Den Bosch werd ik meteen coördinator van een groots project ter
bevordering van geïndividualiseerd onderwijs, onder de naam “Mastery Learning”.
We begeleidden met zeven medewerkers
circa 30 middelbare scholen over het hele land verspreid. Het ging
vooral om de basisvakken. Het project bleek te stuiten op het feit dat per
school meerdere vakken, vakleraren dus,
niet aan het project deelnamen, zodat de werkwijze niet op de héle school kon
worden doorgevoerd. Wel hebben toen veel leraren hun didactiek via dit project
verbeterd. Intussen had ik zitting in de Commissie Modernisering Leerplan
Geschiedenis, idem Maatschappijleer, gaf ik didactiektrainingen van tweemaal drie dagen aan meer dan 600
geschiedenisleraren en zo’n100 maatschappijleer-leraren, runde ik een blad voor
schoolleiders over katholiciteit en katechese en een propaganda-achtig blad
over de weldaden die het KPC het onderwijsveld
aanbood.
Toen
het Mastery Learning project afgerond was,
kreeg ik de kans om een projectgroep op te richten voor steun aan de
scholen voor leerlingbegeleiding. Samen met
André Konig en Jan Lap kwam een ingrijpend plan tot stand, in twee eerbiedwaardige boeken, voor
herziening van het begeleiden van leerlingen. Dat was steeds meer noodzaak
geworden de scholen. Ons zgn
drie-lijnen-model werd in de loop van de tijd vrijwel overal ingevoerd. Wij leidden
leraren op om hun collega’s te begeleiden als klassementoren: een cursus van
twee jaar om de 14 dagen één dag. De helft van de tijd was gewijd aan
gespreksvaardigheden, de andere helft aan speciale problemen als faalangst,
pesten, studiebegeleiding, groepsvorming, enz.
We
moesten telkens meer medewerkers
aantrekken voor gespecialiseerde onderwerpen omdat we overstelpt waren met
vragen om hulp uit het onderwijsveld. We bezochten nogal wat scholen en gaven
er informatieve lezingen over onderwerpen van leerlingbegeleiding, o.a. over leren studeren. We boden een keur
aan trainingen in Den Bosch aan. We schreven een reeks boeken, de LenS-reeks, in de ‘taal’ van
de leraren, over begeleidingsonderwerpen, zoals gesprekken voeren met
leerlingen, studielessen, faalangst,
crisisbegeleiding, groepsvorming, pesten, enz. De boeken vlogen de deur uit, de
meeste kregen nieuwe drukken.
Pensioen
In
1992 was ik 65 en moest (tegen mijn zin) met pensioen. Ik werkte nog tien jaar
thuis als eindredacteur voor de boeken
die mijn ex-collega’s schreven, en verzorgde herdrukken van al bestaande
boeken. Ik werkte in de tuin en begeleidde samen met mijn echtgenote meerdere
mensen die een tijdje bij ons kwamen wonen. Tenslotte, zo ongeveer rond 2000
kreeg ik de indruk dat ik niet meer precies wist hoe de veranderende situatie
op scholen en bij leraren eruit zag, en ging ik echt met pensioen. Ik wandelde
veel, had veel contact met mijn grote familie voor wie wij samen een
familiekrant redigeerden. En we vierden in augustus 2011 met 80 vrienden een
heerlijk feest in het Vughtse Kasteel
Maurick om te gedenken dat we veertig jaar geleden in het huwelijk waren
getreden.
Maar
de gezondheid was langzamerhand achteruit gegaan. Vaak longontsteking, al kwam ik daar steeds snel weer bovenop. Een
plotselinge aanduiding dat er iets ernstigs in een long aan de hand was maakte
een einde aan het ‘plan’ om de 90 te
halen.
Den
Bosch, juni 2012