Joep Dresen sj

priester in de Societeit van Jezus

 

Maastricht, 11 mei 1924

Nijmegen, 3 juni 2008

 

Het grootste deel van zijn leven als priester-jezuiet is hij ziekenhuispastor geweest. Van 1962 tot 1989, eerst in Amsterdam, daarna in Breda. In een interview zegt hij: “Het ziekenhuis-pastor zijn is eigenlijk begonnen in Spanje waar ik mijn derde proefjaar doorbracht in Gandia in 1958. Wij als tertiarissen gingen naar het melaatsenkamp, een beetje uit nieuwsgierigheid ook. Ik weet niet wat het was, maar ik voelde me er blijkbaar thuis, gedroeg mij anders dan de bewoners gewend waren. Eén kwam het mij duidelijk zeggen: ‘U hoort bij ons’. In zoiets kun je zoiets als een roeping horen”. In Amsterdam wordt hij in 1962 benoemd voor het Wilhelmina Gasthuis.

“Weet je waarom het bij dat pastoraat vooral gaat ? Om leven in de vierde ‘week’ : Alles wat je ontmoet liefdevol in je opnemen, liefhebben. Alles om je heen steeds weer contemplatief beschouwen, er warm van houden, er van genieten, naar de kern gaan. Zo kijk je dan ook aan tegen ziekte en dood, ellende en menselijke nood. Met liefde voor de mens in zijn ellende. Dat je daarom ook je woonomgeving aantrekkelijk maakt en durft te genieten van de goede dingen des levens is gewoon de andere kant van je liefde voor heel de werkelijkheid . Zo kan ik met zieken omgaan, en hun nood meeleven. Vanuit de zo genaamde ‘vierde week’

Het gaat om het persoonlijk begeleiden van mensen in zeer zware levenssituaties. Daarnaast ben je ook zoiets als een bedrijfsaalmoezenier. Je moet een weg vinden binnen het bedrijf dat zo’n ziekenhuis is om je plaats te veroveren. Binnen de machten van zo’n bedrijf opkomen voor concrete keuzen. En dan te ontdekken dat medici geen halfgoden zijn, maar eerder bang voor de menselijkheid. Vanuit de beschouwing om liefde te krijgen, waarover wij zo vaak hadden gemediteerd.

Opgewekt blijven komt heus niet vanzelf. Ook niet bij een zuid-Limburger. Het is voor hem evengoed een opgave. Je moet er heel wat voor doen. De goede kanten van de zaken bekijken, ook al haalt de ellende om je heen en in jezelf je ook nog zo zeer naar beneden. Aandacht voor anderen geeft vreugde, maar ook die vreugde gaat niet vanzelf. Het is als een voortdurende ‘contemplatio ad amorem’. Daar gaat het om in de hele Geestelijke Oefeningen. Door het dal heen van zonde en onmacht, op weg naar de Heer die zich geeft aan de mensen, kom je tot een nieuw ervaren een nieuw inzicht. En dat laatste moet je bijblijven als de rode draad in je leven: alles wat je ontmoet in je leven liefdevol beschouwen, in je opnemen, liefhebben. Dat is een opgave voor heel je apostolisch leven. Ik heb –ondanks mijn tekorten (ik ben geen heilig boontje) – altijd zoveel mogelijk willen leven in de geest van de man van Nazareth, dankbaar voor mijn roeping”.