Uitvaart Johan de Wit                                                             Joh. 14:1-6

Berchmanianum, 2 augustus 2013                                         Filp. 3:20-21

 

Ons vaderland is in de hemel, zegt Sint Paulus in de eerste lezing.

Dat hemels vaderland heeft Johan nu bereikt.

Op aarde had hij geen echt vaderland. Hij werd geboren in Nederlands Indië en woonde gedurende zijn leven op vele plaatsen in de wereld. Was Nederland zijn vaderland? Officiëel wel. Hij had een Nederlands paspoort, maar het stond vol met stempels, die getuigen van zijn veelvuldige reizen. Ik denk dat hij het meest gelukkig is geweest in Beyrouth, in de Libanon, ook al waren zijn verhalen over Afrika het leukst en het spannends.

Maar zoals de oorlog een einde maakte aan zijn verblijf in Indië, met alle ellende die hij als jongen meemaakte in de interneringskampen, zo maakte de oorlog ook een einde aan zijn eerste verblijf in Beyrouth, toen zijn laboratorium in puin werd gegooid en zijn trots – de elektronenmicroscoop – werd ontvreemd.

 

Die oorlogen en dat moeten wegtrekken uit een geliefd land en een geliefd werk, waarop je je jaren hebt voorbereid en dat nog maar nauwelijks gestart is, moeten hem de woorden uit de Hebreeënbrief hebben doen begrijpen, waar de gelovigen zichzelf vreemdelingen en voorbijgangers op aarde noemen (Hbr. 11:13).

Vreemdeling en voorbijganger is hij geweest in Ethiopië, Kenya en Tanzania, waar hij aan de geneeskundige faculteiten doceerde in de wat mysterieuze vakken histologie en pathologische anatomie.

 

Misschien was dit huis, het Berchmanianum in Nijmegen, nog wel de plaats die het meest op een vaderland leek voor Johan. Van hier uit vertrok hij naar al die andere landen in de wereld, naar hier keerde hij ook steeds weer terug, dit was zijn thuisbasis als hij studeerde voor zijn specialismen, hier sloeg hij zijn spullen op en hier is hij uiteindelijk ook gestorven.

 

Diversa loca peragrare. Dat is een motto van de jezuïeten. Verschillende landen doortrekken. Uiteraard niet als toerist, maar in dienst van het Rijk Gods. Van Johan kan zeker gezegd worden dat hij dit jezuïtische adagium waar heeft gemaakt. Hij ging naar waar er werk voor hem was, als priester en arts, in dienst van de Heer.

 

Hij schreef in 1982 over zijn werk in Ethiopië: Het lijkt me dat de missie nog altijd de meest effectieve vorm van ontwikkelingswerk verricht, omdat ze niet alleen diensten en goederen aanbiedt, maar bovendien ook daadwerkelijk in contact treedt met de mentaliteit. Een eerste echt contact met het christendom is altijd een bevrijding uit een verlammend netwerk van vrees.

 

Dat brengt ons bij de evangelielezing van vandaag. Ook Jezus probeert de vrees weg te nemen bij zijn leerlingen: Laat uw hart niet verontrust worden. In het huis van de Vader is ruimte voor velen. De weg naar het huis van de Vader is u bekend.

En als Thomas daar bezwaar tegen maakt en zegt dat hij de weg niet kent, antwoordt Jezus hem dat hij die weg wél kent: Ik ben de weg, de waarheid en het leven.

Die waarheid en het leven in die waarheid bevrijdt van de vrees. Geloof in Jezus is de weg naar de ware vrijheid. Die bevrijding van de vrees heeft Johan willen brengen aan de mensen voor wie hij werkte. Dat deed hij door artsen op te leiden in landen waar die opleiding nog schamel was. Dat deed hij ook door het Evangelie te verkondigen, niet alleen met woorden, maar vooral door een voorbeeld te geven van een leven in geloof. De Heer leidde hem op vele wegen, maar in feite bewandelde hij maar één weg: achter Jezus aan.

 

Johan was zoals alle missionarissen meestal afwezig en het was dus moeilijk om hem echt te leren kennen. Maar Johan was, niet zoals de meeste missionarissen, ook vaak wel in het land, om een cursus te volgen, te revalideren of om een andere reden. Daardoor was hij toch meer bekend dan vele andere missionarissen. Bovendien schreef Johan nogal eens een artikel in een van onze tijdschriften. Ik citeerde zo-even al uit een van zijn serieuze artikelen, maar ik herinner me ook nog goed met hoeveel smaak en humor hij schreef over zijn wederwaardigheden als patholoog-anatoom in den vreemde. Het zou een aflevering van Silent Witness waard zijn geweest.

 

Johan bezag de wereld met de wat speciale humor en met het relativeringsvermogen en de nonchalance van een man die vertrouwd is met de dood. Hij deed me denken aan de arts uit de Wijsheid van Jezus Sirach, die lacht om de pracht en praal van de koning, wetend dat een kleine ziekte daar spoedig een einde aan kan maken

(Eccli 10:10).

 

De ziekte die een einde maakte aan Johans eigen leven was geen kleine ziekte. Hij heeft er zwaar onder geleden; op het einde maakte het hem radeloos. En ook wij wisten niet hoe we hem konden helpen.

God heeft hem nu naar het vaderhuis geroepen, naar een van die vele woningen die daar zijn in het hemels vaderland.

Johan was geen doorsnee-jezuïet, maar wel een echte jezuïet, een man die met twee benen staande in de profane wereld getuigde van het Koninkrijk Gods.

Hij is thuis gekomen. Moge hij rusten in vrede.