CHRISTENEN EN MOSLIMS: CONFRONTATIE OF DIALOOG?

 

-     bespreking van het gelijknamige boek van Christiaan van Nispen tot Sevenaer SJ door Jaap van Eekelen ten behoeve van sj-oud-sj 

 

In 2004 verscheen van Christiaan van Nispen het boek Chrétiens et Musulmans frères devant Dieu?[1] Ik heb daarvan toen een uitvoerige samenvatting gemaakt en die, voorzien van vragen ter discussie, verspreid onder de mensen samen met wie ik hier in Driebergen werk aan het contact tussen christenen en moslims (zie websitenotitie: Chrétiens et musulmans frères devant Dieu).

 

Begin 2006 kwam de  Nederlandse vertaling, verzorgd door Felix van Voorst tot Voorst SJ, op de markt.[2] In augustus vertelde Christiaan mij dat hiervan reeds 750 exemplaren waren verkocht waren, en dat vertalingen in het Italiaans en in het Arabisch in voorbereiding waren.

 

Hieronder volgt ik een korte bespreking van het boek, ten behoeve van het verband sj-oud-sj.[3]  Aan het verzoek van de stuurgroep aldus een aanzet te geven voor de discussielijn Dialoog-met-islam en ignatiaanse spiritualiteit heb ik heel gaarne voldaan. Want het werk van Christiaan werpt m.i. een bijzonder licht op de meest prangende kwestie die onze hedendaagse wereldsamenleving bezighoudt. Het lijkt mij een specimen van het beste van de jezuïetentraditie. Het is lang geleden dat ik zo op de punt van mijn stoel ging zitten, omdat ik besefte: hier is een typisch jezuïetenwerk aan het woord. Ik ben dan ook zeer benieuwd wat Nederlandse jezuïeten en de kring rond hen – waartoe ook oud-jezuïeten behoren – met dit boek gaan doen, of het hen tot bepaalde positiekeuze en inzet brengt.

 

 

1.       Waar hoort dit boek thuis?

 

Christiaans boek past niet in de hype van islamofobie die b.v. het dagblad Trouw niet moe wordt te verspreiden.[4] Politici en recensenten die het zeer belangwekkende rapport Dynamiek in islamitisch activisme, aanknopingspunten voor democratisering en mensenrechten van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (2006) neersabelden, zullen op dezelfde gronden het boek van Christiaan afwijzen: zij vinden er geen bevestiging van hun angst, geen beschrijving en analyse van het gevaar dat radicale moslims in onze wereld vormen.

 

Genoemd rapport en Christiaans boek doen zelfs geen moeite contact te leggen met mensen die in de ban van deze angst leven. In strategisch opzicht kun je dit van beide publicaties een tekort noemen. Maar daar staat tegenover dat beide publicaties voor mensen die zich met een open geest willen oriënteren, buitengewoon belangwekkende informatie bieden. En nog belangrijker: beide publicaties hebben fundamenteel andere uitgangspunten dan de in ons land momenteel gangbare.[5]

 

Het rapport van de WRR doet mij denken aan de intuïtie die ten grondslag lag aan het werk van Matteo Ricci (1552-1610) en andere jezuïeten in China en aan dat van jezuïeten als Roberto de Nobili (1577-1656) in Zuid-India. Hun uitgangspunt was: alleen als we goed contact leggen met vooraanstaande mensen in het Chinese rijk respectievelijk in de Indiase samenleving en als we met hun hulp hun samenleving en cultuur gaan verstaan, kunnen we een beleid ontwikkelen dat kans biedt aan de bijbelse boodschap. Het uitgangspunt van het WRR-rapport is: als we de spanningen rondom vraagstukken van islamitisch activisme willen verminderen, is het essentieel dat we ons baseren op kennis van de feitelijke ontwikkelingen en kenmerken van dit activisme (blz. 9). Op grond van gedegen feitenkennis wijst het WRR-rapport aanknopingspunten bínnen de wereld van islamitisch activisme aan voor een geleidelijke toenadering tot concepten van democratie en mensenrechten, aanknopingspunten waarop het beleid zou moeten inspelen (blz. 155).

 

In de eeuwen waarin getracht werd het christendom vooral met het zwaard te verspreiden, werd de benadering van jezuïeten als Matteo Ricci en Roberto de Nobili veelal verworpen. In onze tijd, waarin we mensenrechten en democratie zo nodig gewapenderhand ingang trachten te doen vinden, worden de uitgangspunten van het WRR-rapport door velen weggehoond. Het boek van Christiaan is in mijn ogen verwant aan Matteo Ricci en aan het WRR-rapport.

 

 

2.       Christiaans uitgangspunt

 

De grond en bron van het  boek van Christiaan is de hartsvriendschap die hij met een aantal mannen en vrouwen moslims heeft gesloten. De opdracht op bladzijde 4 luidt: ‘Ter nagedachtenis aan Mahmûd Ragab, mijn broer in God, van wie de vriendschap tot de bron van dit boek behoort (est à la source de ce livre)’.

 

Het jezuïetengroepje in Beiroet, waarin Christiaan ruim 46 jaar geleden aankwam, was op respect voor en vriendschap met de moslims en Arabieren gericht. In Beiroet was een wijk, Basta, waar uitsluitend moslims woonden. Een van zijn docenten, een pater d’Alverny, zei hem: ‘Er zijn mensen die, als ze het over deze wijk Basta hebben, zeggen “Oh, die vuile wijk”. Misschien is er in Basta een beetje meer vuil dan in andere wijken, dat weet ik niet. Maar wat ik wel weet is: zo spreekt je niet over mensen van wie je houdt’ (ned. p.27; frs. p. 21).  

Christiaan: ‘Deze woorden hebben mij diep geraakt, […]. Zij zijn voor mij een criterium geworden waarmee we onze blik, onze houding, onze manier van spreken kunnen onderzoeken. In diepste wezen vertegenwoordigen zij een heel program. Ik ontdek steeds meer hoe dit een houding van je hart en een spirituele stellingname uitdrukt' (ibid.).

Het respect van deze d’Alverny had, aldus Christiaan, ‘niets van een syncretisme dat het verschil tussen christendom en islam zou ontkennen. Het was integendeel een hoogst positieve manier om het verschil te leven. Voor hem was dit een vrucht van zijn geloof in Christus’ (ned. p.28, frs. p.22).

 

Toen Christiaan in 1962 in Caïro Arabische filosofie en moslimfilosofie ging studeren, ontstonden daar zijn eerste vriendschappen met moslims. Terugblikkend schrijft hij: ‘Gaandeweg ben ik me rekenschap gaan geven hoezeer het persoonlijke contact en de ware en oprechte vriendschap een brede toegangspoort vormen om een andere godsdienst te ontdekken’ (ned. p.30; frs. p.24). Werkend aan een proefschrift over twee Egyptische moslimfilosofen realiseerde hij zich dat kennis door vriendschap en kennis door studie elkaar zeer vruchtbaar aanvullen. 'Ik heb geprobeerd te leren nadenken samen met moslims, tot begrip te komen met empathie én met kritische vriendschap' (ned. p.34 en p.129, 2e helft; frs.: p.28 en p.116 onder – 117 boven).

 

 

3.       Overzicht van het boek

 

In het eerste doel van het boek, dat samenvalt met hoofdstuk 1, beschrijft Christiaan de étappes van zijn verkenningstocht, zijn groeiende ervaring in de ontmoeting met de islam in Caïro, en zijn kortstondige ervaringen in Algerije en Indonesië (ned. p.25-83; frs.: p.17-73).

 

In het tweede deel, de hoofdstukken 2 tot en met 5, beschrijft hij nauwgezet wat hij in de 42 jaar van zijn wonen in Caïro heeft geleerd over wat er allemaal bij komt kijken als moslims en christenen samenleven. Dit is een nauwkeurige handreiking (ned. p.88-202; frs. p.77-182).

 

Allereerst gaat hij in op de rol die het historisch en maatschappelijk kader spelen als christenen en moslims met elkaar trachten op te trekken. Hun en onze blik worden meebepaald door politieke gebeurtenissen. Het betreft hier hoofdstuk 2.

 

Vervolgens wijdt hij uitvoerige beschouwingen aan dialoog en ontmoeting, in hoofdstuk 3.

 Hij raadt dringend aan: ‘Begin met de “dialogue de la vie”, de dialoog van het gewone leven. Deze is vaak impliciet […] wanneer mensen naar elkaar luisteren, hun vooroordelen overstijgen en samen iets aanpakken (ned. p.105, frs. p.94).

Al samenwerkend komen we tot een “dialogue de l’action”, een samen zoeken wat er nodig is voor het ontwikkelen en verder opbouwen van de eigen stad, voor de verdediging van de rechten van de mens, etc.’ (ibid.).

‘Waar de ontmoeting persoonlijk wordt, en de dimensie van het geloof gaat omvatten, kan de dialoog de gestalte krijgen van een uitwisseling van religieuze ervaring en van geestelijk leven, en zo tot een verdieping van onze ontmoeting in God leiden’ (ibid.).

Pas op de laatste plaats besteedt Christiaan aandacht aan de mogelijkheid dat er onder strikte voorwaarden een naar elkaar luisteren ontstaat wat betreft geloofsleer (ned. p.105-106; frs. ibid.).

 

Christiaan laat het – althans in de westerse wereld – zeer in zwang zijnde woord ‘dialoog’ voorafgaan door een ander woord: ‘ontmoeting’. Hij omschrijft dit begrip als volgt:

‘De ontmoeting vertegenwoordigt iedere betrekking tussen personen – en ook tussen gemeenschappen – waarin zij niet elk op de eigen plaats blijven staan, maar waarin zij naar elkaar toe bewegen, een betrekking waarin er iets gebeurt, iets zich realiseert. […] In een ontmoeting geeft de ene persoon in zijn leven ruimte aan de andere persoon, en begint die te ontdekken. Dikwijls begint dit met de ontdekking “wat weet ik weinig over die andere persoon, terwijl ik soms al jaren met die ander te maken heb!” De schok die deze ontdekking teweegbrengt zal dan het begin zijn van een ontmoeting, van een werkelijke belangstelling voor de ander’ (ned. p.118; frs. p.106-107).

Groepen komen nog moeilijker in beweging naar elkaar dan personen. Er is soms een schok, een crisis nodig voordat zij daartoe komen. En er zijn voorlopers nodig die dit stimuleren (ned. p.119; frs. p.107).

Een authentieke dialoog is vrucht van een ontmoeting. ‘De dialoog is een ontmoeting die zich woorden schept. Een dialoog die niet stoelt op een ontmoeting, hoe simpel ook, wordt een woordenspel, puur woorden die niets zeggen’ (ibid.).

 

In het Midden-Oosten zijn de meeste christenen en moslims content met een goede vorm van samenleven en samenwerken zonder dialoog. Zij beschouwen de dialoog als een importartikel uit het Westen. ‘Wat is hun motivatie ermee? Toen zij hier in het koloniale tijdperk de macht hadden, kwamen zij nooit met de mogelijkheid van dialoog op de proppen’ (ned. p.120; frs. p.108).

En over de dialoog in de westerse landen tussen moslims en christenen schrijft hij: ‘het is nodig dat degenen die er met elkaar in gesprek gaan, over dezelfde mogelijkheden en capaciteiten beschikken om zich uit te drukken. Zonder dat zal de relatie blokkeren of onechte trekken krijgen […]’ (ned. p. 121; frs. p.109).

 

Hoofdstuk 4 is specifiek gewijd aan: elkaar ontmoeten in God. Daartegenover maakt Christiaan in het 5e hoofdstuk, het laatste, duidelijk dat alle facetten, die hij heeft beschreven van de ontmoeting tussen moslims en christenen, maatschappelijk relevant moeten zijn. 'Deze ontmoeting is geen abstract gebeuren. Het is een ontmoeting van personen die deel uitmaken van de samenleving […] Dit leven in de maatschappij vormt de achtergrond, het concrete kader en de basis van heel dit discours over de ontmoeting. Dáárin mondt heel dit gebeuren uit. […] De grote uitdaging waar we voor staan, is te achterhalen hoe christenen en moslims het klaar kunnen spelen om – in waarachtige en oprechte samenwerking met anderen – ten dienste te staan van de opbouw van de menselijke gemeenschap, zowel nationaal als internationaal' (ned. p.179; frs.: 161; Christiaan wees hier al eerder op, o.a. op p.105 resp. p.94).

 

Na de delen 1 en 2 van het boek volgt de slotbeschouwing.

 

Hierboven gaf ik een overzicht van de inhoud van Christiaans boek. Ik zou er nog zoveel meer van willen vertellen. Maar daarvoor verwijs ik naar de websitenotitie: Chrétiens et musulmans frères devant Dieu.

 

Christiaan is niet naïef. Hij onderkent het gevaar dat mensen aan hun godsdienst – welke dan ook – argumenten kunnen ontlenen voor acties die de vrede op nationaal en internationaal niveau in gevaar brengen. Echter, dat hij zich dit bewust is, merk je slechts hier en daar in een korte opmerking. Hij schrijft zijn boek niet om ons te waarschuwen voor elkaar, maar om positieve mogelijkheden aan te wijzen om tot een opbouwende samenwerking te komen.

 

 

4.       Oordeel van een bevriende moslim over Christiaans boek

 

Zeinab El Khodeiry, hoogleraar middeleeuwse filosofie aan de universiteit van Caïro schrijft in het boek een nawoord. Ik citeer hieruit:

‘Dit is het eerste boek dat een tastbare ervaring met ontmoeting en dialoog met de ander beschrijft, en dat erin slaagt verder te komen dan voorafgaande pogingen die theoretische verhandelingen presenteerden. […] 

Dankzij zijn voortdurende en oprechte inspanningen, dankzij zijn openheid van geest, verwerft pater Christiaan een diepgaande kennis van de islam, van zijn denken, en van zijn leerlingen. Deze kennis overstijgt die van veel moslim-geleerden. Hij slaagt erin de problemen van de islam uit te leggen en de stellingname ervan ten aanzien van het christelijke Westen te rechtvaardigen. Hij corrigeert het valse beeld dat het Westen heeft van de islam, een beeld waar haar media een grote verantwoordelijkheid voor dragen. […]

Zijn voortdurende ontmoeting met de moslims, vooral in Egypte, voor wie hij een diepe liefde koestert, en van wie hij zich beschouwt als een van hun geadopteerde zonen, inspireert hem tot een nieuwe filosofie, die van de ontmoeting die de waarachtige dialoog bevordert. […]

Zonder de inspanningen die moslims zich getroost hebben, en zonder de stappen die zij hebben gezet in antwoord op de uitnodiging die Pater Christiaan tot hen richtte, zou hijzelf er niet in geslaagd zijn een dergelijke filosofie te ontwikkelen, een dergelijk project, een dergelijke hoop. Maar het is God en Hij alleen, die heeft gewild en die heeft bewerkt dat de verschillende mensen elkaar gezamenlijk ontmoeten om te bouwen aan een beter leven’ […] (ned.: p. 203-206, frs.: p.183-186).

 

 

5.       Wat doen de Nederlandse jezuïeten c.s. met dit boek?

 

Veel van wat er in Nederland wordt geschreven en gesproken over de (gevaren van) de islam verhoogt de angst en vergroot de afstand. Welke groep is beter in staat publiekelijk tot een vruchtbaarder stellingname te komen dan de Nederlandse Jezuïeten? Welke groep heeft het voorrecht dat rond de tien leden al veertig jaar juist in het kruidvat van het Nabije Oosten ervaring opdoen in het contact leggen met de wereld van de islam? En wel zeer bekwame en inspirerende leden! Daar komt nog bij dat degene die momenteel de Nederlandse Jezuïeten leidt, jaren in het moslimland Indonesië heeft gewerkt. Ik ben niet goed op de hoogte van wat er op dit gebied allemaal door Nederlandse Jezuïeten gedaan wordt. Ik weet niet op welke manier de in Nederland werkende jezuïeten contact hebben met medebroeders in het Nabije Oosten over wat er zich ten aanzien van moslims in Nederland afspeelt. Ik weet alleen dat vrijwel geen groep zulke eminente ervaringsverhalen tot zijn beschikking heeft. Er zijn ook ex-jezuïeten met ervaringen met moslims. 

--------------------------

Driebergen, 10 oktober 2006 / 27 april 2007



[1]     Les Éditions de l’Atelier / Les Éditions Ouvrières, Parijs, ISBN 2-7082-3654-7.

[2]     Uitgeverij Altiora, Averbode, ISBN 90-317-2229-4.

[3]     Ik citeer in deze boekbespreking vanuit een eigen vertaling die ik twee jaar geleden van een aantal belangrijke passages maakte. Maar ik verwijs telkens naar de betreffende bladzijden in zowel de officiële Nederlandse vertaling van Felix als de oorspronkelijke Franse editie.

[4]     Onthullend voor de achtergrond van dit beleid van Trouw is het interview met de hoofdredacteur van de Trouw-katern 'Letter en Geest', Jaffe Vink, in Roodkoper, mei 2005, p.16-19.

[5]     Genoemd WRR-rapport is eenvoudig te vinden en te downloaden: www.wrr.nl. Het telt 203 bladzijden.