Uitvaart
P. Beijerbergen van Henegouwen Luc. 5:1-11
Berchmanianum,
20 februari 2013 Pred.12:1-7
De
twee lezingen die we zojuist hebben gehoord zijn naar mijn gevoel de polen waartussen
zich het lange leven heeft afgespeeld van Piet Beijerbergen van Henegouwen,
pater Piet, zoals hij door velen werd genoemd.
Enerzijds
de evangelielezing over de roeping van zijn naamgenoot de apostel Petrus en
anderzijds de beperkingen van de ouderdom, zoals de Prediker dat beschrijft.
Wij
in het Berchmanianum hebben vooral de situatie van de oude pater Piet
meegemaakt. Hij had de smaak voor eten en drinken weliswaar nog niet verloren,
maar verder had de wereld hem niet veel meer te bieden en verlangde hij steeds
meer naar de dood.
Maar
de meeste van u hebben pater Piet goed gekend in zijn actieve jaren, als
apostel die dag en nacht zwoegde en door de genade Gods een echte mensenvisser
is geweest.
Zijn
apostolaat speelde zich vooral af in Amsterdam, de stad waar hij ook geboren
is.
Hij
ging er trots op dat zoveel Nederlandse jezuļeten uit Amsterdam afkomstig
waren, wat hij toeschreef aan een specifiek gelovig accent in katholiek
Amsterdam.
Zijn
hele leven heeft hij ook iets gehouden van een Amsterdamse straatjongen:
brutaal, zonder blad voor zijn mond, plagend, zonder aanzien des persoons en
voor niets en niemand bang. Daar heeft hij zeker in Amsterdam veel vrienden mee
gemaakt. Maar er waren natuurlijk ook mensen die zijn directe en dominerende optreden
niet zo konden waarderen. Toch geloof ik niet dat hij er vijanden mee maakte;
daarvoor was hij te authentiek, te sportief, te eerlijk en te zeer verknocht
aan de goede zaak.
Hij
werd geroepen om mensenvisser te zijn.
Hij
heeft vooral op drie plaatsen zijn netten uitgeworpen: op het Ignatiuscollege,
in
het Onze Lieve Vrouwe Gasthuis en in de parochies van de Zaaier en de
Verrijzenis.
Op
het Ignatiuscollege was hij prefect, een man voor wie de leerlingen ontzag
hadden, iemand die zonder een enkel woord te spreken de hele cour stil kon
krijgen. Tegelijkertijd stond hij midden tussen de leerlingen en was hij een
enthousiast moderator van verscheidene sportclubs.
Hij
wilde bij zijn intrede zei hij eens in een interview met de KRO meer pater
dan priester worden. Dat was hij misschien op het college, maar in de parochie
en in het ziekenhuis was hij toch vooral priester.
In
het OLVG was hij zowel troost en bemoediging voor de patiėnten als vraagbaak en
vertrouwensman voor dokters en verplegend personeel.
In
de parochies was hij een echte pastoor, een zielenherder en organisator.
Drie
verschillende werkplekken, maar alle drie denken met dankbaarheid aan zijn
aanwezigheid onder hen terug. Niet op de eerste plaats om wat hij heeft gedaan,
maar om de persoonlijkheid die hij was.
Hij
was ook een geweldige medebroeder. De Nederlandse jezuļeten hebben veel aan hem
te danken.
Onwillekeurig
denk ik dan aan het spannende verhaal dat hij graag vertelde over hoe hij op
het einde van de oorlog het bezette Canisius College in Nijmegen practisch in
zijn eentje terugveroverde voor de Orde.
Maar
het zijn niet de spectaculaire daden, het is vooral zijn nuchtere,
relativerende aanwezigheid geweest, die weldadig werkte, b.v. in de
oververhitte communauteit van het Ignatius College in Amsterdam, waar hij lange
tijd superior is geweest. Temidden van extreme polarisatie en tussen paters met
een veel te groot ego hield hij de mensen bij elkaar, zonder daar veel anders
voor te hoeven doen dan het gezond verstand te vertegenwoordigen.
Hij
was ook een goed religieus. Iedere dag volgde hij in deze kapel de Eucharistie-
viering om 11.00 uur. En hij bleef na de Mis in zijn wagentje rustig bidden,
alleen in de kapel, totdat de tijd van het aperitief aanbrak en hij zich, met steeds
grotere inspanning, naar de aula kon begeven.
Het
was voor deze krachtige, sportieve, sterke man een hard gelag toen hij negen
jaar geleden moest verhuizen naar het Berchmanianum. Nog meer kostte het hem
moeite zijn mobiliteit te verliezen, eerst zijn auto, en tenslotte moest hij
zich, weliswaar na lang verzet, er bij neerleggen dat hij zich alleen nog maar
per rolstoel kon voortbewegen; maar dat deed hij zo veel mogelijk op eigen
kracht. Hij was knap jaloers op zijn oudere broer die nog met een zeilboot de
zee op ging.
Bijna
een eeuw heeft De Beijer, zoals wij hem noemden, op aarde geleefd.
Hij
heeft ten volle geleefd. Zolang zijn krachten het toelieten heeft hij maximaal
gewoekerd met de talenten die hij van de Schepper ontvangen had om van de wereld
een goede plaats te maken. En toen zijn krachten het niet meer toelieten heeft
hij aanvaard dat het stof terugkeert naar de aarde waar het vandaan komt,
in
vertrouwen dat de levensgeest naar God gaat die hem schonk.
Hij
is een inspirerend voorbeeld geweest van hoe een mens het leven in zijn volle
omvang tot het einde toe kan leven.
We
mogen erop vertrouwen dat de Heer nu tot Piet zal zeggen:
Uitstekend,
goede dienaar,
je
hebt zorg gedragen voor wat je was toevertrouwd,
treed
binnen in de vreugde van uw Heer.