In Memoriam Anton Helt
( door Jaap van Eekelen, uitgesproken in de uitvaartdienst, kort voor de Absoute)
'Zoals Anton, hadden we er maar één', zei Fried Pijnenborg vanmorgen. We laten hem nu dan ook niet zomaar gaan. Er valt nog veel over hem te gedenken.
Als ik aan Anton dacht, verdween mijn stress. Voordat Anton in 2002 ernstig gehandicapt raakte, was dit voor mij een probaat middel: riep mijn werk veel spanning in mij op, dan ging ik in mijn fantasie naar Anton, en de spanning vloeide weg. Hoe kwam dit? Wat had Anton dat op mij, en ik vermoed op velen, zo'n weldadige uitwerking had? Dat is – gelukkig – niet te pakken, maar ik kan wel wát aanwijzen.
In het team waarin wij in Rotterdam-Ommoord werkten, was Anton degene die het leven vierde. Hij werkte hard, maar leek het nooit druk te hebben. Te midden van al die introverte en ingetogen jezuïeten, waarvan ook ik er een was, was Anton extravert en expressief. Als kind thuis de priester naspelen die de Mis opdraagt, met zijn zus Tees als misdienaar. Op de middelbare school toneel spelen. In de zesde klas een kerstspel van Felix Timmermans met Anton in de hoofdrol: de zwerver Pitje Vogel, gekleed in een lang hemd tot over zijn knieën. De vijfde klasser Huub Oosterhuis als regisseur. Met dit stuk in december buurthuizen af en de jeugdgevangenis. Cabaret tijdens onze opleidingsjaren, en zijn hele leven vaak bij feesten een lied maken.
Als kind graag naar de hoogmis om voluit mee te zingen. De muziek vergezelde hem zijn leven lang, hij luisterde er graag naar, en hij musiceerde graag. Liefst als lid van een klein ensemble. Blokfluit. Toen Anton vierde dat hij 50 jaar jezuïet was, zei hij in de overweging: 'die eerste zware jaren in de orde, met die kilte en afstandelijkheid, dat hele systeem: ik ben er door gekomen, vooral dankzij humor en zingen.'
Zijn extravertheid ging niet zomaar de ruimte in, maar was gericht op mensen. Als Anton onder de mensen was, was hij vitaal. Liefst onder mensen van allerlei soort. Hij genoot dat hij hier in dit huis niet alleen met Jezuïeten, maar ook met Dominicanen, Oblaten van Maria en anderen samenwoonde. Hij was voor mij en anderen een gids die vóórleefde dat God zich niet vinden laat, tenzij wij ons openen voor onze naasten. Werkte hij bevrijdend omdat iedere verkrampte spiritualiteit hem vreemd was?
Dat Anton een mensenmens was, bracht met zich mee dat samenwerken hem in het bloed zat. Met collega's van andere kerken, maar ook met mensen uit andere disciplines. Al van zijn ouders, van Fons en Mies, had Anton een vanzelfsprekende liefde voor de oecumene meegekregen. Als voorganger van de Maastrichtse City-kerk bracht dit hem in moeilijkheden. Zij hadden daar – net als in Rotterdam-Ommoord en op veel andere plaatsen - de gewoonte om ook met niet-katholieken Brood en Wijn te delen. Dit leidde tot een actie van bisschop Gijsen, die tot in Rome ageerde dat Anton uit het priesterambt gezet moest worden. En dit terwijl Anton bepaald niet voorop liep in het aangaan van conflicten. Zijn kracht lag eerder in het bewerken van verzoening dan in het aangaan van strijd. Maar op belangrijke punten zoals de oecumene schipperde hij niet en was hij onwrikbaar.
Anton was een bruggenbouwer, geen stoottroeper. Hij had een bijzondere durf om het gesprek aan te gaan met tegenstanders. Als het beleid van de katholieke gemeenschap van Ommoord verontwaardiging opriep in aangrenzende wat oudere wijken, dan stuurden we Anton naar hen toe. Een keer, in Capelle aan de IJssel, werd hij met gejoel ontvangen en ging hij aan het eind van de avond onder applaus weg.
Anton was een mensenmens, maar ook een vrouwenmens. Zijn moeder Mies, zijn zus Tees, zijn vriendinnen Anna Hogeling en Olga Dieris – helaas jaren geleden overleden – en de vrouwen die op de verdieping hierboven voor hem zorgden: jullie hebben allen veel voor Anton betekend. Hij sprak vaak over jullie.
Anton was, net als zijn ouders, vroom. Van de zogenaamde 'mouvement' haalde hij in zijn speech toen hij vijftig jaar jezuïet was, één aspect naar voren: het samen bidden. Maar zijn vroomheid had een karakter dat je ook bij joden aantreft: lezen en feestvieren waren voor hem belangrijke gestalten van gebed. Pas toen hij gekluisterd was aan zijn rolstoel sprak hij vaker over de steun die bidden hem gaf. Met Anna Hogeling,, bad en zong hij de afgelopen jaren elke avond met hulp van de telefoon. En hij schreef een keer:
Mijn rolstoel is geen meter breed
en voelt soms als een cel.
Maar ik ben blij, goed in mijn vel,
zo staat het paradijs gereed.
Ik droom van wandlen, buitenlucht,
vriendinnen, vrienden zonder tal
….
Maar ook stilte roept het op
dat leven met mijn stoel.
En soms zoek ik het hogerop
of dieper juist, 't is God die ik bedoel.
Hij is mijn steun, wordt meer mijn vriend,
ik proef zijn aangezicht;
soms is het duister, dan weer licht,
heb ik hem goed gediend?
'Ik droom van wandlen, buitenlucht': tot verbazing van zijn vrienden was Anton vroeger als we een dag wandelden, onvermoeibaar, terwijl hij de rest van de week elke dag klaagde over zijn gezondheid. Het klagen van Anton over zijn gezondheid was een van zijn karakteristieke trekken. Op een feest maakten we als vrienden een lied voor hem: 'Antoni, dat de Heer u zegen'. De laatste regel luidde:
't Ga je goed, klaag nog eens wat:
dat houdt je op 't gezonde pad.
Maar merkwaardig: de laatste zes jaar nam zijn klagen over zijn gezondheid af. Terwijl er nu toch meer reden voor was.
Met zijn expressiviteit liep het deze laatste jaren wel eens uit de hand. Hij was soms niet te stuiten. Als gevolg van de zes weken coma in 2002 had hij een kleine hersenbeschadiging waardoor hij zijn situatie niet goed meer kon inschatten. Dit vroeg van huisgenoten en vrienden wat extra zorg. Anton was ontroerd en dankbaar als je hem in een goed gesprek duidelijk maakte waar de grenzen lagen van zijn talent en van zijn taak in de communauteit.
Waarom raakte ik al ontspannen als ik aan Anton dacht? Ik noem nog: Anton had een talent om gelukkig te zijn, ook in deze laatste jaren. Hij was dankbaar dat in 2002 de artsen hebben doorgezet en hem na zes weken uit de coma kregen. De extra zes jaar die hij daardoor kreeg, moest hij vaak vechten, maar hij zei ook herhaaldelijk dat ze tot de gelukkigste van zijn leven hoorden. Misschien was dit talent om in alle omstandigheden zo te knokken dat hij gelukkig werd, zijn bijzonderste eigenschap, die alles wat ik vertelde, samenvat.
Dan kunnen we Anton niet beter gedenken dan door juist vandaag de vreugde van het leven te vieren.
7 februari 2009
Jaap van Eekelen