Bert Sweerts: Bij de uitvaart van Anton Helt, 7 februari 2009
Bij belangrijke gebeurtenissen stuurde ik Anton wel eens een brief. Zo toen hij mij uitnodigde aanwezig te zijn bij zijn afscheid, in 1998, van het verpleeghuis Antonius waar hij zestien jaar had gewerkt. Anderhalf jaar geleden had Anton deze brief weer opgediept en ik merkte hoezeer deze ervaring hem nog steeds aangreep.
Utrecht, 26 april 1998
Beste Anton,
Je vertrek brengt mij tot een moment van bezinning.
Evangelische, bijbelse, élke gelovige inspiratie is gefährdet, wat ik zou willen omschrijven als structureel met vernietiging bedreigd, zodra die onder de noemer religie onderdeel is van een organisatie met een eigen doel, zoals bijvoorbeeld bij de KVV (Katholieke Verplegings- en Verzorgingsinstellingen) het geval is.
Mogelijk wordt de religie misbruikt om te verhullen dat de organisatie er niet in slaagt de eigen doelstelling te realiseren. Mogelijk moet de religie zich voegen naar wat de organisatie, terecht, als haar hoofddoelstelling ziet. Is een harmonieus samengaan van gelovige inspiratie en op levensbeschouwelijke grondslag gevestigde instituties om die redenen al erg onwaarschijnlijk, welhaast onmogelijk wordt het als gelovige inspiratie ook nog eens wordt geïdentificeerd met en daardoor versmald tot religie, voor welk onderdeel de leiding van de organisatie mensen op de loonrol heeft staan.
Binnen zo'n krachtenveld werd jij zestien jaar geleden aangesteld als iemand voor de sector religie. Je koos echter niet de religie maar de inspiratie als vertrekpunt voor je werk. Daarmee trad je voortdurend en principieel buiten de bedding die anderen je toegedacht hadden (liever Anton dan pastor), maar wilde je als dat kon eigenlijk ook niet terugvallen op die reële hoewel zeer beperkte machtsbasis (liever pastor dan hoofd Dienst geestelijke verzorging).
Die opstelling heeft je werk mogelijk en tegelijk je functie onmogelijk gemaakt. Hij was de bron van je vreugde en de oorzaak van je diepe teleurstelling. Ik weet niet of je mijn diagnose deelt en zo ja, of dat alles je zestien jaar geleden ook zo helder voor de geest stond. Als dat het geval is, waarom dan teleurgesteld? Je had het immers kunnen weten. Dat mag dan zo zijn, maar een mens blijft verlangen naar de laatste dag.
Iedereen die inspiratie centraal stelt, weet dat-ie er wel op is aangewezen, maar er niet over kan beschikken. Het is een vlammetje dat zuurstof nodig heeft, en die produceer je niet zelf. Inspiratie kun je niet organiseren. Je treft hem aan, onverwacht, je vindt hem, ongezocht, je zoekt hem, onbewust. En welke namen mensen er ook aan mogen geven, inspiratie wordt altijd herkend. Inspiratie is niet iets verhevens of esotherisch, maar maakt mensen tot meer mens, voor zichzelf en voor anderen.
Antonius zal je dankbaar zijn voor je inzet of zich op z’n minst dankbaar tonen. Gemeend of niet, ze hebben geen idee van wat die periode in Antonius heeft betekend. Jij zelf niet eens. Maar je zult heel veel momenten voor je zien: met nabestaanden, verpleegkundigen, directieleden, stervenden, collega's. De momenten die je goed deden en ontroerden, daar gebeurde het. Dat is nooit meer ongedaan te maken.