Jan Hermans
* 7 juni 1923 + 28 maart 2006
echtgenoot van Lies van Dooremaal,
eerder van Milly Jordans ( + 1991 ),
van 1942 tot 1969 lid van de orde der
jezuďeten.
-
mild,
warmhartig, blijmoedig -
Met deze foto, genomen op 27 oktober
2005, wil Lies van Dooremaal iedereen, die hen in deze maanden steunde, -mede
namens Jan - bedanken voor al het warme medeleven in welke vorm dan ook
ontvangen.
Sub finem
En nu nog maar alleen
het lichaam los te laten-
de liefste en de kinderen te laten gaan
alleen nog maar het sterke licht
het rode, zuivere van de late zon
te zien, te volgen – en de eigen weg te gaan.
Het werd, het was, het is gedaan.
M.Vasalis
Overdenking
bij het afscheid van Jan Hermans op zaterdag 1 april 2006 in De Rode Hoed in
Amsterdam door Huub Oosterhuis
Hij werd geboren in Bandoeng
op 7 juni 1923, in een andere wereld dan die van vandaag. Hij is gestorven op
28 maart 2006, midden in de wereld van vandaag. Precies vier maanden na wat hij
zijn ‘doodvonnis’ noemde. ‘Je
huilt even’, schreef hij aan zijn vrienden,
‘verstandelijk neem je de boodschap aan en weet je wat het betekent; maar echt
beseffen doe je het niet, daarvoor is het te groot. Toch is het natuurlijk de
bevestiging van een doodvonnis’.
Hij heeft nog vaak
gehuild, kort, emotioneel, overweldigd door het veel
te grote. Gehuild, als een man. En heeft zich ook afgevraagd: wat is dat,
doodgaan? Wat gebeurt er dan? Verdwijn je spoorloos. Dat kon hij niet geloven.
Waarom niet? Om de liefde niet. Liefde is sterker dan de dood – opperde hij.
Wie is God? Hij kende alle antwoorden: van ‘God bestaat niet’, ‘God is dood’,
‘God is de projectie van een angstig kind’, tot ‘God is liefde’, ‘God is
vriend’, ‘God is Ik zal er zijn'. En hij kende alle
vragen. In een bewogen, voor hem zelf onverwacht bewogen leven, heeft hij ze
allemaal gesteld; wat is dat, leven? Hoe moet je dat doen – wat moet ík doen,
nú?
Voor de camera’s van de
wereldpers moest hij, in de laatste dagen van maart en de eerste van april
1969, als provinciaal overste van de Nederlandse Jezuďeten, die vraag
beantwoorden, in een hoog oplaaiend roomskatholiek kerkelijk conflict – en hij
deed dat met groot respect voor de katholieke kerk čn met voorbeeldige trouw
aan zijn opstandige vrienden – ik was een van die vrienden. En nóg enkele keren
in zijn leven moest hij zich afvragen hoe het nu verder moest; of er nog leven
was na een priesterleven van vele jaren, met zoveel toewijding en talent
geleefd; en na zijn huwelijk met Milly Jordans, toen zij stierf in 1991.
Er wŕs nog leven.
Gelukkige jaren midden in de wereld, met nieuwe mensen, en met oude vertrouwde
vrienden, velen. Midden in de wereld van vandaag lag hij te sterven – hij had
nog vijf dagen, maar wist dat niet. Niemand wist hoe lang nog. Het is de avond
van 22 maart. Hij zegt: Het is op, maar gisteren was het erger. Ik zeg, om mijn
verlegenheid te doorbreken: Vandaag is de wereld er iets beter aan toe dan
gisteren, want in Wageningen hebben ze besloten de uitgeprocedeerde
asielzoekers niet op straat te zetten, maar een onderdak te geven en een beetje
geld, en werk, in de hoop dat er in 2007 een nieuwe lente waait en alsnog een
generaal pardon wordt gegeven. Zijn ogen schitteren. Dat is goed nieuws, zegt
hij, dus toch! Hij heeft heel zijn leven zoveel zorg aan mensen besteed. Hij
kon zich nog in zijn laatste dagen inleven in nietige, weerloze mensen. Ik
sterf niet eenzaam, zei hij en ik lig in een bed.
Die inleving is hem niet
aangewaaid - ‘die
heb ik geleerd van de Jezuďeten’, wist hij, ‘in jaren van spirituele vorming’.
En later steeds meer direct van het Jezusverhaal, het evangelie, die zo hoogste
actuele uitleg van het joodse bijbelse visioen: van een wereld in gerechtigheid
en vrede. Zijn tekst, zijn levens-tekst, vond hij in het evangelie van
Mattheus: “Ik zeg jullie” – dat moest in zijn uur van afscheid en uitvaart
gelezen worden.
Wanneer
de mensenzoon komt, omstraald door luister en met alle engelen, zal hij
plaatsnemen op zijn glorierijke troon.
Dit wordt aan Jezus in de mond gelegd in het evangelie van Mattheus, en die
mensenzoon is hij dan zelf.
Dan zullen alle volken voor hem worden
samengebracht en zal hij de mensen van elkaar scheiden zoals een herder de
schapen van de bokken scheidt; de schapen rechts, de bokken links. Dan
zal hij tegen die aan zijn rechterhand zeggen: “Jullie zijn door mijn Vader
gezegend, kom en deel in het koninkrijk dat al sinds de grondvesting van de
wereld voor jullie bestemd is want ik had honger en jullie gaven mij te eten,
ik had dorst en jullie gaven mij te drinken. Ik was een vreemdeling, en jullie
namen mij op, ik was naakt, en jullie kleedden mij. Ik was ziek en jullie
bezochten mij, ik zat gevangen en jullie kwamen naar mij toe.” Dan zullen zij
antwoorden: “Heer, wanneer hebben wij u hongerig gezien en te eten gegeven, of
dorstig en u te drinken gegeven? Wanneer hebben wij u als vreemdeling gezien en
opgenomen, u naakt gezien en gekleed? Wanneer hebben wij gezien dat u ziek was
of in de gevangenis zat en zijn we naar u toe gekomen?” En
hij zal hun antwoorden: “Ik zeg je: alles wat je gedaan hebt aan een van de
nietigste van mijn broeders of zusters, dat heb je aan mij gedaan”.
Hij wist, hij heeft
leren weten, wie de plaatsbekleders zijn van Jezus op aarde.
Op 27 oktober 2005 zag
hij er nog zo stralend uit, met de dood al in zijn lichaam, weten we nu.
Gelezen
heb ik wat geschreven staat:
Een
mens leeft korte tijd en vol ellende –
vergeefs
is alles en de dood is god.
Die
komt en gaat, houdt huis naar hem belieft,
treitert
ons, maakt ons gek van angst en woede,
neemt
kinderen, slaat geliefden uit elkaar
wint
elke oorlog – dood, langzame sloop
dief
in de nacht, dood, uitkomst ongerijmd,
welkome
dood, bekende onbekende.
Daar gaat de hele
wereldliteratuur over, de bijbel incluis
Gelezen
heb ik wat geschreven staat,
mij
toevertrouwd aan onbewezen woorden:
Gij
laat mijn ziel niet aan het dodenrijk
niet
voor de afgrond hebt Gij ons gemaakt.
Geschreven staat uw Naam: Ik zal er zijn.
In een van haar e-mails
aan ‘de vrienden’ schreef Lies: “Ik verdraag voor Jan
de gedachte niet dat hij eindigt met zijn dood. Ik wil hem alleen afgeven als
hij wordt opgevangen door nog veel meer liefde dan ik hem te bieden heb. Hoe
ongerijmd dit ook is.”
Ja ongerijmd! Mocht het
waar zijn. Wat onze harten, onrustig, verward, niet kunnen nalaten te hopen:
dat het heelal niet leeg is, dat ‘iemand’ ons ziet en hoort, Mocht het waar
zijn! Is dat de vertwijfelde uitroep van iemand die er niet in geloven kan?
Nee, het is de verzuchting van iemand die het niet kan laten te
hopen, dat wáár zal zijn wat hij nauwelijks geloven kan”.
Ik kan het niet nalaten
te hopen. Mijn geloven is hopen geworden, zei hij / schreef hij zijn vrienden.
Hopen met een zilver randje van vertrouwen. Amen.