Overweging bij de uitvaart van

 

Clemens Ludger Brenninkmeijer S.J.

 

door Gregory Brenninkmeijer S.J.

 

Nijmegen, 25 maart 2006

 

Het is een intrigerend evangelie, dat we vanmorgen, bij de uitvaart van Clemens Brenninkmeijer, overwegen. Het gaat over knechten, over dienaren, over een heer die allerlei diensten vraagt van zijn dienaren: De lampen brandend houden, wachten en klaar staan, alles in orde hebben om de terugkeer van de heer goed te laten verlopen. Natuurlijk moeten ze er voor zorgen dat er niet wordt ingebroken in het huis van hun heer. En dat alles ook al kunnen ze er geen peil op trekken hoelang dat wachten, dat klaarstaan, dat waken duren zal. Ze zijn puur voorwaardenscheppend bezig. Ze scheppen de voorwaarden voor een voorspoedige terugkeer van hun heer.

 

Jezus vertelt dit verhaal, deze parabel, aan de leerlingen, terwijl er nog een massa volk achter hen aan loopt. En Petrus, die goed geluisterd heeft, komt met zijn onrustige vraag: Bedoelt U met die dienaren alleen ons, of bedoelt U eigenlijk iedereen? Schijnbaar ontwijkend, maar in feite zeer duidelijk antwoordt Jezus: Ik bedoel dat alleen hij rentmeester wordt, die het werkelijk doet. Niet hij die het wel een mooie gedachte vindt, en ook niet hij, die diepzinnig over dat klaarstaan weet te praten, maar hij of zij die werkelijk klaar staat en zorgt dat alle voorwaarden geschapen worden dat de heer kan doen wat hem voor ogen staat. En wij, die hier vandaag bij elkaar zijn, wij weten dat de heer in Clemens zo een rentmeester gevonden heeft.

 

Het had ook heel anders kunnen gaan in het leven van Clemens. Velen hadden het zich ook anders voorgesteld, inclusief hijzelf. Een loopbaan binnen het onderwijs, dat hartstuk van het societeitsapostolaat, lag voor de hand en wie weet wat er nóg op hem af zou komen. Het trok Clemens ook, want jonge mensen trokken hem. Hij bereidde zich er degelijk op voor via zijn studie duitse taal en letterkunde. Maar op het college heeft hij het nooit verder gebracht dan misdienaarspater. Het zou allemaal anders lopen. Drie herniaoperaties en veel revalidatie later kwam hij als assistent van de provincieeconoom naar Den Haag. Clemens heeft heel die periode van ziekte en pijn, van in duigen vallende dromen doorworsteld in een wolk van niet-weten. En toen die funktie op het economaat zich aandiende, niet omdat hij zo geschikt was, maar omdat hij dat fysiek nog wel aan zou kunnen, toen stapte hij daar binnen in zwakte, niet in kracht. Zelden heeft hij zich later in zijn leven zozeer geleid gevoeld, geroepen, als naar die niet-gezochte opdracht. Het duurde ook niet lang of hij merkte dat hij op een histories moment voor de provincie de juiste man op de juiste plaats was. Niet dat hij de visies ontwikkelde, die onze provincie richting konden wijzen in de gigantische veranderingen die over ons allen heen kwamen. Dat was zijn taak ook niet. Zijn taak was het om de visies van anderen mogelijk te maken. Voorwaardenscheppend, in dienst van ieder die ‘n volgende stap waagde op het verraderlijke drijfzand van de 60-er en 70-er jaren. De concentratie van theologische en filosofische faculteiten in de randstad bedenken is één ding. Ze daarna ook werkelijk mogelijk maken is ‘n tweede. En dat was maar één van de grote klussen die
hij op te knappen kreeg. Grote problemen kwamen op hem af, waarvoor de oplossingen nooit vanzelf kwamen. ‘Oplossingen’, zei Clemens vaak, ‘moeten met harde arbeid en veel transpiratie bewerkt worden.’ Die had hij er graag voor over, als de mensen in het veld maar verder konden. En niet alleen grote werken, ook persoonlijke initiatieven van medebroeders, konden op zijn belangstellende steun rekenen. Of hij nu paarden moest kopen voor de invalieden-manége van Gerard Vervoort, óf patenten veilig stellen voor de hete-lucht-motor van Cor Hubers, hij deed het allemaal om het werk van zijn medebroeders mogelijk te maken. Als wij als medebroeders vandaag afscheid nemen van Clemens dan treuren we, omdat we ons allen in de loop van zijn 25 jaar als econoom door hem gezien, gewaardeerd, gedragen en gesteund hebben geweten. Clemens is in onze provincie niet alleen ‘n groot man om wat hij heeft gepresteerd. Hij is een geliefd man. Zwaar en teleurstellend was het voor Clemens als hij zag, dat moeizaam van de grond getilde initiatieven toch niet levensvatbaar bleken of door de loop der dingen werden ingehaald. Clemens heeft veel moeten afbouwen, veel moeten verkopen, waar we kort tevoren nog grote hoop op hadden gevestigd. Maar ook het afbouwen deed hij met zorg. Hij vond dat afbouwen dezelfde kwaliteit diende te hebben als opbouwen. ‘Het diner is pas ten einde’, placht hij te zeggen, ‘als de borden weer in de kast staan.’ De stroom van uittredingen was, direkt of indirekt, mede oorzaak van veel afbouw. Maar voor Clemens waren uittredenden op de eerste plaats mensen, zijn medebroeders, die ‘om hen moverende redenen de band met de orde hebben doorgesneden’. Persoonlijk heeft hij dat als een groot drama ervaren, maar dat hield geen oordeel in over de stap die deze medebroeder deed. Hij werkte met allen een regeling uit. Deed wat ‘redelijk en billijk’ was en zoveel meer als mogelijk, om hen een nieuwe start in werk en leven mogelijk te maken. En die zorg beperkte zich niet alleen tot oud-medebroeders. Ook voor anderen, voor wie een beroep op hem werd gedaan, bewerkte hij ‘elegante regelingen’, niet zelden met de creatieve hulp van zijn grote vriend Henk Frietscheck, waardoor zich voor hen perspectief opende op nieuwe toekomst. De ervaring in het werk opgedaan, gesteund door een fabelachtig geheugen en een fenomenale parate dossierkennis maakten Clemens tot een gezocht, betrouwbaar, hoog gewaardeerd adviseur voor gremia van religieuzen, overlegorganen van de kerkprovincie, vele stichtingen en besturen in binnen en buitenland. Met zijn heldere, zakelijke, altijd markant verwoorde adviesen, zette hij zijn licht bepaald niet onder de korenmaat. Clemens hield van vergaderen, hield ervan goed voorbereid te verschijnen en zijn inbreng goed getimed naar voren te brengen. Hij wist dat hij een vergadering een beslissende wending kon geven, maar was er daarbij enkel op uit oplossingen naderbij te brengen. Een bijzondere plaats nam voor hem in de ‘Comissie Overleg met de Overheid’. Al zijn princiepes, zijn overtuigingen, zijn diep verankerde katholieke identiteit bracht hij daar in het geweer voor het behoud van katholieke instellingen en de bescherming van katholieke waarden in het openbare leven. Met argusogen volgde hij de politiek om niet achter de feiten aan te lopen en verweet oversten en bestuurders veel te weinig oog te hebben voor deze uiterst moeilijke, maar wezenlijke dienst aan het katholieke volksdeel. In 1987 belandde Clemens weer in het ziekenhuis. De martelgang begon, waarbij vergeleken de drie herniaoperaties volgens hem slechts vingeroefeningen geweest waren. Het werd een martelgang die hem langzaam maar zeker lichamelijk zou ondergraven. Zijn taak op het economaat beďnvloedde zijn gezondheid negatief, maar het afscheidnemen viel hem zwaar. Tot alles bereid aanvaardde hij zijn benoeming tot overste van de Amsterdamse college-communiteit, maar hij hield veel adviseurswerk aan, want, zo zei hij in alle bescheidenheid, ‘het is eigenlijk onverantwoord om mijn kennis nu in de kerkprovincie ongebruikt te laten.’ Zo stelde hij zich ter beschikking  om steeds weer het onmogelijke mogelijk te maken en iedereen ten dienste te zijn die een beroep op hem deed.

 

Waar haalt iemand de kracht vandaan om psychies overeind te blijven in zo een bewogen leven in zo een histories tijdsgewricht? Of de Heer zijn kracht is geweest, ik kan het slechts vermoeden. Jazeker, Clemens wist zich geroepen, voorbereid en gestuurd om deze taak te vervullen. God sprak tot hem door zijn taak en door de mensen die op zijn pad kwamen. Voorwaardescheppend wachtte hij op God, die hij diende in de kerk, in de samenleving, in de orde en in individuele mensen. Maar Clemens had nog een andere bron waar hij kracht uit kon putten. Het grote gezin van de PP8 in Amsterdam bleef zijn menselijk thuis. In de schoot van dat gezin heeft hij leren liefhebben. Daar heeft hij geleerd wat vriendschap is en trouw. Bij zijn broers en zussen heeft hij zich in al die jaren welkom geweten en bemind. Daar genoot hij het jonge leven van kinderen en kleinkinderen, voor wie hij grote belangstelling koesterde, die hij volgde in hun ontwikkeling. De zondagmiddagen waren voor de familie. Daar vond hij de voor hem levensnoodzakelijke aanvulling op de relatieve onherbergzaamheid van de jezuietencommuniteit. Hij hield van zijn familie, ook van de grote familie, waarin hij een geliefde en gewaardeerde vriend en ‘eminence grise’ was. Familiebijeenkomsten sloeg hij zelden over. In die kring kon hij wellicht het meest expliciet en ongecompliceerd zijn priesterschap beleven. Daar vond hij de menselijke basis die van hem zo een menselijk rijke jezuiet heeft gemaakt. Mede daarom zijn wij, jezuieten, alle levende en overleden familieleden van Clemens eindeloos dankbaar.

 

Ik denk ook dat de Heer daarom in Mettingen, in het hart van het gezin, Clemens thuis heeft laten komen. Wat ‘n zegen! Ik ben er van overtuigd dat de Heer nu zijn gordel omdoet, Clemens aan tafel noodt en hem bedient. Want onze God, die alles weet, weet ook hoezeer Clemens daarvan zal genieten, Amen.

 

-------------------------------
Clemens Ludger Brenninkmeijer S.J.

 

*Amsterdam 24 juni 1925                            †Mettingen / Westfalen 21 maart 2006

 

De evangelist Lucas schrijft in het 12de hoofdstuk over waakzaam zijn.

“De lamp brandend houden, want de mensenzoon komt op een uur dat gij Hem niet verwacht.

De trouwe en verstandige beheerder zal Hij noden aan zijn tafel. Hij zal hem aanstellen over alles wat Hij bezit.”

 

In het eerste morgenlicht op 21 Maart 2006 in de kring van zijn familie, heeft pater Clemens Brenninkmeyer aan ons het brandend licht doorgegeven.

Ontroerd en sprakeloos herinneren wij ons de dichtregel:

“God geeft het zijn geliefde in de slaap….”

 

Als nooit tevoren begint nu het besef door te breken

Wie hij voor ons was, als familielid, als medebroeder in de Jezuďeten orde en als vertrouwensman in de Nederlandse geloofsgemeenschap.

 

Van pater Clemens wist je onmiskenbaar zeker aan Wie hij zich ten diepste had toevertrouwd. Door de wijze waarop hij met grote pastorale zorgvuldigheid die liefde kon verzilveren.

 

Dankbaar zien we hem aanzitten aan het gastmaal van zijn Heer.

Maar als een kleinood in het verdriet om dit afscheid nemen we zijn herinnering en zijn voorbeeld met ons mee, want hij was een mens om van te houden.

 

 

           

Dr. Jan Peters sj

 

Aan de jezuďeten-communauteit

van het Berchmanianum

t.a.v. Rev. Frits Wobbe SJ

Houtlaan 4

6525 XZ Nijmegen.

Ravenstein, 23 maart 2006

 

Beste medebroeders,

 

Vanuit het samenwerkingsverband tussen jezuďeten en oud-jezuieten (“sj-oud-sj”) wil ik u graag als huisgenoten van Clemens onze deelneming betuigen bij zijn overlijden.

Van sommige oud-jezuieten weet ik persoonlijk, dat zij met dankbaarheid terugdenken aan de manier waarop Clemens hen geholpen heeft in de voor hen – en voor Clemens – heel ingrijpende en vaak pijnlijke periode rond hun uittreden uit de Sociëteit. De combinatie van persoonlijke betrokkenheid en zakelijke afstandelijkheid, samenkomend in een diep-menselijke wijsheid, heeft hen diep geraakt.

 

Zelf heb ik Clemens voor het eerst leren kennen toen ik in 1962 novice was in Mariëndaal en Clemens daar aankwam, zwaar in zijn gipsen harnas, maar toch blijmoedigheid en vertrouwen uitstralend. Voor mij en mijn mede-novicen was hij zowel een toonbeeld van kracht als een begripvolle “praatpaal”.

 

Toen wij jaren later een communauteit oprichtten van jezuďeten en niet-jezuiëten, was Clemens degenen die ons met raad en daar terzijde stond, waarschuwde voor valkuilen en het belang benadrukte van goede en waterdichte juridische afspraken. En hij had gelijk!

 

Wat mij persoonlijk sterk is bijgebleven is een gesprek rond zijn zeventigste verjaardag. Wij kwamen elkaar ook wel in commissies en besturen buiten de Sociëteit tegen; en in dat gesprek betoogde hij – met een sterke emotionele lading – dat ik nooit ergens in statuten zou mogen tolereren dat er een automatische leeftijdsgrens van zeventig jaar was opgenomen. Ook dit “advies” heb ik steeds ter harte genomen, met – indien nodig – een verwijzing naar Clemens.

 

Wij verliezen een wijs en betrokken mens, voor velen een echte steunpilaar.

Onze herinneringen aan hem en ons vertrouwen dat hij in Gods hand is en daarmee ook ons nabij blijft, moge voor ons allen een echte diepe troost zijn. En mogen we delen in zijn wijsheid.

 

 

 

Jan Peters SJ

voorzitter van het verband sj-oud-sj.