Wat is, wat kan en wat moet theologie?

Ik spreek U toe in de nederlandse taal. Het is mijn moedertaal, maar ik leef al sinds september 1966 in het buitenland, daarvan meer dan veertig jaren in Duitsland. Belangrijke onderwerpen in de theologie, philosophie, economie en politiek bespreek ik bijna altijd in de duitse taal. Wat U nu te horen krijgt is nederlands, een nederlands vol met germanismen en zelfs met duitse woorden. Ik zal mijn best doen maar ik garandeer U niets. Ik hoop op Uw clementie.

 

Buitenkerkelijk.

 

Ik ga U niet vertellen hoe de toekomst van de kerk er gaat uitzien om de eenvoudige reden dat ik dat niet weet. Wat de rooms-katholieke kerk betreft: na een pontificaat dat vooral gekenmerkt was door het sluiten van deuren die het concilie geopend had (Paulus VI) en twee pontificaten van bijna totale stagnatie (Johannes-Paulus II en Benedictus XVI) zie ik geen toekomst meer. We hebben een nieuwe paus. Wat er gaat gebeuren kan niemand voorspellen: Voor velen van U een medebroeder, voor anderen een man die tijdens één van de wreedste dictaturen in Latijnsamerika gefaald zou hebben, iemand diens nieuwe naam misschien een radicaal programma zou kunnen zijn, niemand weet het. Dat deze kerk op vele terreinen ingrijpende hervormingen door moet zetten zegt iedereen. Na meer als twintig jaren totale stagnatie in de Sowjet-Unie begon Michail Gorbatschow met ingrijpende hervormingen – in 1987. Zes jaar later was er geen Sowjet-Unie meer. Als hervormingen te laat komen kunnen ze dodelijk zijn. Daarom kan ik het Vaticaan goed begrijpen; met dit en andere voorbeelden voor ogen zal het apparaat Vaticaan zijn voet niet van de rem nemen.. Een instituut als de rooms-katholieke kerk zal zo gauw niet verdwijnen. Maar haar invloed in ons deel van deze wereld is meer als tanend. In Nederland is de kerk vergeleken met een halve eeuw geleden praktisch onzichtbaar geworden. Voor de bonte wereld van het protestantisme ziet het er in Europa niet veel beter uit; over andere werelddelen ben ik zo gebrekkig geinformeerd dat ik daarover niets kan zeggen. Ik noteer voor Duitsland een verlies aan theologische substantie in een onvoorstelbaar tempo. De grote theologische scholen (Barth, Bultmann) zijn al lang verdwenen, de grote traditie van de “Bekennende Kirche” die met de naam van Dietrich Bonhoeffer verbonden is, is al lang verstomd. Sinds de val van de muur gaat dit proces van substantieverlies sneller. Maar het Woord en de Geest zijn niet op instituten aangewezen. Er zijn talrijke groepen in en buiten beide grote kerken waar het Verhaal nog leeft; door de kerken worden ze nauwelijks au sérieux genomen. Het contact met de kerk als instituut heb ik sinds lang verloren, ik ben zo te zeggen buitenkerkelijk. Maar buitenkerkelijk betekent niet dat ik het Grote Verhaal, dat de kerken moesten bewaren, doorvertellen en uitleggen, aan de wilgen heb gehangen. Ik praat met U liever over het Verhaal zelf en de poging het te begrijpen: Wat is, wat kan en wat moet theologie?

 

Hoewel ik sinds 1968 in milieus verkeerde dat niet alleen onkerkelijk maar ook onchristelijk en zelfs antireligieus was ben ik altijd theoloog gebleven. Dat hing met mijn verleden als Jezuiet samen. Hun opleiding was grondig; ook al heb ik het meeste van de inhoudelijke aspecten achter mij gelaten, geleerd heb ik gedisciplineerd en zorgvuldig te werken. Bij ons in Maastricht woonde en leefde een professor voor het oude Testament, Han Renckens. Ik heb nog de aantekingen die ik tijdens zijn colleges maakte, ik heb al zijn boeken en zijn laatste boek: “De bijbel meemaken” heb ik nog geraadpleegd toen ik 2011 aan een uitvoerige publicatie werkte. De kamer van Renckens was voor twee derde de kamer van een geleerde, voor een derde een uitdragerij. Allerlei afdankertjes die hij voor zijn buurthuis in een maastrichtse achterbuurt kon gebruiken. Zo iets kan ik me bij een duitse Theologieprofessor niet voorstellen. Renckens was en bleef voor mij een voorbeeld. Theologie op een hoog wetenschappelijk niveau en sociaal-politiek werk, het ene niet zonder het andere.  

 

Wat is “Groot Verhaal”?

 

Ik noem “Groot Verhaal” een door de meerheid van de leden van de maatschappij bewust of onbewust aangenomen grondverhaal waarin de levensgeschiedenis van ieder enkele mens  meeverteld wordt en en die mens zo een plaats in de maatschappij krijgt.  Zo “verinnerlijken” – duits: verinnerlichen, het woords stamt van hongaarse filosoof Georg Lukacs – de mensen de grondstruktuur van hun maatschappij met al haar bindingen van afhankelijkheid en loyaliteit. Verinnerlijken heet: leven in en vanuit die grondstructuur meestal zonder dat de mensen dat bewust doen. Die grondstruktuur is het punt waarin al die afhankelijkheden en loyaliteiten waarin de mensen leven en moeten leven samenlopen. Dat punt kan je ook God noemen. Dat is een mond vol. Ik probeer dat uit te leggen.

 

Alle grote volksreligies waren zulke Grote Verhalen. “Groot Verhaal” is een categorie uit de recente franse filosofie. Grand récit, le grand discours – die verhalen die een maatschappij orienteren en samenhouden. Het Groot Verhaal van het avondland tot het tijdperk van de grote burgerlijke revoluties was het Christendom. Dat verhaal heeft Augustinus op schrift gesteld, in de twee en twintig boeken van zijn De staat van God  waarin het verleden, het heden en de toekomst van heel mensheid in kaart gebracht wordt, zeven perioden, vijf het verleden, de zesde de periode waarin wij leven; de zevende periode is de toekomst van heel de mensheid: “Na die zes dagen zal God rusten, om zo te zeggen op de zevende dag, de dag die wij zelf zullen zijn. Op die dag zal God rusten en wij in hem” : heel de mensheid op weg naar een goed einde. Uit dit verhaal hebben honderden generaties hoop geput, kracht gevonden om zich tegen de onmenselijkheid te verzetten, maar ook – dat is de schaduwkant van dit verhaal – om te berusten in die onmenselijkheid. Een verhaal waarin ieder particulier levensverhaal zijn plaats heeft, een Groot Verhaal, het verhaal van het christendom. Dan kwam de europese bourgeosie. Het Groot Verhaal van de europese bourgeoisie is verlichting, emancipatie uit de onmondigheid waarin de religie en het absolutisme de mensen vasthoudt, het Grote Verhaal van de mondige mens. Het Groot Verhaal van de arbeidersbeweging was verlichting, emancipatie, de mondige mens, maar dat ook in de fabriek, op de bouwplaats, in de havens – met als doel een maatschappij zonder klassen en zonder uitbuiting.

 

Franse filosofen verkondigden in de jaren zeventig tot negentig van de vorige eeuw “het einde van de grote ontwerpen, van de grote discoursen, van de grote verhalen”, vooral Jean François Lyotard in zijn la condition postmoderne. Inderdaad kondigden ze een maatschappij aan waarin de samen-leving alleen nog maar een network van communicatieknooppunten is; iedereen kan op ieder moment bij ieder ander aanknopen en op ieder moment de verbindung verbreken. Het “samen” in de samenleving is dus willekeurig: ik twitter, dus ik ben, om Descartes te variëren. De verkondiging van het einde van de grote verhalen viel niet toevallig  samen met de beginnende triomftocht van het neoliberalisme. “There is no such thing as the social, there are only individuals and  families” – Margareth Thatcher in een interview 1987: “zoiets als het sociale (de maatschappij) bestaat niet; er zijn alleen individuen en gezinnen”  Anthony Giddins, de geestelijke vader van New Labour en ghostwriter van Tony Blair nam de zin van Thatcher over maar schrapte het woordje “family”, gezin. New Labour, nieuwe sociaaldemokratie in Nederland sinds de dagen van Wim Kok, in Duitsland sinds Gerhard Schröder – nergens een spoor meer van werkelijke samen-hang, nergens een spoor van een groot verhaal, geen maat-schappij meer. Dat is de illusie van de Goddelozen. Maar een maatschappij zonder God (met grote of kleine letters), zonder een punt waarop alles betrekking heeft en waarvan alles afhangt, bestaat niet. Het liberalisme was van meet af aan – er is eigenlijk weinig neo- aan het neoliberalisme –  een verkapt religieus ontwerp, duidelijk bij Adam Smith met zijn “onzichtbare hand”. Ieder mag handelen uit eigenbelang maar een onzichtbare hand zorgt ervoor dat uit al die individuele economische beslissingen een commonwealth ontstaat, het algemeen. Dat is niet alleen een secularisatie van het verhaal van Augustinus, maar een fragmentering van de mens: iedereen is wel op weg naar een goed einde, maar iedereen op zijn eentje: “Ieder voor zich, God voor ons allen”, wisten ze al in het Nederland van de zeventiende eeuw. Dat is een religieuze figuur; werkelijk verder als het jaar 1776, waarin Smith zijn beroemde boek Wealth of Nations schreef, zijn de Liberalen nooit gekomen. Ik citeer de oervader van het neoliberalisme en een soort van biechtvader van Margareth Thatcher, Friedrich August Hayek, van oostenrijkse afkomst en sinds de jaren dertig tot diep in de jaren zeventig economie-professor aan de universiteit van Chicago. Hij schreef in 1945:

 

“Dat de mensen zich vroeger de onpersoonlijke krachten van de markt onderworpen hadden is nu precies dat wat de ontwikkeling van de cultuur mogelijk maakte. Als wij ons zo onderwerpen dragen we iedere dag bij aan een bouwwerk dat groter is als wij ons kunnen voorstellen en volledig begrijpen. Het speelt geen rol dat de mensen zich vroeger ideeen onderworpen hadden die nu vaak bijgeloof genoemd worden – uit een religieus gevoel van deemoed of uit overdreven respect voor de ideeen van de eerste nationaal-economen. Het punt is dat het oneindig veel moeilijker is logisch te begrijpen dat we ons krachten moeten onderwerpen, waarvan we de werking niet gedetaileerd kunnen volgen, moeilijker als dit te doen uit de deemoedige eerbied die de religie van ons verlangt.”

 

Dat is echter religie in de strikte zin van het woord. De God van deze Godsdienst is de vrije markt met zijn krachten en werkingen die we niet kunnen overzien en ook niet mogen proberen te begrijpen. De wil om wezen en werking van een vrije-markt-economie te begrijpen noemt Hayek een “een onvolledig en ketters (in die Irre gehend) rationalisme”, precies zo als een christelijke theoloog die zou proberen wezen en werking van zijn God te overzien en te voorspellen. Karl Marx heeft heel zijn leven er aan besteed om wezen en werking van de moderne economie, het kapitalisme, te begrijpen. Precies dat is in het universum van het liberalisme de oer- en erfzonde: de mondige wil om de maatschappij en haar fundament, de economie te controleren. Iedere poging om de economie te sturen met het doel de mensen uit de macht van economische overheersing te bevrijden en hun zo bestaanszekerheid te geven is voor Hayek dwingelandij en hoogmoed. Hayek gelooft aan aan de vrije markt zoals een religieus mens aan zijn God. Aan de onzichtbare Hand met zijn weldadige werking te twijfelen is gevaarlijk en een bedreiging voor de samenleving. De God van Hayek, van Frits Bolkestein en van diens geestelijke knecht Mark Rutte is werkelijk de vrije markt. De apostel Paulus zou dat noemen: “de God van deze epoche” (theos tou aiōnos toutou). Toen was dat het Romeinse Rijk, nu is dat de vrije markt. De ware godsdienst van deze liberale God is de vrije concurrentie: ik, niet wij. Wij is hoogstens een ethische hobby; het ideaal is dat de sociale voorzieningen vrijwillig worden betaald: bijstand, werkeloosheiduitkering enz. zijn genade, geen recht. Zo Milton Friedman, ook hij economieprofessor in Chicago, de mentor van de chicago boys, die voor Pinochet de economie van Chili overhoop haalden.

 

“Geen maatschappij” is het tweede artikel  van de geloofsbelijdenis van de liberalen. Het eerste artikel luidt: there is no alternative, er is geen alternatief; alleen een vrije markt met zijn onzichtbare hand mag werken; iets anders, wat dan ook, is demonie. Dat is religie en die religie is strikt monotheistisch: zijn eerste gebod luidt: er is maar één God, iedereen moet hem dienen er mag geen andere God, geen alternatief, voor zijn aangezicht zijn. Het eerste artikel wordt overal verkondigd. Gerhard Schröder die met zijn agenda 2010 het neoliberalisme in de Bondsrepubliek doorzette zei telkens: Es gibt keine Alternative. Het lievelingsbijwoord van Angela Merkel is alternativlos.

 

Baal en Mammon

 

We gaan nu terug naar het politieke di-theisme van de bijbel. De profeet Elia liet, zo wil het verhaal, heel het volk samenroepen. Hij stelt het voor een radicale keuze, 1 Koningen 18,21:

 

Hoe lang willen jullie op de twee takken huppelen?

Is de NAAM Adonaj de God, loop hem achterna

Is het de Baal, loop hem achterna.

Het volk kon hem daarop geen antwoord geven.

 

Theologie is: deze vraag stellen en hem zo stellen dat de mensen het kunnen begrijpen. De NAAM – zo spreken we  de vier onuitsprekelijke letters JHWH uit naar een voorstel van de nederlandse theoloog Miskotte – brengt zich zelf ter sprake : “Ik, de NAAM, ben het, die jullie voerde uit het land Egypte, uit het huis slavernij”, Ex 20,2. Deze NAAM staat voor een samenleving van vrijen en gelijken, voor het einde van de heerschappij van mensen over mensen. Baal daarentegen is de Heer en Bezitter, de echtgenoot als de bezitter van zijn vrouw; hij staat voor een maatschappij van het grootgrondbezit en het patriachalisme.  In de bergrede laat Mattheus Jesus zeggen, 6,24:

 

Niemand kan twee heren dienen.

Ofwel haat hij de één of hij bemint de ander,

ofwel geeft hij de voorkeur aan de één of veracht de ander.

Jullie kunnen God niet dienen en de Mammon.

 

Baal of Mammon is waarlijk God, God tegen God. Mattheus en Lucas of beter de bron die ze allebei gebruikten zochten naar een goed grieks woord voor bezit dat tegelijk onbeperkte macht over mensen heeft, bijvoorbeeld een grootgrondbezitter die zijn land door een funktionaris laat beheren; die functionaris heette: econoom, zijn onderdanen zijn afhankelijke pachters; U kunt het allemaal nalezen bij Lukas in het 16. Hoofdstuk. Dat is Mammon, bedriegelijke, ongerechte Mammon: Een grieks woord er voor hebben ze niet gevonden. Woorden als ktēma, ktēsis, chrēma, nomisma enz. voor eigendom of geld zijn te onschuldig. Ze namen dus maar een aramees woord dat wel bezit-en-macht betekent, mamona. Mammon is een God die onbeperkte macht krijgt over de ziel van de bezitter en zo van de mensen die van hem afhankelijk zijn: “welke is de gemeenste afgod op aarde” zegt Luther in zijn Deutscher Katechismus. De Mammon van het evangelie is de Baal van de profeten. Er is nooit één God, er zijn altijd twee Goden en we moeten kiezen. Monotheisme is geen spelletje om woorden of  begrippen maar een uitdrukking voor macht die uiteindelijk geen tegenspraak duldt, een politiek die zichzelf verpakt in een ogenschijnlijk rationele aanpak van problemen, no nonsens heette dat dertig jaren geleden. Maar ze is Religie in de strikte zin van het woord, monotheisme. Natuurlijk mag iedereen pamfletten, essais, boeken en uitzendingen tegen het Neoliberalisme schrijven of maken zolang zeker is dat er geen daadwerkelijk alternatief is. Wat de bergrede van ons verlangt is dus praktisch onzin. We kunnen niet anders als de Mammon dienen, een globaal systeem van vrije markten en ongeremde stromen van geld die in iedere fractie van een seconde in beweging gezet, afgebroken of omgeleid kunnen worden met onafzienbare gevolgen voor het leven van millioenen mensen. Er is niets in zicht dat sinds de val de Berlijnse muur op 9 november 1989 ook maar in de verste verte op een alternatief lijkt en dat wat toen in elkaar zakte was al lang geen alternatief meer. Dat is de goddelijke dictatuur van het globale neoliberalisme. De acties en het geloof van enige jonge mensen, Occupy, ATTAC enz. met hun leus: “Een andere wereld is mogelijk”, schijnt hoogstens een oprisping van een machteloos protest. We denken aan het verhaal van Elias voor de grot in de Berg Chorev die op een opbeurend woord van zijn God hoopte. Niets als een “stem van vermorzelend zwijgen”, een stem, die de profeet naar de woestijn van de politiek stuurde. Hier dacht ik even aann Manresa: God voor jezelf is een project dat op een ongenezelijke depressie uitloopt. Ook de God van Ignatius stuurde hem in de wereld van de politiek. Eerst Turken in het heilig land bekeren en toen dat niet ging het project van de contrareformatie. Of dat een goed idee was staat op een ander blad.

 

Geen happy end, wel open end.

 

Zo zijn we terug bij die, die de geschiedenis dicht getimmerd hebben: er is geen alternatief meer, nooit meer: “einde van de geschiedenis”, zei Francis Fukuyama over 1989. Deze man werkte voor het ministerie voor buitenlandse zaken van de Verenigde Staaten. Zijn boek werd in de jaren negentig als een bijbel verkocht. De epoche van de grote omwentelingen zijn voorbij, er komt geen geschiedenis meer, ten minste geen geschiedenis waarin nog grote beslissingen op het spel staan. Postmodernisme, Neoliberalisme, einde van de geschiedenis: het zijn allemaal variaties op hetzelfde thema: there is no alternative. Inderdaad: er is weliswaar overal strijd en geweld, maar het is geen strijd om een alternatief. Terrorisme, banditisme – het is gewelddadige strijd binnen één systeem, niet tussen twee systemen.

 

Maar wij hebben nog een verhaal dat niet past in het postmoderne universum, een verhaal dat zegt: je kan niet twee heren dienen. Natuurlijk dienen we allemaal de ene heer, de Mammon, het systeem van medogenloze macht van mensen over mensen. Te denken dat we de Mammon de rug toekeren als we bananen eten of koffie drinken uit fair trade, biologische producten en elektrische stroom uit windmolens kopen en we dus met een goed inkomen en met een gerust hart aan de goede kant zitten, is een illusie. Maar waar komt het koper in onze electrische kabels vandaan, waar het metaal in de condensatoren van onze mobieltjes? We nemen deel aan het systeem van moord en uitbuiting of we willen of niet. “Alle staan onder de zonde, Joden en Grieken” zegt Paulus tegen die romeinse Joden die denken dat ze binnen het romeinse Imperium onberispelijk volgens hun Tora kunnen leven. Dat is een illusie, zegt Paulus. Geen heil voor die Joden, geen heil voor de zelfbewuste burgerlijke ziel. “Wie verlost mij van de corporatie des doods”, vraagt Paulus, wie verlost ons ons van het systeem? Lees het beroemde zevende hoofdstuk van zijn brief aan de Romeinen, een van de moeilijkste teksten in onze bijbel. Het ruimt radicaal op met onze burgerlijk-christelijke illusies.

 

Zijn antwoord: de Messias. Hier struikel ik. Tweeduizend jaren lang wachten op de Messias is wachten op Godot. Samuel Becket had in dit stuk ieder messianisme – en christendom is niet anders als messianisme – ontmaskerd; het is absurd. Een zegevierende Messias, een gegarandeerd happy end voor de mensheid, dat heeft Samuel Becket definitief ontmaskerd. Maar een gekruisigde Messias is: Niets is voorbij; alles kan nog komen. Open end voor de mensheid.

 

Theologie is niet palliatieve therapie voor de ongeneselijke ziekten van de mensheid, geen wellnes-christendom voor de burgerlijk ziel. Theologie is: Het antwoord op onze aardse vragen – wat zullen we eten, wat zullen wij drinken, hoe dat wat we hebben verdelen – niet aan de monotheisten van there is no alternative overlaten. Ons verhaal tegen hun verhaal, dat is theologie. Steeds intensiever het Grote Verhaal lezen en herlezen. Nadenken over de onuitsprekelijke NAAM van de God van Israel, over de Messias, die radicale jood uit Nazareth Galilea, en over de Inspiratie (mijn woord voor Heilige Geest) die van beide uitgaat. Maar dat niet zonder politiek: zonder het zorgvuldig analyseren van de functies en de werkingen van de Baal of de Mammon, van onze wereldorde in de 21. eeuw, meedoen met die, die hopen: de wereld kan anders. Beide – zo iets als Han Renckens deed. Vroeger zeiden we: Contemplativus in vita activa.

 

Dat heb ik geprobeerd. Ik probeer het nog, nu steeds vaker met de melancholische vraag: heeft dat allemaal eigenlijk iets uitgehaald? Ik weet het niet, God weet het – misschien...

 

 

 

Ik dank U voor Uw geduld.