Gedachten,

in memoriam Piet Polman.

 

Antwoordapparaat.

Mechel en ik komen donderdagavond 29/11 van twee kanten naar huis. Het antwoordapparaat knippert. We horen de stem van Wim Polman. Er zal toch niets zijn met Fried? We bellen. Broer Piet Polman is die morgen in alle vroegte overleden.

Wim zal op vrijdag met zijn zussen naar Margraten gaan om Piet te zien. Stel je voor, allemaal 84-plussers! We spreken af dat ik op die vrijdagmiddag in Malden ben. Met Wim en Fried, en met huisgenote Coby, praten over Piet. Fijne broer, fijne boezemvriend van weleer. We zien elkaar de laatste veertig jaar zo nu en dan tussentijds. Piet houdt jammer genoeg de boot, het contact, af. Hij wil geen band meer met Jezuïeten, met oud-Jezuïeten, met vroegere schoolvrienden.

Je hebt daar maar mee te leven. Piet breekt met de Kerk.

Dát kan ik nog begrijpen, maar breken met mij, met ons.

Ons niet meer willen zien? Waarom? Alsof je zo maar een streep kunt zetten onder je verleden. De enige die hij nog ziet, is Carel van Tulder, huisprelaat van de familie bij speciale gelegenheden.

Rouwen om Piet, dat is het. Natuurlijk ga ik naar Limburg.

Zeg ik daar wat? Moet ik dat doen? Wim zal het overleggen.

 

Via Brakkenstein naar huis.

In de vroege avond van die vrijdag fiets ik weer aan, verder met de trein naar huis. Maar eerst nog langs Brakkenstein. Piets oudste zus Willy dagzeggen. Het is donker, Willy doet pas na een tijdje open. Angstig toch, het hoort helaas bij de tijd. je kunt nooit weten. Naar het Berchmanianum gaan hoeft niet. Daar weten ze dat van Piet wel, via Carel dunkt me.

De volgende morgen hoor ik van Wim, dat ik in Eijsden beter niets kan zeggen. Dat is in de geest van Piet, zegt Erna. Ik ga er dinsdag natuurlijk wel heen. Per trein en fietsje. 

 

Berchmanianum.

Naderhand, woensdag, toch maar even bellen naar Jac Lampe. Hij woont tegenwoordig op de Houtlaan. De ‘SJ-nieuwsdienst’ weet nergens van. Jac zal me weer op de mailinglist zetten.

Het is misschien wel beter niet rigoureus strepen te zetten.

Zo kun je direct van elkaar vernemen. Over Jan van Deenen bijvoorbeeld. Je bent niet afhankelijk van het toevallig tegenkomen van advertenties in Trouw, NRC of de Volkskrant. Het is net als met kranten: Jezuïeten en oud-Jezuïeten, je hebt ze in alle soorten en maten.

Jac Lampe kent Piet niet. Dat klopt, want Piet gaat vanuit het Berchmanianum naar Libanon. We zetten hem met Piet van den Akker en Johan de Wit op het schip en zwaaien hen uit.

Jac zit dan al lang en breed in Indonesië.

Ik zet je weer op de mailinglist, zegt Jac, maar dan maak jij een stuk over Piet Polman. Daar zal ik maar al te graag doen.  

 

Meisje Quaedvlieg.

Ja, zegt Wim, een week voor zijn intrede ging hij nog met dat  meisje naar de operette in ‘De Vereniging’. Ze was in hete tranen toen Piet haar zei dat hij in begin september Jezuïet ging worden.

Was dat een dissonant waarmee hij een zonnige jeugd afsloot? Ik weet daar niet van, ik zit dan al in Grave.

 

Tegen iemand opzien?

We kennen elkaar vanaf toen we dertien waren. Het begint op het voetbalveld. We voetballen in Union, september 1946.

Wij, schriele mennekes tegen die kerels van NEC. Ik kan er qua postuur nog een beetje tegen op. Ik mag dan misschien groter zijn, maar Píet kan voetballen, linksbenig nog wel, watervlug. Ik moet het voetballen nog leren.

Het is het begin van een boezemvriendschap voor lange jaren. Piet bij ons kind aan huis, ik, idem, in Malden op de kwekerij.

Zijn moeder zegt ‘u’ tegen me, herinnerin ik me.

Mammie Polman is ‘een vrouw uit een sprookje’, schetst Pater Herr SJ haar. Dat is goed gezien, want ze ís een schat.

Ze ‘diende’ lang, bij de Van Hövell tot Westerfliertjes. Van háár leerden ze hun goede manieren, van hun ‘Otje’. Troetelnaam. De adel mag zijn afgeschaft - gelukkig - maar de moeder van Piet heeft haar adeldom behouden. Niemand is meer lief dan Moeder Polman.

 

Moeder, vader, die volgorde.

Vader Polman bromt in dat opzicht maar wat met haar mee.

Van beiden krijgt zo’n jongste zoon Piet wat mee.

Wat hebben we een plezier gehad, wat leuke dingen gedaan.

Maar ook ernstige. We waren bij de St. Vincentiusvereniging.

In Nijmegen weet je dan waar de (zogenaamd) mindere man woont. Daar doe je dan toch wat voor.

Inventief. Dat helpt ook. Wij, drie vrienden, wachtten in Grou een keer ‘s avonds met een zeilboot op Piet. Hij mist de laatste trein naar Friesland. Maar hij is er wel, ’s morgens al vroeg!

Hij papte aan met de machinist van een goederentrein.

Die stopt zelfs even in Grou-Jirnsum, als ik me goed herinner.

’s Nachts! Als ik me goed herinner.  

 

Reis naar Eijsden.

Al moet ik er lopend heen, ik ben dinsdag in Eijsden.

Het is goed voorbereid. Om 10.07 uur de trein, vanaf Dieren.

In Den Bosch overstappen en dan de uurdienst Maastricht-Luik. Ruim voor tweeën bij het crematorium. Maar het loopt anders door pure pech. Die uurdienst naar Luik haal ik niet meer.

Dan maar tien kilometer flink aanfietsen. Ik kom, zeg maar, nog net onder de preek binnen. Bezweet? Zeg maar kletsnat!

 

De grote zaal is stampvol.

Heel Margraten is uitgelopen voor Piet. Dat kan ook niet anders voor wie hem maar een beetje kent. Ik hoor een mevrouw over Piet spreken. Hij, zich inspannen voor de mensen daar (zoals altijd en overal elders, bij mijn weten). Allerlei werk voor de gemeenschap. Het is er dus een drukte van belang. Dan valt mijn horen uit, vanwege teveel vocht.

Ik kan alleen nog maar kijken. Carel van Tulder dirigeert met klein gebaar de ingeblikte muziek, beweegt stijvig zijn hoofd. Wat hij zegt hoor ik niet. Dat is ook niet nodig, ieder weet hoe Carel spreekt, semi-plechtig, zo ongeveer meneer Opstelten.  

Broer Wim kan de waterlanders niet binnenhouden, zie ik.

Dan Carel weer, nog een poging, nu met wijwater, toch nog. Daarna de stoet, ereparade voor Piet Polman, door het midden van de menigte. Ik kus de kist. Dag Piet.
Jij weet het niet, maar lang blijven is nu geen optie, zo kan ik geen gesprek meer voeren. Nog steeds nat en tijdelijk doof. Terug naar huis dus. Even het hoofd van Janske Polman tussen de handen, een dikke zoen, haar man een hand, nog een familielid. Dag Dick.

Prachtig even op de parkeerplaats. Dick en Liesbeth.   

Wist ik het maar.

Kende ik maar de gedachten van Piet van geen contact meer te willen. Er is in Eijsden geen enkele Jezuïet of oud-Jezuïet. Piet doet zichzelf en ons daarmee te kort, want hij is bij allen heel geliefd. Henk Wubbolts schrikt zich te pletter bij het bericht. Piet van den Akker hoor ik, kennelijk aangedaan.

Ook bij Jan Schillings (van Canisius) komt het hard aan.

Die heeft het een poosje geleden nog geprobeerd in Margraten.

 

Alle SJ-oud-SJ-ers mogen Piet graag.

Wat hebben we op de Houtlaan ook een plezier gehad.

(Ook treurigheid, hoor, zoals ‘le mouvement’.)

Opdat Piet ’s nachts zou kunnen slapen aan de kant van die binnenvijver, schiet ik op zondag onder de hoogmis eenden dood. Niemand merkt het op, behalve Piet. Die wéét het en  hoort het knallen, knielend op afstand.   

Met pijn nemen we later afscheid van hem en de andere twee Libanongangers. Piet doet het daar in het Oosten heel goed. Vooral in Minia (Egypte) vindt hij zijn draai. Hij gaat daar immers zijn eigen weg, en hij doet waar hij goed in is.

Zegt Piet van den Akker, en ik geloof hem graag.

 

Echec?

Maar hoe komt Piet toch later op die andere weg terecht? Is dat een echec? Volgens mij mag dat, een echec. Het kan zelfs  moeilijk anders. Echecs horen bij het leven. Die weer te boven komen. Dan pas, na een brand, kun je als (Egyptische) sfinx ook ver na Minia uit je as herrijzen. Hoe was dat bij Piet? Ik vóél die pijn bij hem, altijd. Waar hebben wij hem alleen gelaten, wanneer stond hij bij ons alleen?

 

Rijk gezegend met energie.

Wie Piet kent, heeft weet van zijn energie. Dat wezen van Piet is niet weg. Einstein vindt het uit: wet van behoud van energie. De energie die je als mens ergens insteekt is ook niet verloren. Zijn energie in zijn kinderen, zoon Serge in Frankrijk en dochter Stephanie in Houten, is blijvend.

Zijn energie voor vrouw en levensvriendin Erna, is ook blijvend.

De uitkomst van je energie, van je inspanningen kan er anders uitzien dan je dacht, maar het resultaat komt, op een moment dat je het niet verwacht. Dat resultaat komt. Zoveel is zeker, zoveel vertrouwen hebben in het leven. Prachtig.

Dat zegt de wet van behoud van energie naar het leven.

Piet, energie, gaat niet verloren.

Piet leeft bovendien in ons zolang wij aan hem denken.

 

Waar is Piet?

Zijn energie, waar is die nu? Piet maakt deel uit van het heelal. Ik zoek naar dat woord heelal, in een boek. Het ligt bij de hand.

Ik zeg maar met eigen woorden, wat er staat.

De dichtstbijzijnde ster, Proxima Centaurië, staat van ons uit gezien 4,3 lichtjaren verderop, in een ontzaggelijke ruimte: ontelbare lichtjaren groot. Eén lichtjaar: afstand van 9,5 biljoen kilometer: 9.5 met elf nullen erachter! Heelal! Piet, pluisje energie in dat veld, in het al van het geschapene, in de oneindige ruimte met al wat ze bevat, kosmos, universum.

Pluisjes, wij allen. In die onzegbare ruimte. En doen wat we kunnen doen, menen te móeten doen.

 

Eindig èn oneindig.

Groter geesten dan wij hebben het bestudeerd, berekend.

Met al die getallen komen zij toch niet verder dan de woorden: eindig èn oneindig, begrensd èn eeuwig, uitdeinend heelal.

De andere kant uit zie ik stoelen waarop we in Eijsden zitten. Op zich ook ‘oneindige heelallen’, naar binnen toe, in het klein. De stoelen bestaan zo gezien eigenlijk niet, zij zijn er eigenlijk veel meer niet dan wel!  

Onvoorstelbaar. schepping of evolutie? Waarom heeft hij dat niet verder mogen nagaan, die Teilhard de Chardin?

Ik voel Piet bij me, in de hoogte, in de diepte, in de ruimte.

Amen, zo is het. Het is onbegrijpelijk.

Verassing, ontstoffelijking.

Piet maakt blijvend deel uit van ons samenzijn, eerlijk en eenvoudig als hij is, beter, als hij was en is, mens onder alle mensen, in grote verscheidenheid en tegelijkertijd in gelijkwaardigheid. De een niet meer dan welke andere ook.

Dat is, zoals ik het zie, ook een wet. Het is de wet van behoud van ware geest. Denken aan Piet, bij de crematie van zijn dode lijf. Denken aan zijn ontstoffelijking als mens.

Piet blijft energie. Zo mag hij er zijn. zo is hij er voor mij.  

Verweesd.

Van de dichter Catharina Blaauwendraad, 1965.

 

“Ik zal je missen. Al je honderd ogen

en al je monden vragend achterna

zal ik verslagen volgen. En gebogen

waar ik vergeefs de oude gangen ga

zoek ik jouw geur in tijd die me nog rest

zoals een teef haar weggegeven nest.”

 

4 december: feestdag van Sinte Barbara.

De macht van Sint Barbara, patrones van een zalige dood, straalt niet op de dag van Piet. Hij sterft niet zonder pijn.

De heilige Barbara is ook patrones van de brandweer.

In figuurlijke zin: al het doen en laten van Piet in Margraten.

Barbara is ook patrones van de kanonniers. Dat slaat meer op mij, in militaire dienst kanonnier, toen en nu veel later nog.

Men kent me hier. De sociale instelling als van Piet staat me daarbij voor ogen.  

 

* Het huis van broer Wim en zijn Fried is voor Piet een toevluchtoord. Veel later is het dat weer. Daar komt ook Erna aan huis. Zodoende. Een geluk bij een geluk. Prachtig toch! 

Even verder op de kwekerij het geboortehuis van Piet.

11 januari 1933.

 

Dag Piet, blij dat ik, doof, bij je was op 4 december 2012.

Dag Piet, je was een zondagskind. Mijn dikke vriend, van toen.

 

Joop Zijlstra, in Ellecom.

 

 

Naschrift: bericht verspreid.

Dank zij deze, onze tam-tam wordt het verscheiden van Piet Polman ook in het Midden Oosten bekend, aldus: 

 

From: Francis Berkemeijer

Sent: Monday, December 10, 2012 6:10 PM

To: Piet van den Akker

Subject: RE: Piet Polman

 

Beste Piet (van den Akker),
ik dacht dat het goed was je bericht via de provinciaal door te sturen aan alle jezuïeten van Het Nabije Oosten, er zijn er zeker, misschien ook nog in Minia, die zich Piet Polman nog zullen herinneren:

 

”Une nouvelle à annoncer à toute la province c’est le décès de Piet Polman à cause d’un attaque de cœur. C’est Piet van den Akkerqui vient de me donner cette nouvelle. Je pense que des jésuites de mon âge se souviendront de ce scolastique néerlandais qui a fait sa régence à Minia entre 1963 et 65. Un certain nombre des jeunes de Minia me demandaient toujours de ses nouvelles parce qu’il organisait des matchs de football dans la rue quand les vieux pères les chassait à 7 heures le soir. Après son retour aux Pays Bas, Piet est sorti de la Compagnie en trouvant un travail dans des organismes de développement. Ces derniers temps il a été actif dans le travail pour les refugiés aux Pays Bas, tout en étant politiquement engagé dans une partie socialiste. Un homme engagé, actif, qui avait sa façon très directe de voir et de dire des vérités, rien d’étonnant qu’aux funérailles de cet ancien jésuite il y eut beaucoup de monde. »

 

Zelf ben ik nu al weer twee jaar actief in Armant met Mounir Khouzam, en belast met het stichten van een studenten centrum in Qena.

Een hartelijke groet,

Frans Berkemeijer