Mijn betrokkenheid bij de kanslozen en armen in Rotterdam

 

I. Waarom  ga ik in op het verzoek om hierover een inleiding te houden? Wat zie ik als “de zin” hiervan ? Wat wil ik er nu,  in dit gezelschap,  mee bereiken?

 

·        Het is goed om elkaar te blijven bemoedigen en inspireren,  om open te blijven staan  naar de wereld dichtbij en verder weg.

·        Het is ook belangrijk dat we enerzijds  vrede kunnen hebben met de keuzes die we in onze levensfase kunnen maken.  En anderzijds  ruimte houden voor  bijstelling van keuzes in relatie tot actuele ontwikkelingen in de samenleving.

·        Het is m.i.  wezenlijk dat we steeds bondgenoten zoeken met wie we inzichten in armoede en kansloosheid kunnen uitwisselen, om samen haalbare keuzes te maken.

II. Hoe is mijn betrokkenheid op de “arme kant” van Rotterdam  ontstaan?

·        Vanaf mijn intrede in 1956 tot 1963 sluimerde in mij de vage wens om in mijn leven “sociaal werk te doen”. De eerste grensverleggende stap was de keuze om in het M.O. te gaan leven en werken. Dit was een keuze in bondgenootschap met medebroeders uit die tijd. Een verblijf van vijf jaar bracht een verbondenheid met de Arabische wereld van de jaren zestig met zich mee.

·        Hieruit volgde de volgende stap: kennis maken met het voor mij nieuwe verschijnsel van Arabische, Turkse migranten in Europa. Het begon met een studie sociaal engagement in Antwerpen en Brussel , gecombineerd met het leren kennen van de leefsituatie van Marokkaanse migrantengezinnen in Brussel Noord begin jaren zeventig. Daarop volgde de keuze voor opbouwwerk met “gastarbeiders” in Nederland.

·        Mijn betrokkenheid op kansarmen in Rotterdam begon met de aansluiting, begin jaren tachtig,  bij het toen nog nieuwe experiment: Pastoraat Oude Wijken. In deze werksoort maakte ik kennis met een wijze van betrokken raken op het leven van mensen in volkswijken. In deze werksoort lag het accent niet in de eerste plaats uit hulp verlenen op basis van wetenschappelijke rapporten met hun aanbevelingen. Als vertrekpunt kozen we er voor om  bij de mensen thuis en op straat aanwezig zijn en zonder agenda vertrouwd te raken met dat leven met steeds in gedachten:  Wat zie ik; wat hoor ik; wat denk ik en wat voel ik?  Op basis van de ervaringen in het omgaan met de mensen maakten we bescheiden maar concrete plannen om het leven van enkelen beter, aangenamer, veiliger en dragelijker te helpen maken. Hierbij probeerden we inzicht te krijgen in alle aspecten van hun leven: zowel materieel en op het gebied van geloof en levensbeschouwing. In toenemende mate bestonden de oude wijken uit oudere en in Rotterdam geboren bewoners en migranten uit alle delen van de wereld.

·        Het Pastoraat Oude Wijken werd een op zichzelf staande pastoraal/sociale  werksoort binnen de kerken, onderscheiden van het parochie- en gemeentepastoraat. Wel probeerden we ook onze wijze van leven en werken over te brengen op parochies en gemeentes in de omgeving van onze wijken. Dat kreeg vorm in het samen werken met de werkgroepen diaconie. Dat bleek wederzijds effecten te hebben: in onze redelijk seculiere werksoort bleven we verbonden met de plaatselijke geloofsgemeenschappen. Die gemeenschappen werden uitgenodigden gestimuleerd  om de aandacht voor de wijken te blijven ontwikkelen. De slogan die we daarvoor gebruikten was: “Van binnen naar buiten”! Een van de initiatieven die we met de kerkelijke diaconie  ontwikkelden heeft ons op het spoor gebracht van  vluchtelingen, asielzoekers onder ons. De aanleiding  was de kennismaking met een nieuw AZC( Asiel Zoekers Centrum) in onze wijk.  Daaruit volgde de bescheiden opzet van Plexat, een noodopvang voor uitgeprocedeerde asielgezinnen. De rode draad bij dit alles was steeds: waar komen we armoede tegen, wat kunnen eraan doen?

III. Waaruit bestaat in het dagelijks leven van nu  praktisch mijn betrokkenheid.

1.      In het kader van het Rotterdams Ongedocumenteerden Steunpunt.

·        Na mijn vertrek bij het  bij het Pastoraat Oude Wijken in 2001 maakte ik kennis met  een centrum van Vluchtelingenwerk Rijnmond aan de rand van mijn vertrouwde werk- en leefomgeving.  Dit centrum noemde zich een Asielzoekers Opleidingscentrum. Er was vraag naar vrijwillige docenten om  Nederlandse taalles te  verzorgen voor deze groep mensen. Dit was precies wat ik zocht. Dit centrum werd echter na een jaar opgeheven waardoor professionele medewerkers, vrijwilligers en cursisten op straat stonden.

·        Precies in deze maanden hadden we in de werkgroep diaconie van de buurtparochie  een pandje gevonden wat tot dat moment gebruikt werd door een deel van de parochie maar zojuist verlaten was. Het pandje was eigendom van de paters van het H. Hart die het gebruik ervan ter beschikking stelden van de werkgroep diaconie. Het was een bewuste keuze om hun pand voor dit doel ter beschikking te stellen. Een deel van het pandje besloten we te gebruiken als noodopvang voor de meest kwetsbare uitgeprocedeerde en op straat gezette asielzoekers. De werkgroep richtte een vijftiental  “bedden” in . Het was een welkome tijdelijke huisvesting voor en klein groepje mensen in acute nood. Het heeft tot op heden ook steeds gewerkt als eenvoudig model voor andere hulpverlenende groepen in de stad.

·        De benedenverdieping, van het  voormalig buurtkerkje van de parochie, werd vervolgens ook ter beschikking gesteld voor dienstverlening aan asielzoekers. We werkten in de uitvoering van de noodopvang samen met een kerkelijke deskundige op het terrein van vluchtelingenwerk. Samen maakten we verder plannen om het hele pand  als Steunpunt voor asielzoekers te gebruiken. Hiervoor vonden we in de stad bondgenoten die al  op dit gebied actief waren om een paar  kleine initiatieven te bundelen en één nieuwe  Stichting op te zetten. Het ROS(Rotterdams Ongedocumenteerden Steunpunt) werd een stichting die zich sinds tien jaar ontwikkelt om de belangen van de doelgroep te behartigen. Financieel is de stichting afhankelijk van fondsen.  Ik neem deel aan het bestuur en houd me in de praktijk vooral bezig met de langzaam maar gestaag groeiende taalschool. We verzorgen vijf ochtenden per week Nederlandse lessen op drie niveaus  voor zo’n zestig mensen. We doen dat met vrijwillige docenten. We vragen geen bijdrage in de kosten  omdat deze mensen bijna allemaal in constante armoede leven.

 

·         Op de tweede plaats blijf ik naast mijn werk in het kader van het ROS actief in twee werkgroepen diaconie in Rotterdam Zuid.

Het functioneren van werkgroepen diaconie veronderstel ik als bekend in dit gezelschap. Naast de traditionele vormen van diaconie hebben we in onze werkgroep gekozen voor één  duidelijk engagement. Dit  bestaat uit de permanente samenwerking met een van de Geestelijke  Verzorgers (G.V.) van het Detentie Centrum Rotterdam. Enkele jaren geleden brachten we met de pastoraal werkenden van Rotterdam een bezoek aan het DCR. Dit is een gevangenis waar enkele honderden uitgeprocedeerde asielzoekers door de overheid (het IND) worden ingesloten met het doel  hen zo spoedig mogelijk uit te zetten naar het land van herkomst.  Deze detentie kan maanden tot meer dan een jaar duren. De R.K.  G.V. ,een Congolese pastoraal werker, doet naast zijn direct pastoraal werk veel aan persoonlijke materiële hulpverlening. Daarin werken wij constant met hem samen door middelen te verzamelen waar de gedetineerden behoefte aan hebben en waarin niet wordt voorzien door het DCR of familie. Onze werkgroep diaconie is, op zijn uitdrukkelijk verzoek,  in toenemende mate voor hem een klankbord  waar hij alle problemen die hij nergens anders kan bespreken aan ons toevertrouwt om ermee verder te kunnen in zijn praktijk. Tegelijkertijd  worden wij voortdurend betrokken bij het leven in het DCR. Enkele van ons wonen maandelijks de gebedsdiensten bij, leggen individuele bezoeken af en wonen de maandelijkse Wake bij. Bij deze initiatieven betrekken we voordurend de beide parochiegemeenschappen d.m.v. themavieringen en regelmatige artikelen in de parochiebladen. Sinds enige maanden zijn we ook bezig het verschijnsel  Detentie Centrum in het Bisdom op de agenda te krijgen. Om dit te bereiken  we onlangs laten weten dat we in aanmerking willen komen voor de Jaarlijkse Diaconiepprijs.  

 

2.      De context waarin ik sinds jaren leef en werkzaam ben.

De context is Rotterdam Zuid en met name in de oude en naoorlogse volkse wijken.  Een aantal  van deze wijken zijn de wijken met de meeste armoede en kansloosheid. Om een voorbeeld te geven: de wijk Feijenoord telt 69000 inwoners  waarvan 35% autochtonen en 65% bewoners bestaande uit vele nationaliteiten. Bijna 1op de 3 inwoners ontvangt een uitkering voor arbeidsongeschiktheid, werkloosheid of algemene bijstand.  63% van de bewoners is laagopgeleid. Verschillende wijken zijn uit balans en kampen met maatschappelijke problemen  zoals armoede, normvervaging  en overlast. Sociaal- economische en sociaal-culturele factoren liggen vaak  ten grondslag aan deze problemen.  In Rotterdam Zuid leeft een groot deel van de 15000 vluchtelingen in Rotterdam.

 

3.       Mijn motivatie.

·        Vanaf mijn kennismaking met het M.O. in de jaren zestig is het leven van en met de meest kwetsbare migranten bijna vanzelfsprekend de rode draad van mijn keuzes geworden.

·        Het leven met “migranten” in de grote steden hebben daarbij altijd  de voorkeur gehad.  Sinds mijn pensioen in 2001 zijn dat specifiek de “mensen zonder verblijfsdocumenten”geworden; mensen die volgens de overheid “illegaal”in Nederland verblijven.

·        Deze mensen zelf hebben mij altijd de energie en voldoening gegeven.

·        De bondgenoten met wie ik samenwerk zijn daarbij onmisbaar.

·        Ik leef voordurend in het besef dat ik op het spoor zit van “het hart van het christendom” .Ik word  zolang ik dit leven leid aangemoedigd door de Sociëteit die de zorg voor asielzoekers als een van haar speerpunten ziet.

 

4.      Terug naar begin van dit verhaal het: Waarom deze inleiding?

5.