Homilie door Hans van Leeuwen S.J.
Bij het afscheid van Ben Henkus
Genesis 4, 8-15 Matteüs 25, 34-40
Het heeft even geduurd vóór ik een
vermoeden kreeg,
waarom
Ben een voorkeur had voor het verhaal van Kaïn en Abel.
Het
was niet, omdat hij zo’n sombere kijk had
op
het leven en samenleven van mensen,
al
noemde hij dit verhaal een prototype van de mensengeschiedenis
waarbinnen
de ene mens de andere naar het leven staat.
Nee,
het was eerder als een stille roep: ik zie dat het zo is
en
steeds weer gebeurt, maar moet dat ook zo zijn?
Ik
ging begrijpen waarom dit verhaal volgens hem vergezeld moest gaan
van
een andere tekst – Matteüs 25 – over de vraag
waarnaar
ons leven beoordeeld zal worden.
Die
twee teksten die we ook vandaag hier samen
laten klinken
gaan
niet over de werken van barmhartigheid
die
in een onbarmhartige wereld gedaan moeten worden.
Maar
over de vraag die beide lezingen verbindt:
“moet
ik dan op mijn broeder passen?”
Onze
wereld schreeuwt erom dat wij op elkaar zouden passen,
elkaars
leven zouden behoeden, elkaar het leven mogelijk zouden maken.
Als
we dat doen gebeurt er iets wonderlijks.
Als
je op die mens naast je bent ingegaan,
als
je gezien hebt wat hij nodig heeft,
dan was de Heer daar in die ander – dan was God
daar te vinden.
Je
zult het achteraf merken – als de verwonderde conclusie van het hier en nu.
Het
is al begonnen, merk je het niet?
Het
Rijk van God komt zo tot stand, kan zo onder ons groeien.
Wij
maken Gods aanwezigheid waar.
Doordat
wij als broeders met elkaar leven
kan
God meer worden alles in allen.
Het
wonder van het hier en nu,
helemaal
van ons mensen en helemaal van God,
dat
heeft Ben zijn leven lang geboeid,
het
daarmee bezig zijn loopt als een rode draad door zijn leven.
60
jaar geleden, tijdens zijn filosofiejaren hier in dit huis,
schreef
Ben een bezinning op eigen existentie.
Dat
klinkt filosofisch, maar het was eerder de verwoording
van
een intuïtie die hij nooit meer kwijt is
geraakt.
“Midden
onder ons staat hij die wij niet kennen,
het
is de christus die wij zelf zijn.”
In
de laatste weken van zijn leven heeft hij nog eens geprobeerd het te
omschrijven:
“De
intense samenhang tussen Kerk en Wereld, en tussen Geloof en Gerechtigheid
is
wat mij levenslang geboeid heeft.”
We
nemen vandaag afscheid van iemand
die
op een heel eigen manier heeft geleefd.
Een
heel eigen manier, die hem denk ik ook eenzaam heeft gemaakt.
Al
tijdens zijn vormingstijd werd duidelijk dat
zijn
fysieke gesteldheid zijn actieradius zou gaan bepalen.
Deze
beperking, gecombineerd met zijn karakter,
hebben
Ben gemaakt tot wie hij was onder ons.
Mag
ik proberen het te schetsen?
Hij
was een stille ooggetuige.
Dat
lijkt wat op afstand, maar het was zeer betrokken op al wat er gebeurt,
vastgehouden
door dat hier en nu.
Daarmee
was hij eerder denkend dan doend bezig.
Reflectie
verliet hem nooit.
Steeds
weer registreren, analyseren, uitwerken,
vastleggen
tot in details – niet alleen wat er om hem heen gebeurde,
maar
ook in hem zelf, zijn gezondheid geestelijk en fysiek op de voet volgend –
Zijn
activiteit bestond voor een groot deel
in
het denkend en schrijvend bij elkaar brengen en houden
van
het wezenlijke en het actuele in het hier en nu.
Het
wezenlijke was voor hem niet belangrijk,
als
het niet in de actualiteit concreet werd.
En
het actuele werd door hem graag steeds getoetst
aan
waar het om zou moeten gaan.
Daarin
was hij enerzijds sturend en stuwend,
en
anderzijds steeds dienstbaar.
Zo
heb ik hem leren kennen in het hart van wat
hij zelf graag noemde
de
mouvement, een beweging die zocht naar geestelijke vernieuwing
onder
ons studenten hier in het Berchmanianum.
Wie
Ben vooral de tweede helft van zijn leven meemaakte,
een
half-verborgen leven van 30 jaar in het provincialaat,
verslagen
makend en de levensloop van alle medebroeders beschrijvend,
of
in het helemaal verborgen leven de laatste tien jaar op het Berchmanianum,
schrijvend aan zijn Diachronische Vogelvlucht, 30 banden aan ons nalatend met
dwarsdoorsneden van de geschiedenis van Nederlandse jezuïeten en oud-jezuïeten,
wie
Ben vooral door die bril bekijkt, zal mij vreemd aankijken als ik zeg:
hij
stond midden in het leven ondanks het verborgen leven dat hij leidde.
Ik
weet dat dit in hemzelf een spanning opriep.
In
hem was heel veel opgeslagen,
maar
waar kon en mocht dat eruit komen?
Waar
werd het vruchtbaar?
Dat
was trouwens net zo goed spannend voor ons eromheen.
Zijn
invloed was merkbaar, maar vaak niet grijpbaar.
Hij
viel stil of nam afstand,
als
we ermee in gesprek wilden komen.
En
toch, juist zo en niet anders was Ben vruchtbaar op verschillende terreinen:
intern,
in het leven van onze provincie,
in
het vormingswerk toen dat zelf in een kritieke fase van omvorming verkeerde,
voor
het katholiek onderwijs, waarin hij jaren lang
een
strategische positie had als vertegenwoordiger van de bisschoppen.
Maar
Ben zal ons toch vooral bijblijven als de stille ooggetuige.
Die
alles in zich opnam en het op zijn manier verwerkte,
wikte
en woog, trachtte te onderscheiden, veel in zijn hart bewaarde
of
het aan het papier toevertrouwde.
Alles
ging zo door hem heen, zo leefde hij met alles,
de
dood niet uitgezonderd.
Hij
gaf mij niet lang geleden een laatste gedeelte van zijn geschriften te lezen.
Daarin
trof mij deze zin:
‘De
kern van mijn leefbesef of leefbewustzijn is: een zich geheel en al wel
gevoelen.
Doorheen
mijn zesentachtig levensjaren tot en met mijn heden
en
naar het zich laat aanzien tot en met mijn laatste dag.
Of
geformuleerd in de geest van de Geestelijke Oefeningen:
“…zonder
dat er enige mogelijkheid tot twijfel bestaat….” (175)
Eerlijk
gezegd, ik verwacht niet dat ik of mijn gedachtengoed vernietigd zal worden.
Wellicht
wel misverstaan zal worden.
Maar
ik ben er zeker van dat alles op zijn plaats terecht komt.’
Het
zou mij niet verbazen als Ben het soms
anders gewild had.
Dat
hij meer had gewild, duidelijker had willen uitdragen wat hem bezielde.
Vandaag
is het de dag om tegen hem te zeggen:
dit
was jij Ben voor ons.
We
hopen en bidden, ja delen jouw zekerheid dat
ook
jij nu op je plaats terecht bent gekomen:
bij
de God van Kain en Abel, bij onze God die al wat wij voor elkaar zijn
behoedt
en zegent en in zijn liefde opneemt.
Nijmegen
1 september 2015 Hans
van Leeuwen s.j.