De gave
van de oude dag
Oudere jezuďeten in hun eigen woorden
Gerard L. McKevitt S.J.
Het Amerikaanse tijdschrift “Studies in the
Spirituality of Jesuits” bracht een studie uit over jezuďeten en ouder
worden. Uitgebreide interviews met oudere
jezuďeten maken korte metten met veel stereotypen. Deze mannen brengen een
rijke ervaring mee in de latere fase van hun leven en velen hebben het gevoel
dat zij ook dan nog groeien in hun roeping. Ondanks een duidelijke
achteruitgang wat betreft hun gezondheid en mogelijkheden, hebben een aantal de
overgang naar de ouderdom met succes gemaakt en zij hebben niet alleen vrede
gevonden, maar zijn er ook gelukkig in.
“De heel ouden…. zijn ons voorgegaan
op een weg die wij misschien ook moeten gaan, en ik denk dat we bij hen te rade
moeten gaan wat dat voor een weg is.”
(Plato)
I
Inleiding
Ben je gelukkig in je roeping? Dat was
de belangrijkste vraag waarover jezuďeten uitgenodigd werden na te denken
tijdens het jaarlijks gesprek met hun provinciaal. Ofschoon de rekenschap van
geweten tegenwoordig over heel wat andere zaken gaat, is deze basis-vraag nog
steeds belangrijk. Als iemand tevreden is in zijn roeping, is dat een
richtingwijzer bij het onderscheiden welke apostolische zendingen voor hem
mogelijk zijn en of hij wel of niet zal volharden in zijn roeping. Maar hoe is
dat als je oud wordt? Is tevredenheid nog mogelijk, als iemand ouder wordt,
zijn geheugen achteruit gaat, zijn energie afneemt en allerlei verschijnselen
van minder-worden zich steeds duidelijker aftekenen? Veel oudere jezuďeten
houden vol dat je ook dan tevreden kunt zijn. Voor hen is en blijft de
belangrijkste vraag, zelfs in de laatste jaren van hun leven: Ben je gelukkig
in je roeping?
Dat is het thema van deze aflevering
van Studies. Met behulp van interviews met oudere religieuzen, wordt geprobeerd
te ontdekken of jezuďeten in feite op een gelukkige manier oud worden in de
Sociëteit. En ook, wat de oorzaak is van het feit dat sommigen op een aangename
manier oud worden, terwijl anderen nooit hun rust daarin kunnen vinden. Omdat
we allemaal ooit ouder worden, is het antwoord op deze vragen van cruciaal
belang voor iedere jezuďet, jong, van middelbare leeftijd, of oud. Wat de
journalist David Brooks over oude mensen zei is ook waar voor ieder van ons:
“De ouderen, zij zijn onze toekomst.”
Maar hoe kan een 80-jarige die
moeizaam door het leven gaat door verzwakte spieren en een afnemend geheugen,
tevreden zijn? Als de jaren vorderen “kunnen we niet meer hard lopen of zelfs
lopen zo snel als we dat gewoon waren,” schrijft iemand en we ontdekken “overal
pijntjes die er tevoren niet waren.” “Zeventig jaar,” waarschuwt psalm 90, is
de boog van ons leven en alles na je tachtigste “is moeite en leed."
Volkswijsheid zegt dat de ouderdom een tijd is die velen vervloeken: “Ouderdom
is niet voor moederskindjes.”
In tegenstelling tot de heersende
opinie tonen recente studies aan, dat mensen gelukkiger zijn naarmate ze ouder
worden. Volgens een rapport uit 2010 van de Nationale Academie voor
Wetenschappen zijn senioren meer tevreden dan mensen van middelbare leeftijd en
als ze de leeftijd van 85 bereiken zijn zij gelukkiger dan toen zij 18 waren.
We veronderstellen dat het wegvallen van gezondheid lijden met zich meebrengt
en toch zeggen deskundigen dat mensen zich aanpassen aan de meeste chronische
gezondheidsproblemen. Vandaar dat een 80-jarige jezuďet van Georgetown, ondanks
een by-pass operatie en een vroeger gebroken heup, meldt: “Ik geniet ontzettend
van het leven.”
De
methode van het interview
Dit artikel begint met enige
basis-observaties over ouder worden die voor de meesten niet nieuw zullen zijn.
Daarna analyseer ik de interviews met een groot aantal jezuďeten wier opmerkingen
de kern van mijn verhaal vormen. Deze jezuďeten traden allen in in het religieuze
leven vóór het Tweede Vaticaans Concilie en de serie Algemene Congregaties die
het leven en werken van de Sociëteit in het midden van de 20e eeuw
vorm gaven. Dan komt dit artikel op een minder bekend terrein, aan de lezer een
inkijk gevend in de innerlijke ervaring van oudere jezuďeten door middel van
hun antwoorden op een reeks vragen. Wat verklaart, na tientallen jaren van
religieus leven waarvan vele in een hoogst onrustige fase van de
kerkgeschiedenis, dat iemand dat leven toch heeft volgehouden? Heeft de
Sociëteit hem teleurgesteld en zou hij het nog eens over willen doen? Hoe kan
iemand het aan, als hij fysiek achteruit gaat en zijn nieuwe realiteit is, dat
de laatste fase van het leven in zicht is? Wat is de spiritualiteit van oude
mensen? Ontwikkelen de relatie van een jezuďet met God en zijn manier van
bidden zich gaandeweg? Het eerste doel van dit artikel is niet zo zeer te
ontdekken wat doorgewinterde jezuďeten zeggen over ouder worden, maar eerder om
in hun verhalende antwoorden te onderscheiden wat ook ons zou kunnen helpen om
een tevreden leven te leiden. Het artikel komt dan tot de conclusie dat voor
veel jezuďeten de ouderdom geen last is – of althans niet allereerst -: het is
een genade.
De antwoorden op de vragen werden niet
verkregen door middel van een statistisch overzicht maar met een methode die
meestal wordt gebruikt door historici en andere sociale wetenschappers. Het
onderzoek vereiste het doornemen van een uitgebreider wordende literatuur over
het onderwerp van het ouder worden en van de biografieën van jezuďeten,
inclusief de verbatims van 36 interviews met oudere jezuďeten, gepubliceerd
door de New England Province en de communauteit van Georgetown. Mijn
belangrijkste bron van informatie waren echter de interviews die ik hield met
bijna 40 oudere jezuďeten uit de 10 provincies van de Amerikaanse assistentie.
Zij waren allen ouder dan 70; er werden ook een paar jongeren geďnterviewd om
een breder zicht te krijgen op ouder worden in de Sociëteit.
Wie zijn deze jezuďeten? Sommigen zijn
kennissen van mij; anderen werden mij aanbevolen door collega’s, die – toen zij
hoorden van mijn project bij mijn bezoek aan hun communauteit – zeiden: “Je
moet zeker die of die interviewen.” Zij vertegenwoordigen een breed spectrum
van apostolaatsvormen: pastoors van parochies, sociale werkers, schrijvers,
begeleiders van retraites, vroegere rectoren en provinciaals, leraren op een
middelbare school, universiteitsprofessoren en allerlei soorten bestuurders.
Unaniem worden zij door hun medebroeders gezien als geslaagde religieuzen.
Velen van hen zijn nog actief en sommigen hebben nog een verantwoordelijke functie.
Een deel van hen is gepensioneerd of werkt part-time; anderen wonen in een bejaardenhuis
van de provincie. Sommigen hebben een slechte gezondheid, en enkelen zijn
stervend.
Een opvallende eigenschap van deze
jezuďeten was hun ruimhartige openheid. Ofschoon Amerikaanse mannen de naam
hebben zo opgevoed te zijn dat ze niet praten over hun gevoelens, hebben deze
mannen met weinig uitzonderingen frank en vrij mijn vele vragen beantwoord. Vanwege
de kwetsbaarheid en de vaak intieme aard van onze gesprekken, zijn de namen en
de verwijzingen naar het instituut waar ze bij horen veranderd om de
vertrouwelijkheid te bewaren. Waarom waren mijn gesprekspartners zo welwillend?
Iemand zei dat het interview voor hem persoonlijk een hulp was omdat “het mij
de kans gaf om na te denken over hoeveel geluk ik gehad heb.” Een ander
vergeleek het gesprek met een mini-retraite. Aangezien de meesten priester waren,
waren ze zelf gewend om confidenties te aanhoren; zij zijn geoefend in het
pastoraal gesprek, een belangrijk apostolaat van de Sociëteit van Jezus; en zij
hebben een leven lang hun innerlijk open gelegd in de rekenschap van geweten.
Een dergelijk mondeling onderzoek
biedt unieke voordelen. Het doel ervan is om te ontdekken wat het betekent in
een specifieke tijd en plaats deel uit te maken van een specifieke groep in de maatschappij – in dit geval oudere
Amerikaanse jezuďeten. Mondeling daarover spreken maakt het vaak mogelijk om
iets meer te begrijpen van marginale of
onder-vertegenwoordigde groepen in een groter cultureel geheel. Het is mijn
overtuiging dat oudere jezuďeten een te weinig bestudeerde groep zijn in het grotere
geheel van de Sociëteit van Jezus. Daarom verschaft dit project niet alleen
informatie over een aspect van het religieuze leven (ouder worden) dat anders
te weinig gedocumenteerd zou zijn of verloren zou gaan, maar het schept ook de
mogelijkheid van een onderling gesprek van verschillende generaties over een
onderwerp waarover wij jezuďeten zelden praten. Andere voordelen komen voort
uit het feit dat mondeling historisch onderzoek informatie verkrijgt door
middel van een aantal open vragen. Deze werkwijze maakt het voor de onderzoeker
mogelijk om bepaalde gebieden uit te diepen, terwijl het tegelijk degene die
ondervraagd wordt in staat stelt het gesprek te leiden in een richting die hij
zelf belangrijk vindt. Daarom gaat de gedachtewisseling soms in een onvoorziene
richting en zijn de antwoorden vaak spontaan en hebben het karakter van hardop
denken. Afhankelijk van de opstelling van de geďnterviewde stelt deze
gesprekstechniek de interviewer in staat om dieper in te gaan op de affectieve
ervaringen en het innerlijk van de geďnterviewde. Dit resultaat kan heel
verrijkend zijn, zoals uit de volgende bladzijden zal blijken.
Op een paar punten moet er een
voorbehoud worden gemaakt bij deze methode van mondeling historisch onderzoek,
die de lezer in gedachte zou moeten houden. Omdat het aantal geďnterviewden
beperkt was, zijn hun ervaringen – hoewel verhelderend – niet per se typerend
voor een grotere groep. Vandaar dat de conclusies die in dit artikel worden
getrokken niet zo maar kunnen worden toegepast op alle oudere jezuďeten. Bovendien
waren mijn gesprekspartners merendeels personen die door anderen werden
beschouwd als graag gezien en succesvol in hun werk. Maar zelden ging het om
iemand die je zou kunnen beschrijven als bitter of ongelukkig; integendeel, de
meesten van deze religieuzen leken tevreden. Ja, een van de redenen om hen te
interviewen was juist om te ontdekken hoe zij het klaar speelden om zo goed om
te gaan met de beperkingen waarmee het ouder worden gepaard gaat. Een andere
waarschuwing: dit artikel is even beschrijvend en anekdotisch als analytisch.
Terwijl het gebruik maakt van de bevindingen van deskundigen op het gebied van
de gerontologie, wier werk een licht werpt op de ervaring van het ouder worden,
is mijn belangrijkste doel als historicus geweest om te ontdekken wat die
ervaring voor jezuďeten betekent en dan – als dat mogelijk is – te onderzoeken
hoe de overige jezuďeten met deze wijsheid hun voordeel zouden kunnen doen. Het
lijkt duidelijk dat wij, ook al kunnen we het verloop van onze levensreis niet
zelf onder controle houden, toch keuzes kunnen maken die een hulp zijn voor een
gelukkige oude dag.
Jezuďeten
en ouder worden
Het is meer en meer nodig dat wij ons
op die reis voorbereiden, omdat we steeds langer leven. Sinds 1840 is de
levensverwachting van een Amerikaan geleidelijk aan omhoog gegaan met een kwart
jaar per jaar, waardoor zij nu ongeveer 78 jaar is en dat is een leeftijd die
hoger is dan vroeger voor mogelijk werd gehouden. Vijftig jaar geleden vormden
jezuďeten die 70 jaar en ouder waren slechts 6% van de Amerikaanse Sociëteit.
In 2010 was die groep als een paddenstoel gegroeid tot 66.35%. Deze
tegenstelling is de jezuďeten die dit tijdperk van ongekend hoge leeftijd meemaken,
niet ontgaan. “Je staat paf van het getal,” merkt een priester op als hij terugdenkt
aan het moment dat hij 70 werd. “Ik was toen tweemaal zo oud als mijn vader
ooit was, en ik ben nu zelfs ouder dan mijn moeder werd.” Sommige deskundigen
menen dat minstens de helft van de baby’s die in Amerika en de ontwikkelde
wereld geboren worden, vandaag mogen
verwachten 100 jaar te worden. Dit nieuwe gegeven dat mensen veel langer leven
zal grote consequenties hebben voor de Sociëteit.
De doorsnee-jezuďet ligt niet wakker
van de sociale implicaties van het ouder worden. Dat onderwerp mag de ouderen
bezig houden – “Ik denk veel na over het ouder worden,” zegt een van die
ouderen, “Ik word er voortdurend aan herinnerd” – maar het houdt de meesten van
ons niet erg bezig. Er is een stroom van literatuur over de spiritualiteit van
jongeren en mensen van middelbare leeftijd, merkt de jezuďet-theoloog Gerald
M.Fagin op, maar “we hebben de ouderen verwaarloosd, omdat we aannamen dat de
ouderdom geen groei meer kent.” De jezuďet-gerontoloog Myles N.Sheehan heeft
veel geschreven en gedoceerd over dit onderwerp, en Fagin en William A.Barry
hebben beiden geschreven over de noodzaak om een jezuďeten-spiritualiteit te
ontwikkelen voor het hele leven. Op de
home page van de provincie van New York staat een interessant artikel, “Hoe
jezuďeten omgaan met het ouder worden.” Afgezien van een persoonlijk verhaal zo
hier en daar, zijn er weinig beschrijvingen van ouder wordende jezuďeten in hun
eigen woorden. Vanwaar die stilte? Het kan een gevolg zijn van het feit dat de
stichtingsdocumenten van de Sociëteit over dit onderwerp zwijgen. Sint Ignatius
schreef in de Constituties over ziekte en dood, maar hij zei niets over de
ouderdom – misschien omdat hij daarvan in de Sociëteit geen ervaring had. Sint
Franciscus Xaverius stierf op de leeftijd van 46 jaar, Pierre Favre werd 40
jaar en Laynez 53. Ignatius zelf bereikte de leeftijd van 64, wat Joseph
F.Conwell ertoe bracht om op te merken “in de Sociëteit die hij kende was hij
de oude man.”
Het gebrek aan belangstelling kan ook
toegeschreven worden aan een verkeerde interpretatie van enige elementen in de
spiritualiteit van de Sociëteit die actie en productiviteit lijken te
idealiseren. Ofschoon apostolaat terecht een eerste prioriteit is, kan de
apostolische activiteit van een jezuďet de vorm aannemen van een openlijk of vermomd
goed. Als ijver “tendensen van werkverslaving bevordert of de jezuďet ervan
weerhoudt om ook aandacht te hebben voor andere levensgebieden,” zo waarschuwt
een psycholoog, dan zal de inactiviteit die bij de oude dag lijkt te horen, met
minachting en verlegenheid worden bekeken. De weerstand onder jezuďeten om dit
onderwerp verder te onderzoeken wordt nog versterkt door de cultuur in onze
maatschappij. Als Amerikanen leven wij in een maatschappij die gericht is op
succes, waarin je waarde bepaald wordt door je prestaties. In deze context
lijkt ouder worden “vooral een verlies en geen winst”.
Ofschoon jezuďeten niet veel inkt aan
het onderwerp hebben besteed, is er toch een snel groeiende hoeveelheid
literatuur over gerontologie. Heel informatief is het boek van de psychiater
George E.Vaillant: “Op de goede manier oud worden: verrassende wegwijzers naar
een gelukkiger leven”. Dit project, geprezen als “een van de langst durende en
waarschijnlijk meest uitputtende studies over geestelijk en lichamelijk
welzijn,” begon als een studie over gezonde en goed aangepaste mannelijke tweedejaarsstudenten
van Harvard in 1937. Gebruik makend van gegevens van de 70 jaar daarna komt het
team van Vaillant tot de conclusie dat er 7 factoren zijn die een gezonde
manier van oud worden voorspellen, zowel psychisch als fysiek. Naast het
ontwikkelen van gezonde manieren om met moeilijkheden om te gaan, noemen zij
opvoeding, een stabiel huwelijk, niet roken, het vermijden van verslaving aan
alcohol, een gematigde lichaamsbeweging en een gezond gewicht. Zij ontdekten
ook dat het hebben van sociale contacten, meer nog dan intelligentie of de
sociale klasse van de ouders, bevorderlijk is voor een geslaagde manier van oud
worden.
Maar de Harvard studie heeft
wonderlijk genoeg weinig te zeggen over religie, die in deze studie tegenover
spiritualiteit wordt gesteld. De meeste religies, zo stelt Vaillant, zijn erg
“rigide en dogmatisch, en daarom hebben
hoop en liefde meer dan geloof een positieve invloed op het ouder worden op een
goede manier. Het al of niet aanwezig zijn van spiritualiteit of het aanhangen
van een religie hebben er weinig mee te maken. Bovendien is het nog steeds
onzeker of geloof en spiritualiteit werkelijk verdiept worden als je ouder wordt.” In een populair
boek over ouder worden vermijdt een andere auteur het om priesters te
interviewen, omdat “het behoren tot een instituut een rem zou kunnen zijn voor
hun persoonlijke opstelling.”
Dit wordt tegengesproken door de ervaring
van de meeste jezuďeten. In 1980, toen James F.Maguire van de provincie van
Detroit in een onderzoek werd gevraagd, wat hem op de been hield en wat hem
voldoening in zijn leven gaf, begon de 75-jarige zijn tevredenheid te
beschrijven “met mijn leven samen met medebroeders en met mijn werk, dat veel
contacten heeft met universiteit, studenten en vrienden. Maar de belangrijkste
verklaring van mijn tevredenheid en gevoel van geluk in het jezuďeten-leven is
van spirituele aard. Langzaam – heel langzaam – heb ik tijdens de 57 jaren van
mijn leven als jezuďet de geleidelijke verdieping mogen ervaren van mijn
gezel-zijn van Christus.” Als de ervaring van Maguire niet alleen de zijne is,
dan is religieus engagement een belangrijke factor in het leven van een jezuďet.
Mijn eigen geboeid zijn door het
fenomeen van het ouder worden had te maken met twee ervaringen, de ene heel
alledaags. Ik heb mij lang afgevraagd waarom populaire tijdschriften in
cartoons oude mensen afbeelden op een bank in een park. Waaraan denken oude
mensen, als zij daar zo zitten en de wereld aan zich voorbij zien trekken? Hoe
verschilt hun leven van blijkbaar niets te doen hebben van mijn eigen bezige
leven? Op die vragen vond ik een gedeeltelijk antwoord vijf jaar geleden.
Terwijl ik doceerde aan de Fordham universiteit moest ik een spoedoperatie aan
mijn rug ondergaan, die mij het gevoel gaf oud te zijn op de leeftijd van 66.
Toen ik voor revalidatie in de ziekenboeg van de provincie van New York was,
kwam ik in dagelijks contact met veel mensen die ziek waren en ouder dan
ikzelf. Gesprekken met deze jezuďeten en een langere periode van herstel later
in Californië brachten mij ertoe te onderzoeken wat het betekent om ouder te
worden in de Sociëteit. Na het een en ander te hebben gelezen over dit
onderwerp begon ik oudere jezuďeten in heel de assistentie te interviewen. Deze
ontmoetingen resulteerden in een aantal gesprekken, die rijker waren dan ik
ooit in mijn leven had gehad. Dit artikel is opgebouwd rond vragen die tot doel
hadden te ontdekken, hoe de ouderen en de gepensioneerden (en dat is niet
noodzakelijk hetzelfde) hun bestaan interpreteren.
Ik schrijf dit niet op de eerste
plaats voor 80-jarigen – er is niet veel wat ik hen kan zeggen wat ze al niet
weten – maar voor jongere lezers, die er misschien profijt van kunnen hebben te
horen hoe ouderen vertrouwelijk spreken
over een onderwerp dat in de recreatie zelden wordt aangeraakt. Ik hoop dat wat
jezuďeten op deze bladzijden tegenkomen hen zal helpen om al onderscheidend
keuzes te maken met betrekking tot hun eigen leven. Aangezien meerderen van ons
langer zullen leven, zullen we ook meer van onze dagen slijten als oudere
mensen. Daarom zou het verstandig zijn om ons af te vragen wat er van ons
gevraagd zal worden, zoals Socrates ons aanspoorde: “Ik houd ervan met heel
oude mensen te spreken. Zij zijn vóór ons een weg gegaan die wij misschien ook
nog moeten gaan. En ik denk dat we hen moeten vragen wat voor weg dat is,
ongeplaveid en moeilijk, of gemakkelijk te begaan.” Een gerontoloog zegt het
nog wat directer: “De ouderdom lijkt op een mijnenveld; als je voetafdrukken
ziet die leiden naar de overkant, stap daar dan in.”
II Zij
vertellen hun verhaal: gesprekken met oudere jezuďeten
Wie
is oud?
Net zoals andere Amerikanen hebben jezuďeten
geen eensluidende mening over de oude dag. Maar wanneer de gezondheid gaat
wankelen, dan verdwijnt de onzekerheid al gauw. “Zie je al die pillen daar op
mijn bureau? Ik had een hartaanval en daarom heb ik nu te maken met een aantal
doctoren en neem ik veel medicijnen in. Dat is een teken van ouder worden.”
Gevraagd wanneer hij zichzelf als oud begon te beschouwen zegt een 87-jarige
vroegere pastor: “Ik dacht er niet echt aan tot twee of drie jaar geleden,
omdat mijn gezondheid goed was, maar toen werd ik ziek en zakte achter het altaar
in elkaar. Het was op dat moment dat ik tegen mezelf zei ‘Je wordt oud!’”
Hoe mensen zichzelf beleven komt niet
altijd overeen met hoe zij er werkelijk aan toe zijn. Zoals anderen hebben
opgemerkt, “Komt de oude dag voor iedereen als een verrassing en niemand komt
er ooit echt mee klaar.” De drang om te ontkennen dat alles minder wordt, is
groot. Er zijn 70-jarige jezuďeten die in een spiegel kijken en daar een
50-jarige zien. Misschien omdat celibatairen geen echtgenoot, kinderen of
kleinkinderen hebben die hen als spiegels laten zien dat zij ouder worden, zijn
zij dikwijls verbaasd als anderen hen als oudgedienden behandelen. “Ik had een
grappige ervaring in een bus in San Francisco, herinnert zich een jezuďet uit
Californië: Toen ik instapte, keek een klein oud dametje dat in de afdeling zat
die bestemd was voor oude mensen en invaliden, naar mij en bood mij haar plaats
aan.” Een leraar in zijn late 70-er jaren zegt: “Voor mijn studenten ben ik
blijkbaar een oude man. Daar moet ik mijzelf voortdurend aan herinneren, want
ik voel mij 50.” Als we geluk hebben, kunnen we ons zelf echter geleidelijk aan
meer realistisch gaan kennen, daarbij geholpen door hoe anderen ons zien. “Eén
van de redenen dat je denkt over oud worden is dat anderen op die manier naar
je kijken. Het begint voor jou in een sociale context.” Kinderen beginnen te
zeggen “Kan ik u helpen mijnheer?” en anderen vragen je om raad. Of je begint
te merken dat je over het hoofd wordt gezien en dat je niet meer meetelt. Daar
ga je dan op reageren en je begint jezelf ook anders dan tevoren te beleven.
Oude mensen zullen gemakkelijk beamen
dat ouderdom zijn nadelen heeft, maar zij verschillen van mening als het erom
gaat ze te benoemen. Als iemand bijvoorbeeld geen zinvol werk meer heeft, kan
dat een last worden. Iemand die niet meer werkt vindt dat het moeilijkste van
gepensioneerd zijn is “dat je wereld heel klein wordt en dat je verschrikkelijk
op jezelf geconcentreerd raakt. Daarom helpen sociale contacten om je aandacht
van jezelf weg te halen en om je te realiseren dat er ook nog andere dingen
gebeuren die belangrijk zijn. Anders word je nog meer de hypochonder die je al
bent.”
Als iemand voor een groot deel van
zijn leven midden op het toneel heeft gestaan, brengt ouder worden
onvermijdelijk het onwelkome gevoel met zich mee naar de rand te worden
gedrongen. ”Ik moest ermee klaar komen dat ik iemand van het verleden ben en
niet van de toekomst en dat anderen mij goedschiks of kwaadschiks ook als
zodanig beschouwen. Zij doen er aardig over, maar je weet dat zij wanneer zij
er over denken wie zij advies zullen vragen of op wie zij kunnen rekenen, dat
zij dan niet bij jou zullen komen. Ze gaan naar de mensen achter jou en dat
kwetst je ijdelheid.” Zodoende brengt de oude dag iemand – misschien voor de eerste
keer in zijn leven op deze manier – ertoe om de onwelkome maar heilige weg van
de nederigheid op te gaan. “Ik weet niet of ik net zoveel over ouder worden
denk als ik het voel. Wat vind ik aangenaam in het ouder worden? Ik vind het
helemaal niet aangenaam!” lacht een 70-jarige, terwijl hij over zijn knieën
wrijft die vol artrose zitten. “Het ergste is de fysieke beperking” meent een
ander en toch tonen studies aan dat zelfs chronische gezondheidsproblemen op termijn
weinig effect hebben op het geluksgevoel, omdat we de neiging hebben ons erop
in te stellen.
De meest luide klachten worden gehoord
meer over het afnemen van de energie dan over het lichamelijk ongemak. “Ik sta
’s morgens heel vroeg op en het eerste waaraan ik denk is: wanneer zal ik weer gaan
rusten ?” “Van het ouder worden ben ik mij voortdurend bewust. Ik werk niet
meer zo gestaag, energiek en effectief als vroeger.” Dat inzicht trof als een
bliksemschicht een jezuďet terwijl hij de Geestelijke Oefeningen aan het geven
was. “Ik herinner mij dat ik ongeveer halfweg de retraite tegen mijzelf zei
‘Dit kan ik niet meer’. Mijn gezondheid was in het algemeen goed, maar ik had
de energie niet meer.” De psychische kracht neemt ook af. “Ik kan de dingen niet
meer voor de vuist weg doen, zegt een nog actieve man uit de Midwest. Als ik nu
een voordracht of iets dergelijks moet houden, moet ik het echt voorbereiden.
In het verleden kon ik met gemak een workshop in elkaar zetten; ik deed dat
snel en in de laatste minuut. Dat kan ik nu niet meer.”
Bijna iedereen merkt dat zijn geheugen
hem af en toe in de steek laat. “Het proces is heel geleidelijk gegaan, maar ik
moet nu zoeken naar namen, zelfs als die mij heel vertrouwd zijn.” Een ander
moppert: “Ik kan de studenten niet meer bij name noemen. Drie minuten nadat ik
ze gezien heb, klikt het. Maar dat is te laat. Ik houd daar niet van.” De
achteruitgang van het geheugen roept soms zorg op omtrent andere duistere
mogelijkheden. “Soms, als mijn geheugen mij in de steek laat, denk ik bij
mezelf: ‘Ik word toch niet dement?’ Dat is een schrik aanjagende gedachte omdat
mijn moeder Alzheimer had.” Zich bewust van deze angsten beweren deskundigen op
het gebied van het ouder worden dat een van de factoren die een gezonde manier
van oud worden bevordert, is het hebben van een goed verdedigingssysteem of
aangepaste middelen om aan die angsten het hoofd te bieden. Geslaagde oude
mensen “schijnen constant hun leven opnieuw uit te vinden, omdat ze het
vermogen hebben om van citroenen limonade te maken en van een muis geen olifant
te maken.” Zo zegt een jezuďet die de gave heeft om met het uitvallen van zijn
geheugen de spot te drijven: “Ik denk dat het beste antwoord is er niet op te
mopperen en er eerder om te lachen. En tegen jezelf en je vrienden te zeggen:
‘Kijk wat een ezel ik ben geworden!”
De
gebreken van de Sociëteit aanvaarden
Omdat we ons bewust zijn van deze
uitdagingen, hebben de meesten van ons schrik voor de oude dag. We hebben
allemaal oudere mensen ontmoet die de indruk gaven ongelukkig te zijn en die
dat gevoel op anderen overdroegen. Ieder die leefde in de 60er en 70er jaren
kan verhalen vertellen over kwade ouderen, dikwijls alcoholist, die de schrik
van hun communauteit waren. Die ervaring was zo algemeen, dat leden van veel
provincies, als ze erover spreken, onvriendelijke termen gebruiken om die groep
van oudgedienden te beschrijven die met luide stem het post-conciliaire tijdvak
domineerden: “Dinosaurussen, oude lieverdjes, het Sanhedrin, platvoerse Sociëteit.”
Omdat ze een voorop gezet idee hadden wat het betekent jezuďet te zijn, konden veel van deze mensen, die van
middelbare leeftijd waren tijdens het Tweede Vaticaans Concilie, niet meer tot
andere ideeën gebracht worden. Vandaar de veel gehoorde klacht: “Dit is niet
meer de Sociëteit waarin ik ben ingetreden!”
Als je de anekdotes mag geloven, zijn
er vandaag de dag minder zonderlinge types onder de priesters. “Ik ben op deze
plek in verschillende fasen van mijn leven geweest,“ zegt een vroegere bestuurder
als hij het heeft over het bejaardenhuis van zijn provincie waar hij nu leeft.
“Tientallen jaren geleden was het huis gevuld met afgedankte mensen, boze en
verbitterde mensen. Maar nu zitten er mensen die een leven lang goed werk
gedaan hebben. Het is goed volk en het is geweldig om met hen te leven.” De
overste van hetzelfde huis gedurende die vroegere periode denkt terug aan wat
vroeger de sfeer bepaalde: dood, ontkenning en depressie. Sinds die tijd zijn
veel van die troosteloze figuren naar andere plaatsen vertrokken.
Veel van de mensen die voor dit
project geďnterviewd werden gingen door een turbulente periode. Toen ze jonge
priester of scholastiek waren had hun loopbaan iets van een spagaat, levend en
werkend in een kerk die tegelijk voor- en naconciliair was. ”Ik legde mijn
geloften af in 1962 in de oude kerk en toen werd opeens alles veranderd.” Als
jonge religieus beleefden zij de woelige tijd van de 60er en 70er jaren, die
ook inhield het einde van het traditionele communauteitsleven en apostolaat; en
zij waren de eerste generatie die moest meemaken hoe drommen mensen de
Sociëteit verlieten. Wat deze generatie onderscheidt van die groep sarcastische
ouderen is dat zij veel van de
veranderingen die in kerk en Sociëteit werden ingevoerd, verwelkomden. Als
pasgewijde priesters bijvoorbeeld omarmden de meesten van hen de vernieuwingen
in de liturgie. Ook zij konden zeggen “Dit is niet de Sociëteit waarin ik ben
ingetreden.” maar zij waren blij met de breuk met het verleden. Een priester beschrijft,
hoe hij op zijn campus naar de kerk ging op de zondag, dat de Mis voor de
eerste keer in het Engels gevierd kon worden. “Ik stond daar en ik huilde,
omdat er iets gebeurde waarvan ik had gedacht dat ik het tijdens mijn leven
nooit zou meemaken. Het overweldigde me.”
Desalniettemin zijn er ook in het
vroegere religieuze leven van deze jezuďeten dingen die ze betreuren. Als we
willen verstaan hoe zij op hun oude dag rust vonden, is het nodig te begrijpen
dat teleurstelling en beproeving hen niet bespaard bleven. Het zijn geen
naďevelingen of heiligenbeeldjes, maar realisten die getekend zijn door minstens
een halve eeuw jezuďeten-leven. In het algemeen is hun ervaring dat religieus
leven, zoals alle menselijk leven, zijn kruiswegstaties kent. Voor het geluksgevoel
dat deze ouderen nu kennen met betrekking tot hun roeping hebben ze hard moeten
vechten. Maar hun vermogen om klaar te komen met de beproevingen van het leven
maakt de vrede die zij als oude mensen hebben gevonden, geloofwaardig en geeft
er een context aan.
Ofschoon hun vorming hen een stevig
fundament gaf, moet ook gezegd worden dat dit gebeurde in afzondering van de
wereld die zij geacht werden te dienen. “Hoog en droog op een bergtop gedurende
de eerste zeven jaar in de Sociëteit, herinnert zich een priester van 60, waren
we zo geďsoleerd dat het zien van een meisje je een schok gaf.” De weinig
gelukkigen die filosofie studeerden in St. Louis op een campus
met lekenstudenten waardeerden die
ervaring. Maar “de scholastieke filosofie die we kregen was zonder meer
nonsens, vooral de cosmologie.” Als scholastieken leefden zij in een Sociëteit
waarvan de houding ten aanzien van seksualiteit er een was van schrikachtige
verlegenheid. Dat werd duidelijk in wat men zich herinnerde van de instructies
over de kuisheid en de geloften zoals die door een novicemeester werden gegeven,
die zijn opmerkingen begon met “We moeten ons niet op dit gladde ijs begeven.”
Hun theologiejaren zijn dikwijls
voorwerp van scherpe kritiek, zelfs vandaag nog. “Op het platteland, omringd
door koeien en een ouderwetse faculteit, was het de slechtste tijd van mijn
hele leven als jezuďet. Het was gewoonweg verschrikkelijk en het doceren was
armoedig, vooral de exegese. We hadden wel een aantal goede profs maar het
kaliber van de theologie in die jaren was van ongelijke kwaliteit en de faculteit
was tamelijk oudbakken en statisch. De passiviteit in het hele leerproces kon dodelijk
zijn en creativiteit werd niet aangemoedigd.”
Vandaag de dag hebben jezuďeten een
goede ervaring met het tertiaat, maar hun voorgangers waren dikwijls heel erg
teleurgesteld. Tenzij je stootte op een charismatische instructor, leken de
programma’s “ouderwets, kinderlijk en zelfs verschrikkelijk. Het tertiaat was
het ergste jaar van mijn leven.“ De eerste fase van apostolaat in de jaren die
op het Concilie volgden was dikwijls getekend door onrust en verwarring.
Iemand die zijn leven lang bestuurder
was denkt terug aan zijn benoeming als rector van een grote voorbereidingsschool
in 1964, toen hij 35 was: “Helemaal onvoorbereid en onervaren was ik en te
jong, en onwetend wat het inhield om leiding te geven.
We hadden in die dagen het idee dat
een overste zo iets als een directeur was en dat werkte niet.” Een ander die
een hoge bestuurspost op een universiteit kreeg een jaar nadat hij zijn
doctoraal had gedaan zegt, dat “hij zelfs niet in de verste verte was
voorbereid om zo’n job op zich te nemen.”
En toch is dit geen groep jammeraars.
“Ik denk dat de Sociëteit mij teleurstelde voordat ik rijp genoeg was om te
begrijpen wat mens-zijn betekent. Als jonge kerel, vol idealisme en
enthousiasme, zag ik allerlei dingen die mij teleurstelden. Maar gaandeweg
begreep ik dat de Sociëteit een menselijke organisatie is van allemaal mensen.
De uitspraak van de 32e Algemene Congregatie ‘Wij zijn zondaars’
zegt het helemaal voor mij. Ik houd van de Sociëteit en ook van mijn leven. Ik
voel me dankbaar dat de dingen zijn gelopen zoals ze gelopen zijn. Ik zie Gods
hand in de gebeurtenissen van mijn leven. Ik zou nooit de dingen gedaan hebben
die ik gedaan heb, als ik niet ingetreden was in de Sociëteit.”
Deze mannen delen een heel diepe genegenheid voor de Sociëteit met
elkaar. Om zijn gevoel te beschrijven herinnert een 83-jarige priester zich een
scene uit de film Lawrence of Arabia, waarin een Bedouďnen-leider Lawrence
vertelt: “Ik ben een rivier voor mijn volk geweest. Zo is de Sociëteit voor mij
geweest. Ze was voor mij als een rivier. Het is geweldig.” Iemand die 70 jaar
in de orde is roept een ander beeld op: “De Sociëteit is voor mij een prachtige
moeder geweest. Ik ben helemaal gelukkig geweest, helemaal gelukkig als
jezuďet, en ik voel me helemaal vervuld. Ik kan er nauwelijks zonder tranen
over praten.” En een ander zegt: “De Sociëteit is voor mij een bron van
inspiratie. Ik denk niet dat ik ergens anders zulke geweldige mensen had kunnen
ontmoeten of zulke ongelooflijke ervaringen had kunnen opdoen. Ik heb geweldige
jezuďeten ontmoet en een heleboel leken en studenten die grootse mensen waren.
Het was een hele ervaring, niet gemakkelijk, maar ik heb er geen spijt van.”
Leven
met je eigen tekorten
“Het was niet gemakkelijk.” Wat
schuilt er achter die terloopse opmerking? Het roept herinneringen op aan jaren
van persoonlijke strijd, waarin je moest klaar komen met je zondigheid, je
minder goede impulsen moest leren beheersen en moest ontdekken wat het geheim
is van een religieuze roeping. Het verwijst ook naar de onzekerheid waarmee
geloven noodzakelijk gepaard gaat, inclusief twijfels omtrent God. “Als je
jaren lang bidt zonder dat er iets schijnt te gebeuren, ga je je afvragen of
daar wel iemand is.” Vandaar de veel herhaalde bede: “Heer ik geloof, maar kom
mijn ongeloof te hulp.” Een priester herinnert zich de turbulente eerste tien
jaren na Vaticanum II, “toen zo velen uittraden zelfs na hun wijding en daarbij
velen die ik respecteerde en nog steeds respecteer. Ik moest opnieuw nagaan wat
mijn eigen engagement was en onder woorden brengen waarom ik niet geneigd was
om het op te geven.”
Het testen van je overtuigingen houdt
niet op, als je oud wordt. Niet weinig jezuďeten, die geschokt zijn door de
gebeurtenissen van de meer recente jaren, vechten ervoor om hun vertrouwen in
de hiërarchische Kerk niet te verliezen. “Ik heb vroeger nooit dat gevoel voor
de Kerk gehad, dat in mij opkwam toen Johannes Paulus II Arrupe en de Sociëteit
zo afschuwelijk behandelde.” Een ander: “De toekomst van de Sociëteit is voor
mij belangrijk, ook die van de Kerk, maar ik zie dat de Kerk een geweldige
verandering moet ondergaan. Ik kijk naar wat ik denk dat nodig is en hoever we
daarmee nu zijn, en ik zeg tegen mijzelf: ‘Alleen God kan dat doen.’”
De crisis van het seksueel misbruik
heeft zijn tol geëist van alle gelovigen, priesters en leken, jong en oud. Na
50 jaar in de Sociëteit verklaart een priester: “Dit is het meest ontmoedigende
wat ik in heel mijn leven heb ervaren. Dit schandaal heeft mij geleerd dat ik
in een illusie leefde en het was ontmoedigend die te verliezen. Ik herinner me
dat ik met mijn boordje om in de stad liep, toen het schandaal voor het eerst
uitbrak, zegt een eerbiedwaardige man van 90 jaar. Ik had het gevoel dat
iedereen naar me keek en zei ’Daar gaat een van die kerels’”. Jezuďeten die een
gezagsvolle functie hadden kwamen voor de uitdaging te staan om publiekelijk op
dit schandaal in te gaan. “Het is moeilijk met woorden uit te leggen hoe mij
dat raakte. Eerst had ik dat gevoel van door de grond te gaan. Het was alsof je
nauwste relaties erbij betrokken waren.
En toen kwamen de krantenartikelen, sommige behoorlijk accuraat maar andere beschuldigend
en grof. Hoeveel kun je daarvan verdragen? Je gaat je ervoor afsluiten. Maar ik
kon daar niet al te lang mee bezig zijn, omdat we een open symposium over dat
onderwerp moesten organiseren in onze school.”
Naast de publieke teleurstellingen die
het vertrouwen in de Kerk ondermijnen zijn er ook de persoonlijke misstappen
die het vertrouwen in zichzelf afbreken. Kijkend in de achteruitspiegel van het
leven zien deze jezuďeten veel dingen die ze betreuren. “Ik zette heel wat
verkeerde stappen. Ik betreur veel dingen die ik deed en ik heb er veel spijt
van. Ik moet me toevertrouwen aan de barmhartigheid van God, omdat sommige van
die beslissingen stom en verkeerd waren.” Een ander zegt het op deze manier:
“De Sociëteit heeft mij niet teleurgesteld, maar zij kan met recht zeggen dat
ik haar teleurstelde. Ik zou willen dat ik een
ongeschonden blazoen had, maar dat heb ik niet. Ik heb een hoop gebreken
die mij het gevoel geven ontrouw te zijn. Ik heb niet de indruk dat mijn
overtuigingen altijd in harmonie zijn met mijn feitelijk handelen. Dat bedroeft
mij. De wijsheid van de latere jaren brengt mij tot de nederige erkenning dat
we tenslotte gered worden door Gods trouw en niet door de onze.”
Anderen zijn opgezadeld met een of
andere verslaving. “Er was een tijd vroeg in mijn leven, dat ik moeite had met
alcohol. Toen mijn drinken uit de hand liep, dacht ik: ‘Ik ga er werkelijk aan
ten onder’. Omdat ik bang was voor wat er kon gebeuren en ik die manier van leven
niet wilde, begon ik de AA (Anonieme Alcoholici) te bezoeken en ik volgde hun
methode van één-dag-tegelijk.” Zoals anderen die op de weg van het herstel
waren, ontdekte hij dat God gevonden wordt niet alleen in het succes maar vaak
nog dieper en authentieker in het falen.
Zelfs zij die vriendschap beschouwen
als een van de weldaden van het religieuze leven, vinden het communauteitsleven
soms een beproeving. “Er zijn mensen in dit huis waar ik niet goed mee overweg
kan. Ik ben heel verdraagzaam. Ik zou in staat willen zijn – en dat ben ik nog
lang niet – om God te zien in iedereen. Maar ik zie Hem niet overal. Hij is er,
dat weet ik. Ik heb het verlangen, maar het wordt in mij verdrongen door mijn
minder edele instincten. Zoals iedere jezuďet kan ik met Paulus zeggen: ‘ Ik
begrijp mijn eigen daden niet. Ik doe immers niet wat ik wil, maar wat ik
verafschuw.’(Rom. 7,15)”
Het feit dat je meer vrije tijd hebt,
wanneer je gepensioneerd bent, schept de gelegenheid om over je verleden na te
denken en dat kan soms een bron van verleiding zijn. Oude mensen staan voor de
uitdaging om hun illusies en onrealistische verwachtingen omtrent zichzelf en
anderen te laten varen. Wie de last van verantwoordelijkheid heeft gedragen is
bijvoorbeeld geneigd om jaren lang zijn beslissingen achteraf kritisch te
bevragen. “Er zijn dingen die ik beter had kunnen doen, zucht een vroegere
provinciaal, en misschien heb ik in een of twee gevallen – en feitelijk in meer
gevallen – sommige mensen pijn gedaan door hen te verplaatsen, terwijl ze heel
goed in staat waren om te blijven waar ze waren. Ze hielden er een trauma aan
over.” Een andere patriarch kijkt terug op zijn rectoraat van een communauteit
bij een high-school in de roerige 60er jaren. “Ik realiseerde mij tenslotte na
een aantal jaren, dat de provinciaal mij enige scholastieken stuurde, met de
verwachting dat ik hen zou begeleiden bij hun uittreden uit de Sociëteit. Ik
herinner me nog een stel van die mannen. Het was een heel moeilijke tijd. Ik
was werkelijk niet voorbereid op een dergelijke taak. Wat mij nu achtervolgt op
mijn oude dag, is hoeveel mensen ik misschien schade heb toegebracht in die
tijd.”
Leven onder geloften is zowel een
geschenk als een uitdaging. Relaties zijn bron van veel vreugde in het leven
van een jezuďet, maar ze kunnen je ook op de proef stellen. “Waarmee ik het
meest moeite heb is dat ik niet altijd trouw was in het onderhouden van de
kuisheid. Het gaat niet over grote zaken – niet gevaarlijk of slecht – maar genoeg
om mij over te schamen. Neem bijvoorbeeld de zelfbevrediging. Dat had ik nooit
gedaan, maar nu is het een probleem. Ik doe het niet chronisch en ik ben er ook
niet aan verslaafd, maar ik vraag me af, of ik nonchalant ben als ik tegen mijzelf
zeg dat ik daar niet al te gespannen over moet doen… Als ik mijzelf voor de
Heer plaats, voel ik dat dit niet is wat ik beloofd heb en dat ik daarin tekort
schiet.” Niemand ontkomt eraan verliefd te worden. “Ik raakte bevriend met een
vrouwelijke religieuze en ik vroeg me af, wat het voor mij zou betekenen
getrouwd te zijn. Zij had die gedachte ook. Maar als ik geneigd was om in die
richting verder te gaan, was zij dat niet; en wanneer zij het was, was ik het
niet. Ik heb de genade gehad dat ik mij realiseerde dat het feit dat je je soms
een beetje eenzaam voelt, erbij hoort. Als je kiest voor celibatair leven, gaat
dat nu eenmaal zo. Zou het fijn geweest zijn om getrouwd te zijn en een gezin
te hebben? Ja zeker, dat zou geweldig zijn, maar het is niet mijn weg.”
Ben
je gelukkig?
“Toen ik novice was, kregen wij een
blad papier met vragen om het bezoek van de provinciaal voor te bereiden.
Bovenaan stond de eenvoudige vraag ‘Ben je gelukkig in je roeping?’ Ik denk dat
dat nog steeds de belangrijkste vraag is, als je ouder wordt. Ondanks de moeilijkheden
die ook aan het religieuze leven niet vreemd zijn, beschrijven de meeste
jezuďeten die werden geďnterviewd zichzelf als “tevreden, dankbaar, gezegend”.
“Ik heb heel wat meer pijntjes en kwalen dan ik ooit in mij leven heb gehad,
maar ik ben nog nooit zo tevreden en vredig geweest als nu. Er waren veel
gelukkige tijden in mijn leven, maar geen was zo rustig als de tegenwoordige.”
Wat iemand zei die John Henry Newman op zijn oude dag bezocht, kan ook gezegd
worden van veel van deze oudere jezuďeten: “Hij ziet er oud uit; hij heeft iets
melancholisch, als iemand die door veel strijd heen is gegaan, maar hij is ook
sereen, als iemand die vrede heeft gevonden.”
Gevraagd naar de gelukkigste periode
van zijn leven als jezuďet noemt een priester die nu in een verzorgingshuis
woont eerst zijn theologiestudie 50 jaar geleden in Europa. “Maar als ik echt
eerlijk ben, dan is de gelukkigste tijd die van dit moment. Ondanks hart- en
nierproblemen. Als ik kijk hoe de zaken er nu voor staan – en niet alles is
geweldig – moet ik toch zeggen dat ik hier en nu erg, erg gelukkig ben.” Hij vertelt
van een recente ontmoeting met een kassabediende in een supermarkt. “Ik weet
niet waarom, maar de man zag eruit alsof hij op de een of andere manier in de
put zat en daarom vroeg ik hem: ‘Hoe voel je je? Is alles O.K.?’ Hij antwoordde
dat alles in orde was. En dus had ik het fout. Hij was alleen maar met zijn
gedachten ergens anders. Maar toen vroeg hij mij: ‘En hoe is het met u?’ Tot
mijn verrassing hoorde ik mijzelf zeggen: ‘Als ik nog gelukkiger was, zou ik in
de hemel zijn!’ Het was slechts een gesprekje van 30 seconden, maar het was
geweldig.”
Ofschoon niet allen even enthousiast
zijn als deze vrije geest, is het toch een opvallende ervaring van velen dat
zij tevreden zijn en zij delen dat met de meeste oudere Amerikanen.
Niettegenstaande het feit dat men algemeen aanneemt dat jeugd de belangrijkste
factor is om gelukkig te zijn, toont nieuw onderzoek aan dat voldoening in het
leven dikwijls groeit met het klimmen van de jaren. Wat is daarvan de reden?
Deels is het toe te schrijven aan het feit dat de oude dag gewoonlijk een tijd
is voor uitzonderingen en vrijstellingen. Zoals een gepensioneerde jezuďet het
formuleert: “Ik doe wat ik graag doe en verveel me nooit.” “Ik ben erg blij dat
ik gepensioneerd ben, zegt iemand die na een lange bestuurlijke carričre nu
zijn dagen doorbrengt met lezen en nadenken. Ik heb mij nooit eenzaam gevoeld
en ik verveel me nooit. Dit is een tijd om alles op een rijtje te zetten en hoe
meer ik dat probeer te doen, des te duidelijker wordt het voor mij dat dat niet
helemaal mogelijk is. Feitelijk is het leven voor mij een groter geheim
geworden, maar ik heb nu tenminste tijd om erover na te denken. Het is een
gezegende tijd.”
Als daarop wordt aangedrongen, geven
zij verschillende verklaringen. De priester die de bediende in de supermarkt
ontmoette denkt dat zijn tevredenheid deels het gevolg is van het feit dat hij
zich nu kan overgeven aan hobby’s en interesses waar hij niet aan toe kwam in
zijn actieve leven. “Ouder worden is meer een positieve dan een negatieve
ervaring, omdat ik in een heel prettige communauteit woon en vrienden heb, die
ik graag bezoek en die mij steunen. In één woord, ik leid een heel plezierig
leven. Voor mij zijn dit echt de gouden jaren. Ik moet de beperkingen
aanvaarden die komen met het ouder worden, maar ik ben dankbaar voor alles.
Zoals ik de provinciaal zei, ik denk dat ik gelukkiger ben dan ooit.”
De dankbaarheid waarvan veel van deze
senioren getuigen is oorzaak van hun geluksgevoel. Zoals spirituele schrijvers
opmerken: “Tevreden zijn met het leven verdiept zich tot een dankbare kijk op
het leven.” “Als ik terugkijk ben ik vol dankbaarheid en ik kan het niet helpen
dat ik soms in mijn kamer tot de Heer
schreeuw ‘Dank u’. Het leven is soms hard geweest, maar het was ook
inspirerend. Het is fijn dat ik kan zeggen dat ik echt gelukkig ben als jezuďet
en in wat ik heb gedaan als jezuďet. Vooral ben ik gelukkig dat ik geprobeerd
heb wat mij gelukkig maakte met anderen te delen – door onder woorden te
brengen wat onze manier van leven is en wat de spiritualiteit is waardoor het
wordt gevoed – en er zo toe bij te dragen dat ook anderen gelukkig en vervuld
werden in hun eigen leven.” Het is een door velen gedeelde overtuiging dat God
het is die hun leven geleid heeft. Iemand schrijft zijn succesvolle carričre
toe aan “het feit dat ik mijn voordeel heb gedaan met Gods genadegaven en dat ik geprobeerd heb
daarmee te woekeren. Ik voel me daar heel dankbaar voor. Je vroeg me over mijn
intreden in de Sociëteit. Dat is allemaal Gods plan. Ik ben overtuigd dat ik
niet zo gelukkig zou zijn op dit moment in mijn leven en dat ik niet zoveel
goede dingen zou hebben om op terug te kijken, als God mij niet tot de
Sociëteit geroepen had.”
Het minder worden van verplichtingen
wordt ook verwelkomd door mensen die nog apostolisch bezig zijn. Een part-time
bestuurder zegt het zo: “Ik ben blij dat ik niet meer ergens voor
verantwoordelijk ben. Ik vind het prettig dat ik niet voortdurend vooruit hoef
te denken of te plannen wat ik wel of niet doe. Ik houd ervan omdat het nu voor
mij veel moeilijker is om dat allemaal te doen. Ik heb ervan genoten niet meer
de leiding te hebben en te kunnen zeggen ‘Ik doe nog steeds mijn job en het is
een goede job en ik houd van wat ik doe. Maar de zorgen zijn nu voor anderen en
dat vind ik prima.’” “Ik zit nog in een aantal besturen, zegt een energieke
86-jarige, maar het goede van besturen is, dat je ernaartoe gaat en je
suggesties geeft en dan weer naar huis gaat en iemand anders moet ermee verder.
Ik heb niet veel zorgen meer, geen dingen die mij verontrusten en geen
verantwoordelijkheden meer. Dit is een heel gelukkige fase van mijn leven.”
“Het beste van het ouder worden is, dat je niets meer hoeft te bewijzen. Je
hebt het gedaan en je vertrouwt erop dat je je leven geleid hebt zo goed als je
kunt. Je bent niet altijd trouw of voortreffelijk geweest, maar het is een
bevrijding dat je geen dingen meer hoeft te bewijzen.”
III
Zending, de kern van het jezuďetenleven
Wat
haalt je uit bed?
Ook al wordt minder
verantwoordelijkheid bij ouderen verwelkomd, toch vind je zelden iemand die
blij is met geen enkele verantwoordelijkheid. “Ik heb een leven wat wij gewend
waren te noemen ‘normaal’, - klaagt een jezuďet uit een grote universitaire
communauteit. “Iedere dag is hetzelfde, en het is saai.” Geen hobby’s hebben,
geen plannen met een doel, en geen verplichtingen om saaie dagen te vullen,
daar is hij ongelukkig over. “Een oudere jezuďet heeft een zending nodig”,
schrijft Joseph Conwell, niet alleen om belangrijk gevonden te worden, maar “om
het gevoel te hebben dat hij een aandeel heeft in het algemene werk van de
Sociëteit. ….jezuďet-zijn betekent gezonden worden”, en om het gevoel te hebben dat iemand aan het
werk van de Sociëteit meedoet. ”Gerontologisch onderzoek ondersteunt deze
veronderstelling en laat zien dat het hebben van waardevolle plannen een noodzakelijke
factor is om gelukkig te zijn.” “Je geven aan enkele doelen geeft een gevoel
iets van jezelf te hebben en een structuur die zin aan het leven geeft" is
de slotconclusie van een studie
hierover. Oudere mensen die het doel hebben om zichzelf in leven te houden,
hebben minder controle over hun sombere gevoelens, terwijl diegenen die als
doel hebben om zich te ontwikkelen zich meer bekwaam voelen. “Eenvoudigweg een
waardevol doel hebben, onafhankelijk van
vroegere successen”, gaat samen met een betere levensvoldoening. ”Tijdens de
pensioenleeftijd is creativiteit, zoals spelen, het eerste doel” zegt iemand.
Een van de manieren waarop ouder
wordende religieuzen spiritueel en geestelijk gezond blijven is door
apostolisch bezig te zijn. Dientengevolge beschrijven de meeste jezuďeten
zichzelf als gepensioneerd van hun werk, maar niet van het geestelijk ambt. Hun
activiteiten gaan van hot naar haar, van de mis opdragen in een plaatselijke
parochie tot geestelijke begeleiding geven; van gepensioneerde medebroeders
bezoeken in het plaatselijke bejaardenhuis, tot bidden voor anderen. Omdat wij
langer leven, is dienstbaar blijven belangrijker dan twintig jaar geleden.
Zoals iemand schrijft: “Het belangrijkste van spiritualiteit in het verleden
was hoe netjes dood te gaan als iemand geconfronteerd werd met het
onvermijdelijke aftakelen van het ouder worden.
In deze eeuw van het steeds ouder worden, is de uitdaging hoe goed te
leven”. Een van de manieren om goed te leven is door zinvol bezig te zijn.
Wat ook de leeftijd is, de vraag over
de kern van de zending komt geregeld op bij jezuďeten. “Ik hoop zolang als ik
kan dienstbaar te blijven, niet alleen op de universiteit, of voor
parochiewerk, maar in alles wat zich aandient.” vertelt een leraar van
middelbare leeftijd mij. “Ik kijk niet
uit naar niets doen. Ik hoop dat creativiteit mij altijd weer op weg zet tot
aan het einde”. Oudere medebroeders denken daar hetzelfde over. Terugkijkend
naar zijn carričre, bekent een intellectuele jezuďet dat het geluk van mijn 60+
jaren van religieus leven” meer dan iets anders komt doordat ik productief
geweest ben. Ik denk dat Sigmund Freud helemaal gelijk had toe hij vroeg, ‘Wat
zijn de bronnen van geluk, of wat maakt gelukkig?’ hij als antwoord kreeg: ‘Liefde
en werk, iets om je aan te geven en iets waarin je productief kunt zijn, of om
het beter te zeggen, de genaden van God.’ Ik heb dat zelf ervaren”.
Het belang van zinvolle plannen wordt
duidelijk gemaakt in de antwoorden van deze jezuďeten op de vraag: “Wat maakt
dat je ’s morgens uit je bed wilt komen”. Het onmiddellijke antwoord van een
oudere jezuďet typeert de groep: “Het werk dat gedaan moet worden! Er is zo
veel dat gedaan zou moeten worden, en gedaan moet worden, en dat is de moeite
waard. Ik vind het fijn om te doen. Dat haalt mij uit bed,” grapt hij, “en
dikwijls laat ik het heilig officie schieten, om het voor elkaar te krijgen!”
En hij is niet de enige. “Er is zo veel dat ik wil doen,” verklaart een nog functionerende
bestuurder. “Ik kom zelden klaar met de agenda
omdat er altijd iemand telefoneert en iets nieuwe voorstelt om te doen.
Wat ik doe vind ik heerlijk en ik heb genoeg te doen. Ik ben nooit aan het
duimendraaien en vraag mij nooit af wat ik nu weer eens vandaag zal gaan doen.”
Een andere oudere priester vindt het heerlijk om de ignatiaanse spiritualiteit
met leken te delen. “Dat haalt mij uit bed ’s morgens”, zegt hij. “Ik houd er van
deel te zijn van een veranderende kerk. Dat geeft mij werkelijk energie. Waar
ik ook voor op sta ’s morgens is om alles te doen wat ik kan voor een Kerk die
wereld-vriendelijk is, een Kerk die inclusief is. Ik houd er van om daar deel van
te zijn”.
Een vermindering van
verantwoordelijkheden betekent niet dat de apostolische belangstelling
verdwijnt. “Als ik wakker word, bedenk ik wat ik de komende dag ga doen,” zegt
een 86-jarige priester die part time assisteert op een bureau van de provincie.
“Dan zeg ik: ‘Heer dit is voor U. Ik sta op om dit te doen voor U vandaag’. Dat helpt om mij te motiveren want ik ben geregeld een beetje stijf. Dan strompel
ik naar de douche en begin mijn dag.” “Soms denk ik als ik deze motivatie niet
had, wat zou ik dan doen? En lachend geeft hij zichzelf antwoord, ik zou in bed
blijven liggen!”
Anderen klagen over de afwezigheid van
een doel. “Het is moeilijk om contacten te leggen om hier iets te doen te
hebben,” zegt iemand uit een bejaardencentrum. “Het is een uitdaging om hier
iets te vinden want er is niet genoeg te doen voor iedereen”. Maar het is
noodzakelijk dat je een “actief, nuttig werk vindt, zelfs in deze fase.” Een
andere gepensioneerde, verantwoordelijk voor het distribueren van de post aan
zijn medebroeders, vertelt, “Ik houd van postdag. Het houdt mij ’s morgens
anderhalf tot twee uur bezig, en ’s middags een half uur tot een uur. Het geeft
mij iets te doen, zegt hij enthousiast, en daar houd ik van.” “Je wordt een kluizenaar waarschuwt een ander,
als je niets hebt om te doen, of iets waar je je leven mee kunt vullen. Het
werk mag weinig zijn, maar je hebt het gewoon nodig om iets te hebben waar je
voor leeft.”
Dat “iets” kan bestaan uit heel
veel. Wat de bejaarde John LaFarge
vijftig jaar geleden opmerkte, is nog altijd waar. De oude dag “zou ons niet in
onszelf moeten keren”. Integendeel het is de tijd om er op uit te gaan en
mensen te ontmoeten. ”In het bijzonder diegenen die jij alleen kunt benaderen.
Want hoe meer iemand toegankelijk wordt voor de jeugd, voor degenen die zorgen
hebben, die twijfelen, die wanhopig zijn of verward, des te meer die oudere
groeit in dienst van de Heer. Je advies, je waarschuwing, je voorspellen, mag
dan honderd keer verloren gaan. Maar die honderdste keer, zoals de kleine
inkepingen van een Yale-slot sleutel, kan een mensenhart openen”. Hierover schrijft een oud-leraar klassieke
talen “dat pensionering mij de tijd heeft gegeven om mij in het
geestelijk(priesterlijk) dienstwerk te engageren, mijn eerste roeping”. Een
andere gepensioneerde leraar begon met mis te lezen voor de zwarte parochies
dichtbij zijn residentie, toen hij niet langer zelf kon rijden naar de verder
gelegen plekken waar hij gevraagd werd. “De mis voor deze mensen op te dragen
was een van de meest fijne dingen die ik ooit heb gedaan.”
Een zeer geliefde oudere spreekt over
een apostolaat dat vaak niet gezien wordt door zijn collega’s. “Ik zeg dit een
beetje voorzichtig, maar er is een soort vormende rol van een oudere persoon.
Je bent niet de grote goeroe, en je hebt ook niet alle antwoorden, benadrukt
hij, en je moet leren om je grote mond dicht te houden. Maar de mensen
verwachten nog altijd iets, en dat is een gerechtvaardigde hoop. Mensen kijken
daarvoor naar jou. Vervul die rol, voorzichtig, “ adviseert hij. “Stel die hoop
niet teleur”.
Ouderen beoefenen een opbouwend apostolaat, zelfs als
zij zich de invloed daarvan meestal niet realiseren. De tegenwoordige 80-jarige
generatie jezuďeten is in staat om deze gave in extenso door te geven zoals nooit eerder in de
Sociëteit is gebeurd, eenvoudigweg door hun aantal. Er zijn niet eerder zoveel
richtingwijzers geweest in de geschiedenis van de Sociëteit. Dientengevolge
worden ze stilletjes bekeken door iedereen; door degenen van middelbare leeftijd
als rolmodel hoe gelukkig oud te worden en door de jongeren als voorbeeld hoe
het leven goed te leven. Terugdenkend aan de tijd dat hij filosofie studeerde,
zegt een jonge jezuďet mij, ”Als medebroeders ouder zijn, willen sommigen de
scholastieken niet leren kennen.” Zij maken de indruk dat zij gewoon “willen
genieten en zich niet druk willen maken om nieuwe mensen te ontmoeten.” Maar Joe ( niet zijn eigen naam) was er altijd
en wilde altijd gezellig bij ons blijven. “Wat mij opviel, bij een man van in
de tachtig, was dat hij uit zichzelf rondging en de namen van iedereen wist.
Hij leerde ons kennen, wilde weten van welke provincie wij waren, en hij wist
zelfs een paar kleine details over ons. Joe had het verlangen om mensen te
leren kennen. Er was openheid en aandacht voor anderen, goede kwaliteiten die
een spirituaal moet hebben.”
Ouderen hebben unieke gaven om aan hun
medebroeders door te geven als ” zin-bewaarders” om een term van Vaillant te
gebruiken. “Een van de taken van een zin-bewaarder is om jongeren er van te
overtuigen dat de oude dag zinvol en waardevol is. Als de taak van volwassenen is om biologische erfgenamen
te creëren, dan is de taak van de oude dag maatschappelijke erfgenamen te
creëren. Een van de geheimen om gezond
ouder te worden is productiviteit, dat is voorwaarden scheppen voor toekomstige
generaties; ouderen die voorwaarden scheppen voor jongeren, hebben een
gelukkiger leven dan zij die dat niet doen.” Carl Jung zei ongeveer hetzelfde
toen hij zei: “Een menselijk wezen zou zeker niet zeventig of tachtig jaar oud worden als dat
lange leven geen betekenis zou hebben voor het soort waartoe hij behoort. De
namiddag van het leven moet ook eigen betekenis hebben en kan niet slechts een
zielig aanhangsel van de morgen van het leven zijn.”
Vandaar dat de Sociëteit de gewoonte
heeft om een oudere priester aan de vormingsstaf toe te voegen. “Hij was een
groot voorbeeld voor mij als jonge jezuďet gedurende de noviciaatsjaren, zegt
een scholastiek over een oudere priester in zijn communauteit. Ik herinner mij
dat ik een paar keer naar hem toe ging en zei ‘Ik weet het niet meer. Ik ben
bijna zover om de handdoek in de ring te gooien.’ Hij had de gave om de dingen
tot rust te brengen. Hij had ook de wijsheid die je krijgt als je zoveel jaren
in de Sociëteit hebt doorgebracht, en daar ook zoveel goeds hebt gedaan voor de
orde. “Om naar hem te luisteren op die moeilijke momenten en het inzicht door
te laten dringen dat hij aandroeg, dat gaf ons het gevoel ‘hij heeft dit al
eens eerder meegemaakt.’ Hij had de wijsheid om te zeggen ‘Laten we even een
stapje terug doen en kijken wat er eigenlijk aan de hand is.’” ”Hij is een groot voorbeeld van iemand die
actief blijft in de communauteit. Ik denk dat er zulke mensen in iedere
communauteit zijn - mensen waar wij naar op kunnen kijken en zeggen, hier is iemand
waar ik naar toe kan gaan en tot wie ik mij kan wenden om advies.”
Ouderen staan ook hun collega’s bij door de moeilijkheden van
de oude dag tot een goed einde te brengen. ”Ik zie mensen die een prachtig
voorbeeld zijn van goed ouder worden. Sommigen zijn altijd heel opgewekt
geweest, zelfs tot aan het einde. Dat heeft mij beďnvloed.” “Ik zou graag willen,” zegt een andere
oudere, “dat als ik oud ben mensen mij niet mijden. We kennen allemaal mensen
die helaas zo geëindigd zijn. Iedereen vermijdt hen in de recreatie en bij de
maaltijden. Iemand die een groot
voorbeeld was, was Jimmy Martin, in Georgetown, die overleed op 104 jarige
leeftijd. Hij was toen de oudste jezuďet in de Sociëteit. Tot de dag dat hij
overleed, vroegen andere jezuďeten: Jim,
kom aan onze tafel zitten.”
Het verlangen om dienstbaar te zijn
verdwijnt niet bij ernstige ziekten. “Ik ben oud en ik ben versleten,” vertelt
een 75-jarige, en vanwege een nierziekte
“ ga ik zeker vroeger dan later dood,” Maar ik heb nog altijd werk te doen, en
ik heb nog veel geestelijke energie, en ik wil wat gaan schrijven. Bij onze
laatste ratio conscientiae zei mijn provinciaal: ‘ik wil dat je gaat schrijven
aan dat boek.’ Dus heb ik een zending.” “Een jezuďet die kanker had zei: ‘ik
heb nooit na hoeven denken over: wat ga
ik doen met deze dag?’ Het was eerder:
waar zal God mij deze dag ontmoeten? Dat is hoe ik ben omgegaan met de
behandeling het afgelopen jaar. Ik ben niet gewend om ziek te zijn, en niet
gewend om in het ziekenhuis te liggen. Vanwege chirurgie en chemotherapie, ben
ik het zeker rustiger aan gaan doen dan voordien, maar nooit helemaal niets
gaan doen. Ik heb het vermogen om aan het werk te blijven en dingen moeten gedaan
worden. Ik schrijf nog steeds boeken, en ik geef nog steeds lezingen. Wat ik
ook maar kan doen, dat doe ik. Ik houd van mijn werk. Maar het is niet de bron
van mijn bestaan. Ik heb hierover zo dikwijls gepraat met andere mensen, zo dat
ik het ook toepas op mijzelf. Als ik het vermogen heb om te werken, denk ik dat
ik dat moet doen en dat is wat mij gaande houdt op dit moment. Een van de grote
genaden van mijn leven is de ervaring
van La Storta van de Vader en Jezus die mij zeggen, zoals tegen Ignatius, ‘Wij
willen dat je ons dient’. En dus antwoord ik: ‘o.k. , hier ben ik, en wat ook
die dienst betekent, ik ben er klaar voor. Ik ben hier en ik ben blij dat je
wilt dat ik je dien.’ Het is heel eenvoudig je overgeven, loslaten en wachten
en doen wat ik kan.”
Als je niet veel toekomst mee hebt,
hoeft de zending van iemand niet groots
te zijn om hem voldoening te geven en om anderen daar voordeel van te laten
hebben. Een broeder spreekt over de vreugde die hij vond in het lesgeven met de
computer als gast-leraar toen hij al
midden zeventig was. “Deze aanstelling deed mij in het bijzonder plezier toen
ik een email kreeg van een jezuďet uit Hawaii en ik in staat was hem te antwoorden…..Een
week later beantwoordde ik een email uit Italďe, en ik voelde mij een held dat
ik met een computer kon werken op mijn leeftijd.”
Plannen kunnen veelzijdig zijn. Als
gevraagd wordt wat de activiteiten zijn waarmee zij de tijd die zij gewoonlijk
aan hun werk hebben besteed, nu vullen, zeggen gepensioneerden vaak: “Een boek
met inhoud lezen. Ik ben in staat
geweest om goed te lezen over wat je zou
kunnen noemen: natuurlijke theologie. Dat is bemoedigend omdat ondanks het feit
dat andere dingen minder worden, mijn intellectuele interesse dat niet wordt.” “Ik houd van lezen, grapt een ander, soms
denk ik dat ik meer geestelijke boeken lees, dan dat ik bid,” Andere hebben
fictie ontdekt. “Een groot deel van mijn leven was mijn lezen voor het grootste
deel gericht op dingen waar ik mee bezig was, de kroniek van het Hoger Onderwijs,
het blad America, Time Magazine, en de plaatselijke nieuwsbladen. Ik heb vroeger nauwelijks romans gelezen.
Vorige zomer was ik bij een goede vriend van mij, een arts, en toen ik wegging
kreeg ik het boek van Sigrid Undset,
Kristin Lavransdotter. Dat is een heel spiritueel boek.”
Jezuďeten die een matige theologische
opleiding kregen gebruiken hun vrije tijd voor zelf-educatie. “Er was geen
bijbels onderwijs in ons theologaat, zegt iemand, wij hadden een cursus over
Genesis….., die bestond uit tien lessen, maar het was eigenlijk een taalles. Toen
het klaar was, deed je een kleine toets in Hebreeuws. In het vierde jaar hadden
we een één-semester cursus over het Nieuwe Testament van een goed gekwalificeerde
leraar, maar hij was doodsbang dat hij iets zou zeggen wat controversieel was,
en wat naar Rome gemeld werd.” “Waar gaan
de psalmen over? Wie zijn de
profeten en wat is hun plaats? Er was niets dat daarop leek. Dus alles wat ik
over de Schrift weet heb ik mijzelf moeten bijbrengen.” Een andere jezuďet,
verwoed lezer op zijn oude dag, werd zittend in zijn stoel expert van het Oude
Testament, en zoals zoveel oudere priesters, een geliefd predikant bij
communauteitsmissen.
Bidden
voor de Sociëteit
De jezuďet-activist en schrijver John
LaFarge, stelde wijs vast, terugkijkend toen hij zeventig werd, “De oude dag is de tijd voor stille
liefdadigheid: hier en daar een vriendelijk woord spreken, een onopvallende dienst
bewijzen, zieken bezoeken, leeftijdgenoten bezoeken waarvan je merkt dat zij
het moeilijk hebben.” Voor de begripvolle oudere zijn er gelegenheden genoeg om
onopvallende diensten te verlenen. “Het is heerlijk geweest om in deze
communauteit te wonen, zegt iemand uit een bejaardencentrum, want er zijn zo
veel manieren waarop je de dagen voor de mensen een beetje dragelijker kunt
maken door een glimlach of een grapje. Hier heb je mensen die werkelijk een
leven lang gewerkt hebben. Je ziet ook dat hun krachten afnemen, en je voelt
iets van: fijn, ik ben een deel van iets
dat werkelijk prachtig is.” “Wat mij
betreft, zegt een andere gepensioneerde, ik vind het heerlijk om naar beneden
naar de verpleegafdeling te gaan, mensen te bezoeken, een paar grapjes te vertellen,
hen even te plagen, hen eten te geven, en naar een voetbalwedstrijd met hen te
kijken. Ik breng veel tijd door in de
verpleegafdeling. Ik ga naar beneden als zij eten, om een kopje koffie met hen
te drinken, of met hen te praten en naar een voetbalwedstrijd te kijken, of af
en toe met hen te bidden. Ik ga ook naar hun oefenprogramma om 10 uur. Ik doe
dit niet omdat ik dat voor mijzelf nodig heb, maar omdat ik met hen mee doe.
Mijn dag is behoorlijk gevuld. Ik heb bijna altijd iets te doen.”
De officiële taak die jezuďeten hebben
als zij niet meer actief geestelijk dienstwerk doen, is bidden voor de Kerk en
de Sociëteit. Dus op de lijst van namen die ieder jaar door iedere provincie
van de Sociëteit gepubliceerd wordt staat achter de naam van oudere
gepensioneerde jezuďeten: orat pro ecclesia et societate, wat betekent dat hun
zending is te bidden voor de Kerk en Sociëteit van Jezus. Deze taak wordt serieus
en met vreugde door velen vervuld. “Ik ga achteruit. Dit jaar is mijn status
veranderd tot ‘Bidden voor de Kerk en de Sociëteit,’ zegt een 93-jarige
broeder. Ik dacht bij mijzelf dat onder
deze omstandigheden bidden een hele speciale taak voor mij was en ik moest er
maar weinig meer voor doen dan ik al deed. Dus nu besteed ik ongeveer drie en een half uur aan
bidden per dag….Het is het minste wat ik kan doen.”
Vooruitziend op het moment binnenkort
dat hij geen retraites meer kan geven, zegt een 90-jarige jezuďet dat hij
evenzeer toegewijd is aan de dienst van het bidden. ”Ik wil mijn dagen niet
vullen met hobby’s als ik naar begeleid wonen verhuis, zegt hij beslist. Ik wil
doorgaan met iets opbouwends te doen en wat nog altijd deel van mijn zending is
op dat moment.” “Als mijn zending wordt: bidden voor de Sociëteit en de Kerk,
dan wil ik niet alleen mijn eigen gebedstijd daarvoor bestemmen, maar speciale
gebedstijden op verschillende momenten
van de dag daaraan besteden om voor de Kerk te bidden, en voor de Sociëteit.”
“Ik wil ook bidden voor de mensen en de plaatsen waar ik ooit gewerkt heb, heel
in het bijzonder de St.Ignatius Highschool en de Loyola High school. Als dat
mijn zending wordt, zou dat mij helpen en voldoening geven.”
IV De
kracht van relaties
Vrienden
in de Heer
Ook al voelt een jezuďet zich gelukkig
als hij zinvol werk heeft, toch is dat nog meer
afhankelijk van het feit of hij vrienden heeft. Het is niet toevallig
dat de afwezigheid van sociale contacten in hun laatste jaren door sommigen als
pijnlijk wordt ervaren. ”Wat is het moeilijk om kreupel en eenzaam te zijn. Hoe
zelden – ja bijna nooit – komt er iemand van de communauteit op mijn kamer, al
was het maar voor een vriendelijk woord.” Omgekeerd is het onderhouden van
contacten – zoals trouwens voor alle mensen – voor oudere jezuďeten heel
troostend. Zelfs de stervenden kunnen vrede vinden, als ze omringd zijn door
goed gezelschap. “Wat is volgens jou de gelukkigste tijd van je leven?” vroeg
ik een jezuďet die wist dat hij nog maar een paar maanden te leven had. In een
flits antwoordde hij: “Nu.” En waarom? Omdat hij de genegenheid voelde van
degenen die voor hem zorgden en van veel vrienden.
Als er iets is wat een tevreden oude
dag karakteriseert, dan is dat het hebben van relaties. “Het enige wat
werkelijk belangrijk is in het leven,” zegt Vaillant met enige overdrijving in
de Harvard Studie, “zijn je relaties met andere mensen.” Onderzoek naar wat mensen
gelukkig maakt heeft de laatste 30 jaar duidelijk gemaakt dat “wat de
menselijke geest werkelijk nodig heeft, is verbondenheid met anderen,” schrijft
David Brooks. Een gelukkig leven wordt gedefinieerd door sociale interactie.
“Je voegen bij een groep die eens in de maand bij elkaar komt heeft hetzelfde
effect op je geluksgevoel als het verdubbelen van je salaris. De dagelijkse activiteiten
die het meest geassocieerd worden met geluk, zijn sociaal – seks hebben, na het
werk gezellig bijeen komen, en eten met vrienden. En veel beroepen die meer met
geluk te maken hebben zijn ook sociale beroepen – de manager van een
onderneming, een kapper” en wij mogen daaraan toevoegen: een geestelijke of een
priester. Sommige oudere jezuďeten moesten wel in het reine komen met een
negatieve benadering van vriendschap, die hen tijdens hun vorming was
ingeprent. “Vriendschap is zo belangrijk en toch werd het ontmoedigd toen ik
jong was in de Sociëteit. Onze novicemeester zei, dat hij nooit iets speciaals
had gedaan om vrienden te maken. Die God-en-ik houding is niet katholiek en het
is te gek voor woorden, maar jezuďeten uit die tijd waren nu eenmaal heel bang
voor bijzondere vriendschap.”
Sociale contacten moet je volhouden.
Gevraagd wat de reden is dat zij jezuďet zijn gebleven, geven de ouderen veel
verklaringen. Gods genade staat meestal boven aan de lijst. “Terug kijkend zie
ik Gods hand in mijn leven. Ik ben ervan overtuigd dat er geen toevalligheden
bestaan. God maakt gebruik van alles wat er in je leven gebeurt. Ik ben er
zeker van dat God mij werkelijk probeert te leiden in mijn leven. Er bestaat zo
iets als roeping en dat heb ik niet van mijzelf. Maar het is geworteld in God.
Dat is te gek voor woorden, maar ik geloof het. Zeg mij maar eens wat het anders
is! In mijn gebedsleven kwam ik tot de conclusie dat het hierom draait. Mijn
relatie met Jezus was voor mij de poolster. Hier wil de Heer dat ik ben. Ik ben
net zoals ieder ander op de proef gesteld, maar geen van die beproevingen bleek
werkelijk belangrijk, als ik het bekeek in het licht van de Geestelijke
Oefeningen.” Velen schrijven hun volharding in het geestelijk dienstwerk toe
aan: “Ik hield van wat ik deed en alles wat ik in de Sociëteit heb gedaan was
prettig en succesvol.”
Jezuďeten zien heel vaak een verband
tussen het volharden in je roeping en het hebben van vrienden. “Ik denk niet
dat ik in de Sociëteit zou zijn gebleven, als ik geen mensen had gehad die
belangrijk voor mij waren. Ik overleefde omdat ik heel goede vrienden koos en
ik had hen nodig om te ontdekken wie ik ben. Wij ontdekken wie wij zijn door
middel van de mensen met wie ik omga.” Gevraagd waarom hij jezuďet bleef, zegt
een vroegere provinciaal: “Ik denk dat het hebben van vrienden daarvoor
essentieel was. Ik heb altijd de krachtige ondersteuning gehad van
jezuďeten-vrienden. Ik hield van de mensen met wie ik werkte. Maar volharding
was niet alleen het gevolg van goede vrienden. Ik denk dat ik er ook nog ben,
omdat God mij hier wilde hebben. Ik voel het werkelijk zo: dat God mij hier wil
hebben. En ik krijg nog steeds terug van andere mensen dat ik daar ben waar ik
moet zijn. Mensen blijven dat tegen mij zeggen: ‘Jij bent zo iemand. Dit ben je
voor mij. We zijn dankbaar voor wat je ons te geven hebt.’ Je moet als het ware
indrinken wat ze tegen je zeggen en dan blijft het je leven voeden.”
Een thema dat steeds weer terug komt
is de waarde van onderlinge relaties die tijdens de vorming ontstonden. Een
jezuďet van de Westkust beschrijft zijn filosofiejaren als een tijd van grote
strijd, maar ook als een periode waarin levenslange vriendschappen geboren
werden. “Daar kreeg ik relaties en het zijn relaties die veel uitmaken. Ik heb
geleerd welke wijsheid er schuilt in het Afrikaans gezegde ‘Ik ben omdat wij
zijn’. Ik maak deel uit van een communauteit. Ik ben niet een ‘ik’ maar ik sta
in relatie met al het andere en met alle
andere mensen. Ik voel dat tot in mijn botten. ‘Ik ben omdat wij zijn. En omdat
wij zijn, ben ik.’” Een gepensioneerd theoloog schrijft ook zijn blijven in de
Sociëteit toe aan het feit dat hij vrienden had. “Wij beleefden een
ongelooflijk belangrijke periode van de kerkgeschiedenis. Maar wij waren goed
toegerust om dat te doen. En dat was niet alleen een gevolg van wat we
gedoceerd kregen, maar ook van de mensen met wie wij omgingen. Mijn meest
intieme vrienden inspireerden me en toen ik er een verloor, was het alsof ik
een arm kwijt raakte.” Van een andere leeftijdgenoot zegt hij: “Ik belde hem
twee keer per week om alles met hem door te praten. Als ik in de war was, gaf
hij me goede raad en zei me eerst kalm te worden voordat ik wat ging doen. Deze
kerels activeerden en inspireerden mij en hielpen mij op weg. Dat zijn
belangrijke mensen voor mij en ik mis ze heel vaak.” Verschillende jezuďeten
zien een verband tussen sociale relaties en vruchtbaar apostolaat. “Een
discussie met vrienden is vruchtbaarder voor mij dan welke andere bron ook. Als
ik terug kijk, dan denk ik dat een van de redenen waarom ik het hoofd boven
water heb kunnen houden in nogal hectische omstandigheden, is dat ik goede relaties
met mensen – jezuďeten, familie, vrienden, collega’s – heb onderhouden. Ik geniet
van de tijd doorgebracht met vrienden om iets te vieren, samen te eten of wat
dan ook. Als je ouder wordt, moet je die relaties aanhouden. Een van de droevigste
dingen is, wanneer mensen zeggen ‘Ik heb geen vrienden meer’. Ik denk niet dat
dit voor veel jezuďeten een probleem is.”
Niet weinig ouderen tellen vrouwen
onder hun relaties. “Als een jonge man was ik heel schuw tegenover vrouwen,
maar vandaag heb ik veel vriendinnen die de vreugde van mijn leven zijn.” Een
andere jezuďet zegt: “Ik sta verbaasd over het aantal vrouwen dat ik heb leren
kennen. Sommigen van hen zijn nu dood. Zij vormen voor mij wat ik noem ‘de
gemeenschap van de heiligen’. Ik weet dat dit afgezaagd klinkt. Ik heb goede
vriendinnen gehad en goede vrouwelijke voorbeelden in mijn leven – beter in
feite dan de mannen in onze familie.” Een vroegere pastor voegt daar aan toe:
“Ik had een aantal zusters als vriendin, een daarvan is ongeveer 5 jaar geleden
overleden. Wij waren werkelijk heel ‘close’.
En alles lag open. We konden samen uit eten gaan en dat soort dingen.”
Het onderhouden van een sociaal
netwerk is niet minder belangrijk voor hen die gepensioneerd zijn. Gevraagd wat
voor hem nu het belangrijkst is, zegt een 80-jarige vroegere leraar: “Het
communauteitsleven is het belangrijkste.” De fysieke ongemakken van de oude dag
zijn niet gemakkelijk te dragen, moet iemand die leeft in een communauteit van
gepensioneerden toegeven, nadat hij een paar nachten op een ligstoel heeft
doorgebracht, omdat een artrose-heup hem uit bed hield.” Wat mij tijdens de
lange nachten op de been hield, is het vooruitzicht dat ik de volgende dag weer
met medebroeders zou kunnen praten. Ik zie met verlangen uit naar de avond, met
een drankje en het gezamenlijk eten. Het kan mij niet schelen, dat het gesprek
niet altijd veel voorstelt. Maar je bent met mensen samen en er is een
uitwisseling die absoluut noodzakelijk is. Dat zijn belangrijke momenten in
mijn dag. Het is een tijd van werkelijk met elkaar verkeren. Ik heb een of
ander contact nodig en het feit dat ik
weet dat ik onder mensen leef, is voldoende om mij op de been te houden. Dat is
ook de reden waarom mensen die erg op zichzelf zijn, toch een beetje vreemd worden.”
Als het gesprek dan verder gaat, wordt
het alsmaar duidelijker voor mij, waarom deze grijsaard door zijn medebroeders
wordt beschouwd als een wijs man. “Waarom komen oude mannen samen om jeu de
boules te spelen? Dat is niet om die verdomde bal te gooien, maar om contact
met anderen te hebben en te praten met hun kameraden. Of neem de mannen die
naar de coffeeshop gaan. Dat zijn de dingen die oude mensen doen. Je gaat op
een bank zitten en praat met je vrienden, als ze voorbij komen. Waar praat je
over? Over dezelfde dingen, waar je al je hele leven over gepraat hebt.”
Jezuďeten die in verzorgingshuizen leven hebben vaak de gelegenheid om de bank
in het park te delen met oude kennissen. “Ik heb oude vriendschappen met
klasgenoten weer aangeknoopt. Ik houd ervan om weer met hen op te trekken.”
“De activiteit die mij het meest
voldoening geeft, is praten met mensen, of het nu studenten zijn of andere
mensen van de faculteit of jezuďeten, en dan op een diep niveau. Dat is ook de
reden dat ik zo graag overste was. Medebroeders lieten je binnen in hun leven
en het is geweldig, als je dan met hen op innerlijk niveau mocht werken. Ik
voel datzelfde nog steeds in geestelijke begeleiding of in situaties die iets
van counseling hebben. In feite is de meest
voldoening gevende activiteit in mijn oudere jaren spreken over God met mensen
en met hen te praten over henzelf op hun diepste niveau en hoe God daar bezig
is. Ik bedoel dat niet op een vrome manier, maar op een manier die niet aan de
oppervlakte blijft. Dat doe ik graag, het doet me goed en het geeft voldoening
om het te doen.”
Dat deze jezuďeten in hun dienstwerk
deze manier van spreken vinden is niet verrassend. Het was door dialoog dat
Ignatius de eerste gezellen aantrok. En Jerome Nadal, die de Constituties aan
de eerste Sociëteit uitlegde, drong er op aan dat een liefdevol engagement met
anderen heel en al hoort bij het dienstwerk van de Sociëteit. “Ik stel mij het
leven in het Koninkrijk voor als een doorlopend vertrouwelijk gesprek,” zegt
een jezuďet die zijn gesprekken met
vrienden vergelijkt met een wachtkamer van de hemel. “Ik ben een goede
gesprekspartner. Dat is wat ik heel goed kan. Ik ben ook iemand die er graag
bij eet en dat doe ik met heel wat mensen. Ik ben mij ervan bewust dat zulke
gesprekken iets sacramenteels hebben en misschien zelfs iets eucharistisch. De
hemel zal, zo voorziet hij, het verlengstuk zijn van de goede tijden die ik
hier beleefd heb.” Een van de redenen waarom ons dienstwerk – inclusief bidden
voor de Sociëteit en voor de Kerk – voldoening geeft, is dat het altijd gericht
is op de ander. “Ik houd ervan met mijn mensen te werken. Ik heb nooit een hekel
gehad aan werken. Nooit. Ik ben gelukkig. De mensen zijn goed en ik heb plezier
met hen.”
Als er iets is wat afbreuk doet aan
relaties, dan is het alcoholisme, dat zoals iedere verslaving mensen
narcistisch maakt en alleen nog maar bezig met zichzelf. Drinken vervreemdt je
van anderen en het isoleert iemand van datgene wat hij het meest nodig heeft:
het optrekken met anderen. Volgens de Harvard Studie leidt alcohol-misbruik
meestal tot een minder gelukkige oude dag, ten dele omdat het schadelijk is
voor je sociale contacten. “Te maken krijgen met alcoholici was een leerzame
ervaring voor mij, zegt een vroegere rector. Eerst dacht ik dat het niet mijn
zaak was dat ze dronken, maar dan merk je dat de man die drinkt ook ruzie maakt
met anderen. Dronkenschap heeft vaak vernietigende gevolgen ook voor degenen
die ermee te maken krijgen. We hadden vier actieve alcoholici in een tamelijk
kleine communauteit. Alle vier waren het ouderen, in hun 70er of 80er jaren.
Het was akelig en zij legden een druk op de hele communauteit.” “Het is
verwoestend, bevestigt een ander die zich een moment herinnert waarop de hele
communauteit de provinciaal verzocht om een drinker te verwijderen. Ze vonden
hulp voor de man en nu zijn zowel hijzelf als de communauteit beter af.”
“Ik
ben de enige die nog over is”
Voor jonge mensen is het vertrek van
vrienden uit de Sociëteit of het overlijden van een geliefd mentor een heel
verlies. Voor de oudere jezuďet komen zulke offers veelvuldig voor. “Alleen al in dit laatste
jaar verloor ik vijf mensen die in mijn compagnie zaten en die ik in Europa
goed gekend heb, zegt een veteraan van de Tweede Wereldoorlog. Hetzelfde
gebeurt met mijn klasgenoten van de high-school. Ze sterven uit. Al mijn broers
en zussen zijn overleden en dat is moeilijk te aanvaarden. Er zijn twee dingen
in het ouder worden waar ik het moeilijk mee heb, zo vat hij samen. Het eerste
zijn de fysieke beperkingen die groter worden en het tweede is dat ik steeds
meer van mijn beste vrienden verlies.” Zijn refrein wordt door anderen herhaald.
“Het was moeilijk, zegt een 80-jarige, om mijn broer en mijn zus te zien sterven.
En in het laatste jaar, stierven twee van mijn beste leken-vrienden aan kanker.”
Ook de SJ-kameraden nemen snel af in aantal. “In de 60-er jaren hadden we een
groep van ongeveer vijftien die in de zomer met elkaar met vakantie gingen. Dat
zijn er nu nog maar vier of vijf.”
Men raakt nooit gewend aan het
wegvallen van je dierbaren. ”Ik denk dat wat mij het meest verraste en wat ik
het moeilijkst vond, is het verlies van mijn vrienden. Ik had daarmee tevoren
nooit een probleem. Maar nu ben ik in de positie, waarin ik kan zeggen dat alle
mensen waarin ik vertrouwen had en met wie ik echt kon praten en naar wie ik op
mijn beurt luisterde, zijn verdwenen.” Over zijn bureau heen reikt hij een
verbleekte foto aan. “Dit is een foto die ik onlangs tegen kwam. Genomen in
1942 staan daarop hij zelf en 36 scholastieken van voor in de 20, in toog en
met een bonnet. Het schokte me, toen ik die foto terug vond, omdat ze allen
zijn gaan hemelen. Deze trad uit en die is dood nu, enzovoort. Ik ben de enige
overlevende van die groep. Dat ben ik. Je verwacht dat dit ooit zal gebeuren.
Het is logisch, het kan niet anders; dat is de prijs die je moet betalen, als
je zo lang leeft. En toch verraste het me, dat al die verliezen me zo raakten.
We krijgen een hoop cursussen in de Sociëteit, maar we kregen nooit een cursus
hoe je oud moet worden. Het zou een goed idee zijn, als er zo’n cursus kwam.
Maar ja, je weet niet wie die cursus dan gaat volgen en wie er iets aan zal
hebben.”
Ofschoon het wegvallen van vrienden
een van de lasten van de oude dag is, was geen van deze jezuďeten kapot van
verdriet door het verlies. Zoals in veel gebieden van het leven, relativeert
geloof het ongeluk en geeft het een plaats in je leven. “We gingen 25 jaar lang
ieder jaar samen met vakantie, zegt iemand over zijn overleden broer. Mensen
zeggen: ‘Dat moet moeilijk zijn’, en ik vertel hen: ‘Ik mis Jim natuurlijk.
Daar is geen twijfel over. Maar hij is beter af dan ik en ik zou niet willen,
dat hij terug kwam!’ En zo voel ik dat ook ten aanzien van vrienden die zijn
overleden. Uiteindelijk is naar God gaan, waar het eigenlijk om gaat – van God
komen en naar Hem terug gaan.” Een ander merkt op: “Geliefden verliezen is
angstwekkend en brengt je in de war, maar dan gaat je geloof een woordje mee
spreken. Bovendien word ik getroost, als ik bedenk wat een bijzonder leven ze geleid hebben en
wat voor goede gezinnen zij hebben achtergelaten.”
Het kleiner worden van je kring
onderstreept het bijzondere belang van het onderhouden van sociale contacten.
Terwijl sommige oude jezuďeten erin berusten om het vol te houden zonder
ondersteuning, zoeken anderen creatief naar mogelijkheden om nog bestaande
relaties te verdiepen. Zo probeert iemand die al zijn broers en zussen heeft
verloren, contact te houden met zijn neven en nichten. Hij is er ook op uit
nieuwe kennissen te maken en merkt gelukkig op, dat een aantal families hem
zo’n beetje geadopteerd hebben. Terug
kijkend op zijn leven zegt een 73-jarige: “Als er één advies is, dat ik aan jongere jezuďeten zou willen geven,
dan zou dat zijn: probeer – ik weet dat het niet altijd gemakkelijk is – om
nieuwe vriendschappen te cultiveren. Leg niet al je eieren in één mandje door
het aantal van je vrienden klein te houden, want zij zullen er niet altijd
zijn.” Een andere jezuďet die het overlijden
van tijdgenoten betreurt, vindt toch ook een les in hun heengaan. “Ik zou ook
niet willen leven alleen maar omgeven door leeftijdgenoten, omdat ik ze niet
allemaal aardig vind. Ik heb me het verschil gerealiseerd tussen vrienden en
medebroeders. Ik heb een hoop vrienden en nog veel meer medebroeders.” Zoals
andere ouderen die hun weg gevonden hebben, heeft hij een uitgebreid sociaal
netwerk om zich heen van medewerkers en jonge jezuďeten, waarmee hij leeft in
een grote communauteit. “De opgewektheid en het plezier van de jeugd, verklaart
hij, is groot.”
Contact
met de jongere generatie
De jezuďet-schrijver James Martin
heeft opgemerkt dat “de Sociëteit een van de laatste plaatsen in dit land is
waar je nog met broers, vaders en grootvaders samen leeft.” De relaties die
daardoor ontstaan zijn complex en gevarieerd, maar ook vol spanning en heel
lonend. Sommige oudere jezuďeten hebben geen uitgesproken band met de jongere
medebroeders waar ze mee leven. Anderen, vooral degenen die de scholastieken begeleiden,
kennen hen bijna even goed als hun eigen leeftijdgenoten. Gepensioneerden die
lang geleden het contact met de jongste leden van de Sociëteit verloren, knopen
dikwijls nauwe banden aan laat in hun leven met novicen die op experiment zijn
in de ziekenboeg en het verzorgingshuis van de provincie.
Ofschoon zij ook hun kritiek hebben op
de jongeren, zijn de meeste ouderen die nauwe banden hebben met de novicen en
scholastieken kwistig in hun lof voor hen. “Ik ben onder de indruk van de jonge
jezuďeten. Sommigen zijn onuitstaanbaar en nog echt kinderen, maar dat kun je
ook van de oudere groep zeggen. Zij
hebben de moed een beroep te kiezen dat niet meer het prestige heeft dat het
priesterschap had, toen ik hun leeftijd had. Maar deze jonge kerels schamen
zich er niet voor priester te zijn. Zij houden van de dienst die zij anderen
kunnen bieden. Ze zijn veel meer ondergedompeld in de cultuur van vandaag. Ik
vind die huidige cultuur niet erg ondersteunend voor het religieuze leven,
zoals dat 40 jaar geleden wel was. Ik weet niet, hoe zij dat volhouden. Het is
een echte akte van geloof. Ik ben onder de indruk van hun moed.” Het contrast
tussen de generaties leidt onvermijdelijk tot het maken van vergelijkingen. “Ze
laten gemakkelijker hun emoties zien dan wij dat deden en ze schenken
gemakkelijker hun vertrouwen aan vrienden. Ik ben heel enthousiast over de
jonge mensen die wij hebben. Zij houden van de Sociëteit en zijn erin geëngageerd.
Ik houd van hun veerkracht, hun vertrouwen, hun moed. Ik apprecieer hun openheid
ten aanzien van homoseksualiteit en van het homo-zijn. Sommigen zijn gewoon
heel bijzonder en ze hebben er zelf geen idee van hoe bijzonder.”
Oude jezuďeten vertellen wat zij
hebben gehad aan deze uitwisseling tussen de winter-generatie en zij die nog in
hun lente zijn. “Zij hebben mij optimistisch gehouden. Ik ben van nature
hoopvol, maar zij hebben mij zeker geholpen om dat ook te blijven. Ik geloof
dat jonge mensen fris tegen de dingen aankijken en nog dromen hebben. Dat helpt
mij.” Het is paradoxaal maar het contact met de jongeren helpt de ouderen om de
marginalisatie te aanvaarden die onvermijdelijk komt, als je ouder wordt. Oude
jezuďeten staan vaak model voor hun jonge medebroeders, maar vaak zonder dat ze
dat weten is het ook omgekeerd zo. “Ik houd van de jongeren en word door hen geďnspireerd,
zegt een leraar die heel wat scholastieken in hun interstitie heeft meegemaakt.
Ze zijn niet alleen gelukkig en optimistisch, maar ze gaan ook met armoede om
op een wijze die mij sticht.” Een oud-retraiteleider is onder de indruk “van
het gemak waarmee een van zijn medewerkers omgaat met leken-collega’s. Ik was
dat niet gewend, maar deze jonge priester gaat er heel gemakkelijk mee om. Het
is goed om te zien dat iemand dat kan en
het goed doet.” Iemand die eerder in zijn carričre meewerkte aan een
universitair programma vergeleek zijn eigen bereidheid om te veranderen en zijn
vermogen om anderen te begrijpen, met die van de scholastieken waarmee hij
leefde. “Ik had vroeger geleerd dat een christen altijd eerst moest proberen
het positieve in een persoon of situatie te ontdekken en pas daarna zijn vragen
te stellen en bezwaren te maken. Maar al te vaak beginnen we met het negatieve
en daar blijven we dan in steken. We moeten open staan voor nieuwe mogelijkheden
en ik leerde dit van de jonge mensen waarmee ik werkte. Deze jonge mensen zijn
toegewijd en dat kan ik van hen leren.”
Ouderen die zich open stellen voor
jongeren lijken minder geneigd om zich zorgen te maken over de toekomst van het
religieuze leven. “Wat ik heb geleerd van onze scholastieken is dat God
werkelijk aan het werk is in de Sociëteit in deze jonge mensen. Terwijl ik hen
niet nodig heb in die zin dat ik veel tijd met hen doorbreng, geef ik wel veel
om hen en hoop ik hen te steunen en te bemoedigen. Maar de fundamentele reden
waarom ik van hen houd is, dat zij de toekomst zijn en ik door hen contact heb
met die toekomst. Wat ik heb geleerd door mijn omgang met jonge jezuďeten is
dat ik me ben gaan afvragen, wat voor mij belangrijk is in mijn leven. Mijn
normen en waarden zouden wel eens niet meer aangepast kunnen zijn aan het leven
van vandaag. Maar voor de jongeren is er nog een hele wereld van mogelijkheden
die veel verder gaan dan die waarmee ik ben opgevoed. En ofschoon ook die
mogelijkheden hun negatieve kanten hebben, twijfel ik er niet aan dat zij
daarmee het negatieve čn het positieve in onze wereld aan kunnen. Goddank zijn
ze er. In een bepaalde zin is dat bevrijdend voor me. Het bevrijdt mij ervan te
denken dat ik die problemen moet oplossen, omdat ik niet
in een positie ben om dat te doen en zij wel.”
V
Religieuze ervaring in het leven van ouderen
De
grootste gave
Hoewel de Harvard studie-onderzoekers de
rol van religiositeit niet meetellen in het vorm geven van een tevreden oude
dag, zijn andere geleerden daarover minder negatief. In feite lijkt het volgens
een bepaalde studie, “evident dat religie samengaat met een goede geestelijke
gezondheid, in het bijzonder als religiositeit wordt afgemeten aan
daadwerkelijk religieus gedrag”. Als religieuze ervaring “het effect van sommige
stress-situaties en depressies een halt kan toeroepen, kan het ook een gevoel
van waarde in het dagelijks leven geven”.
Je hoeft geen extra moeite te doen om
jezuďeten er van te overtuigen dat dit waar is. ”Het enige wat werkelijk
belangrijk is in deze fase van mijn leven”, zegt een priester van achter in de
70, “is dat ik weer religieus geworden ben.” “Wie ook de mis leest, hoe vreemd
hij b.v. ook voorgaat, ik ontvang veel van de liturgie”. Dat geloof een grote
plaats inneemt in het vermogen van een jezuďet om geluk en tevredenheid te vinden
is algemeen bekend. De wijze waarop een individu is gevormd door de ignatiaanse
spiritualiteit, schrijft een jezuďet-psycholoog, is alles bepalend voor de wijze
waarop hij zijn tijd besteedt in de herfst van zijn leven. Ziet hij het ouder
worden als een gelegenheid om zijn geestelijk leven te verdiepen? Is hij blij
met de tijd om meer boeken te lezen, brieven aan vrienden te schrijven, en
contact op te nemen met mensen die hij misschien jarenlang verwaarloosd heeft?
Gebruikt hij de tijd om verborgen talenten op het spoor te komen, of kijkt hij
slechts 24-uur lang naar hetzelfde nieuws of weerbericht op TV? “Als je zo wilt leven, kun je beter bidden”, raadt
een gerespecteerde oudere aan. ”Kijk of je daar smaak in kunt ontwikkelen, zo,
dat je het niet alleen maar doet, omdat je móet bidden”. “Gebed en de tijd die
besteed wordt aan persoonlijke groei, zijn steeds belangrijker voor mij
geworden, benadrukt een vroegere bestuurder, of het nu brevier lezen, bidden,
of aanwezig zijn bij anderen en hen helpen is”.
Gebed is een sine qua non van het
religieuze leven in ieder stadium, en is niet minder noodzakelijk als men ouder
is. De schrijver John LaFarge geloofde dat “de latere jaren een tijd zijn
waarin wij ons veroorloven om meer bekend met God te worden en zelf dichter naar die bron van leven toe te groeien,
waar wij onvermijdelijk naar toe bewegen. Gebed wordt zo meer en meer een deel
van ons leven.” Hierover verklaart een 72-jarige:
”Dit is een heilige tijd van genade. Het is een uitnodiging van God om de tijd
in dankbaarheid door te brengen”. “Wat ik het meest belangrijk vind, zegt een ander hem na, is je dicht bij God
voelen, en dicht bij God blijven, en weten dat dat het belangrijkste is wat ik
kan doen”. Een derde jezuďet zegt het zo: ”Ik denk meer biddend over God, en ik
denk veel over God, veel meer dan in welke andere tijd van mijn leven ook, nu
ik niets anders meer heb om mij zorgen over te maken, en daar ben ik heel
dankbaar voor. Ik probeer zo dicht mogelijk bij God te blijven”. “Ik ben mij er
van bewust dat dit de grootste gave is die ik heb”. “Ik weet niet hoeveel dagen
ik nog heb”, zegt een 90-jarige, “en dus waardeer ik iedere dag”.
Nadenken over ouder worden maakt het
nodig om ook over doodgaan te denken.
Voor diegenen die al wat ouder zijn, kan dat vooruitzicht welkom zijn. “Ik kan
niet wachten om dood te gaan. Ik kijk er naar uit zonder enige angst”, zegt een
man van 91. ”Het kan niet vlug genoeg gebeuren wat mij betreft. Ik ben zo
benieuwd de Drievuldigheid te zien, facies ad faciem. Ik ben klaar om dat te
doen”. Het verlangen naar intimiteit betekent niet dat iedereen bezig is om de
Styx over te gaan. “Ik ben er bang voor” geeft een ander toe, “en dat doet me geen goed.” “In plaats daarvan
zeg ik tot de Heer, ‘Ik ben bang dus moet ik vertrouwen in U hebben’”. Een
gepensioneerde pastor gebruikt een voorbeeld uit de stad om zijn houding te
verklaren. ”Op mijn leeftijd realiseer je je onvermijdelijk dat wij aan het
einde van de trolley-buslijn zijn gekomen. Er zijn nog maar een paar haltes
voor de bus aan het eindstation is. Om eerlijk te zijn: Ik vind het niet
moeilijk om dat te accepteren”. Ook besteedt hij geen extra tijd aan het zich
zorgen maken over het einde van zijn leven. Zoals mensen wachten op de dauw van
de morgen, weten deze veteranen dat de
dood aan de einder ligt, maar hun blik is niet gevestigd op de horizon. “Als
vrienden doodgaan, dan denk ik bij mijzelf,
‘Ik kan beter alles wat ik heb in orde maken,’ geeft een 80-jarige toe. Maar
dan zeg ik tegen mijzelf: nu nog niet! Dus ik denk er af en toe wel aan, in het
bijzonder als ik uitvaarten doe, maar ik kijk naar de dood op een positieve,
vredige manier.” ”Ik heb geprobeerd het mij voor te stellen”, zegt een 84-
jarige priester, “maar dat kan ik niet. Hoe zou het ook kunnen? Ik zit er ook
niet over in, en ik denk ook niet dat ik bang ben voor de dood. Ik ben veel
meer benieuwd wat er daarna gebeurt, niet naar het feit dat”.
“Mijn idee over de dood is dat we er
te veel van maken”, stelt een gepensioneerde theoloog. “Veel te lang hebben we
vastgehouden aan een beeld van de dood als een boven ons hoofd hangende
verschrikkelijke aanwezigheid, met als resultaat dat wij aan de boodschap van Pasen
voorbij gaan. Het is niet tot ons doorgedrongen dat Christus de dood voor ons
te niet heeft gedaan. Met als gevolg, hoewel een ouder wordend lichaam, en
geheugenverlies mij dagelijks aan mijn vergankelijkheid herinnert, dat ik niet
veel over mijn sterven nadenk. Als ik morgen met een eerste fase van kanker
gediagnostiseerd zou worden, zou ik zeggen: ‘o.k. laten we proberen er iets aan
te doen.’ Maar als het ernstiger is dan dat, dan zou ik concluderen: ‘Dat is
goed, maar ik wil geen enkele behandeling.’ ‘Angst voor de dood?’, vraagt hij,
Jezus is gekomen om ons daarvan te verlossen”. “Ik heb op dit moment geen angst
voor de dood”, zegt een andere jezuďet uit die generatie. “Ik weet niet hoe ik
er mee om zou gaan, maar ik wil nu iets doen aan de manier waarop ik leef”.
De jaren die besteed zijn aan de
ignatiaanse manier van leven dragen uiteindelijk vrucht. “Als de dingen mij
verleiden, uitdagen, of bang maken”, zegt een jezuďet, “dan bid ik om
onverschilligheid, en de Heer bevrijdt mij van alles waar ik mee zit”. Het is
veelzeggend dat de eerste woorden die de opgestane Heer tot zijn leerlingen
zegt zijn: ‘Vrede zij u, en niet bang zijn’ voor zij goed en wel iets konden
zeggen. “Vele jaren lang heb ik mij gerealiseerd dat angst in ons hart, de Heer
is die klopt op de deur van dat hart”. En hij vervolgt: “Als ik angstig word,
zoals bij het aankijken van de dood, dan denk ik: ‘O.k. ik ga nú niet dood’.
Wat ook de angst is, ik bid om onverschilligheid daarvoor. De Heer wil niet dat
wij met angst leven. Dat betekent niet, moeilijkheden en negatieve dingen, en
ook het lijden, vermijden. Maar wij hoeven niet angstig te zijn en dat is ongelooflijk”.
“Het ignatiaanse begrip onverschilligheid is een klein geheim van mijn leven,
van mijn apostolaat geworden”, bekent hij, ”en het zit in de gereedschapskist
van mijn gebed”.
Angst hield de drie stervende
jezuďeten die ik tegenkwam niet bezig. De ene, gevraagd of zijn manier van
bidden veranderd was sinds hij met terminale kanker was gediagnostiseerd, zei:
”Nee dat denk ik niet,” maar toen zei hij: “Behalve dat ik veel bewuster ben
van het loslaten en mijzelf over geven. Dat betekent alles voor mij, en daar
ben ik nu bijna”. Iemand anders, die vredig de dood tegenmoet ging zei mij “dat
hij God nu minder zocht, maar meer open was voor God die hem zocht.”
Het bidden verandert
Vertrouwen en overgave bij het
naderende einde van het leven lijken – behalve een genade die je gegeven wordt
– ook samen te hangen met trouw aan het gebed. Maar die trouw komt niet
vanzelf. Velen weten uit eigen ervaring
dat het vuur en de frisheid minder worden, terwijl hun gebedsleven dat wel had
toen zij jong waren, iets dat wordt opgemerkt door de meesters van het
spirituele leven én door onderzoekers van het menselijk brein. Een van die
laatsten schrijft: als we eenmaal vijftig jaar oud zijn “wordt het
onwaarschijnlijker dat we die transcendente piekervaringen hebben die we als
jonge mensen wel hebben. In plaats daarvan hebben we subtiele geestelijke
ervaringen en uitzuiveringen van ons geloof.”
Over deze achteruitgang in “merkbare devotie en innerlijk leven” ook bij
hemzelf, merkte John Henry Newman op: “Oude mannen worden in hun ziel net zo
stram, mager en bloedeloos als in hun lichaam, behalve in de mate dat de genade
ze doordringt en zacht maakt”. Dus bad hij om vurigheid en merkte op: “Als ik
vraag om nieuw vuur, dan vraag ik om de gave van het gebed.” Een oude jezuďet
zegt iets vergelijkbaars: “Ik wou dat ik makkelijker tot gebed kon komen. Ik
praat wel over bidden met anderen, maar zelf heb ik er moeite mee. Kon ik maar
bidden. Ik bid er wel om, maar mijn gebed is zo zonder warmte. Ik wou dat ik
beter kon bidden voordat ik sterf.” Hij bidt nog steeds.
“Na zeventig jaar in de orde zijn er
nog steeds die verstrooiingen, zegt een ervaren geestelijk begeleider – nog
steeds zijn er die momenten van dorheid en verveling, dat ik schud met de
zandloper om te zien of hij niet vast zit.
Maar, zegt dezelfde jezuďet, mijn meditatie is dieper geworden, rustiger
en mijn gebeden zijn gevuld met een verlangen om vergeving te vragen, spijt te
betuigen, te danken en lief te hebben.” Een oud-provinciaal heeft dit geleerd: “Mijn
gebed is niet vol van hoogtepunten en mooie gedachten – en soms zit ik te
vechten tegen de slaap. Maar ik beoordeel mijn gebedsleven nu meer op der vraag
of ik gebeden heb of niet. Als ik niet bid, als ik geen tijd verlies met God,
dan voel ik me er niet lekker bij. In het andere geval zeg ik gewoon: wat gebeurt
gebeurt. Ik ben hier, U bent de baas.”
Als hen gevraagd wordt of hun gebed is
veranderd in de loop van de jaren antwoorden deze jezuďeten bevestigend. Voor
een deel weerspiegelt die verandering de vruchten van het Concilie: de
terugkeer naar een gebedsleven dat meer persoonlijk is, samenhangt met hun
leven en menselijker is. Maar het heeft ook te maken met het volhouden van het
gebed. “Ik ben nu meer vertrouwd met God dan ooit tevoren in mijn religieus
leven”, zegt een oud-leraar, “Ik sta meer open voor het gebed. Mijn beeld van
God is veranderd: meer liefde en aanvaarding -
niet veroordelend maar eerder een reisgenoot.” Iemand die weldra tachtig
wordt zegt dat zijn jaarlijkse retraites beter zijn dan vroeger en waarom,
omdat iedere retraite nu de laatste kan zijn. Een ander zegt: “Ik heb een groot
vertrouwen in God, ik ben van nature een opgewekt iemand, maar mijn naďeve
optimisme is langzaam veranderd in vertrouwen …
ik weet dat ik bij God ben en dat God me altijd omgeeft. Dus is het niet
moeilijk om dankuwel te zeggen of om hulp te vragen.”
“Mijn contemplatie is tegenwoordig
veel meer verbonden met wat ik op dat moment voel”, zegt iemand die 65 jaar in
de orde is, “en het gaat ook veel vaker over dankbaarheid. Ik schaam me er
bijna voor hoe goed het leven voor mij is geweest, alsof ik me daarvoor moet
verontschuldigen. Waarom is God zo goed voor mij, ik kan het niet uitleggen.” Een andere bejaarde medebroeder zegt: “Vroeger,
vooral tijdens de Geestelijke Oefeningen, was mijn gebed geconcentreerd op de
persoon van Jezus Christus - maar dat is
veranderd. Mijn dagelijks gebed is veel meer trinitair geworden. Ik begrijp het
niet, maar ik vertrouw op de aanwezigheid van de Heer. Ik denk dat de Heilige
Geest nu mijn geestelijk begeleider is. Ik weet niet of anderen dat ook
meemaken, maar ik ben nu rustig en in vrede als het tijd is om te bidden. Ik
kijk er naar uit.”
Het gebedsleven van ieder van de
gesprekspartners was anders, maar toch zijn er enkele overeenkomsten. Veel van
de wat oudere medebroeders merken op dat hun inwendig gebed minder formeel
wordt en minder structuur heeft, en tegelijk meer een relatie uitdrukt en meer
met de Bijbel van doen heeft. Net als bij Ignatius, voor wie geestelijke lezing
leidde tot bekering, wordt hun gebed gevoed door geestelijke lezing. “Ik pak
steeds vaker een boek van de plank dat ik al ken en lees een van mijn favoriete
passages. Ik lees het langzaam en dat raakt me dan.” Een ander vond de weg
terug naar de rozenkrans, vooral als er sprake is van verstrooiingen of slaperigheid.
“Ik bid de rozenkrans weer, maar ik let minder op de woorden, het is alsof ik
een mantra herhaal en er maar gewoon ben voor God”. Anderen vinden troost in
het biddend terugkijken op het eigen leven. “Ik bid terwijl ik me mijn leven
voor de geest haal – zonder spijt en zonder terug te verlangen naar de goede
oude tijd; maar ik roep die herinneringen op waar ik denk dat God bij aanwezig
was. Ik dank God voor die keren en vraag dat Hij ook nu bij mij wil zijn”.
Dezelfde pater is nu lid van een gebedsgroep in de school waar hij vroeger
gewerkt heeft: “Het is een hoogtepunt in de week, nu. Twintig jaar geleden zou
ik gedacht hebben ‘jakkes’, en nu betekent het zoveel voor me en haal ik er
kracht uit.”
God
vinden in alles
De auteur van deze regels is er in
deze gesprekken met medebroeders door verrast hoezeer het bidden van de
jezuďeten zowel horizontaal gericht is als verticaal. Hoewel ze niet onbekend
zijn met de gave van de contemplatie van hogere dingen ontdekken veel
medebroeders God in wereldse bezigheden. Dat hoeft niet te verbazen, want
ignatiaanse spiritualiteit is gericht op het ontdekken van het heilige in het
gewone. Pater Jeroen Nadal legde dat al uit in de 16e eeuw tijdens
zijn reizen door Europa om de Constituties van de jonge Orde uit te leggen:
voor jezuďeten helpen gebed en werk elkaar. “Het bidden in de Sociëteit is
vruchtbaar voor het werk, en omgekeerd bevrucht het werk het bidden”. Vandaar de aansporing van Ignatius om God in
alles te vinden, een thema dat werd opgenomen door de 31e Algemene
Congregatie: “Wij worden gesterkt en geleid tot handelen in ons gebed, terwijl
ons handelen ons aanspoort om te bidden.”
Dit geldt zowel voor gepensioneerden
als voor mensen die volop in het apostolaat staan. Een 83-jarige die 63 jaar in
de Orde is vertelt: “Ik heb veel lange droge tijden gekend met de God Die Stil
Is. Al die uren meditatie waar ik maar naar de klok zat te kijken – gaat dat
uur nooit voorbij! – God wat wilt u toch van mij? Maar nu, veel later heb ik het licht gezien
- of beter, ik heb Zijn stem gehoord, en
mijn meditaties zijn helemaal anders geworden. Ik zit nog steeds naar de klok
te kijken, dat is gebleven. Maar nu heb ik heel andere vragen: Wat hebt U mij
nog meer te zeggen, God? Geeft U het dan
nooit op?”
Waardoor komt die verandering in het
gebedsleven? “Ik denk dat mijn pensionering me de ruimte en de tijd heeft
gegeven om eindelijk te begrijpen dat God nooit ophoudt om tegen mij te praten.
Maar er is meer. Nadat ik weer eens de meditatie van Ignatius over de Menswording had overwogen,
was het alsof ik voor het eerst begreep: God houdt zich bezig met deze wereld.
Nu zie ik eindelijk het licht en Gods stem is luid en duidelijk: Hij spreekt
voortdurend tot me in allerhande dingen en op allerlei manieren. Daardoor kan
ik nu bidden over de dingen in de wereld waar ik iedere dag in leef – dingen uit de media, contacten met mensen en
banale dingen van elke dag. Je zou me kunnen verwijten dat ik van de dagelijkse
krant of het journaal een vijfde Evangelie maak. Ik hoef me niet meer terug te
trekken en afstand te nemen om Gods stem te horen - die stem die is er voortdurend, en vraagt mij
om Hem te antwoorden. Ik voel me meer
dan ooit leven, terwijl je zou denken dat ik mijn laatste uren aan het tellen
ben. Mijn hele leven heb ik gebeden tot de Heilige Geest dat die me zou
onderwijzen hoe ik moet bidden, en die gebeden worden nu eindelijk verhoord.”
Het kunnen beschouwen en mediteren
wordt eenvoudiger en spontaner als je het maar blijft doen, en het komt ook
makkelijker terwijl je andere dingen aan het doen bent. Een jezuďet die heel
wat verschillende taken heeft vervuld zegt: “De Heer is er. Hij is aanwezig,
Hij is er altijd. Na vele jaren van bidden en onderscheiden komt er een punt
waar je eenvoudig jezelf keert naar de Heer in jouw leven, naar de Ene die je
bent gaan kennen en liefhebben. Dat is wat ik nou het mooiste vind van oud worden:
het is niet ingewikkeld en je hoeft niet uren te mediteren.” Andere senioren hebben
vergelijkbare ervaringen. “Het is niet zo dat ik voortdurend baad in het Licht
van Gods aanwezigheid, maar in de meest banale omstandigheden denk ik aan Gods
aanwezigheid en bid dan korte tijd. Het kan elke dag en meerdere keren op een
dag. Ik doe niet veel meer dan zeggen: ‘Ik ben blij dat ik in uw aanwezigheid
mag zijn.’ Vroeger zou ik nooit gedacht hebben dat zo”n manier van bidden
voldoende zou zijn. Nu wel.”
Doorgewinterde religieuzen vinden de
Heer op onwaarschijnlijke plekken. Een priester op leeftijd die nogal wat moet
reizen voor zijn werk voelt zich aangetrokken tot het Jezusgebed: “Heer Jezus
Zoon van de levende God, ontferm U over mij.” “Waar ik ook ben, het geeft me
onmiddellijk het gevoel dat ik bij God ben. Ik kan bijvoorbeeld in de vertrekhal
van het vliegveld zitten wachten, ik zeg het Jezusgebed en meteen zit ik erin.
Of als ik in de auto 100 kilometer rijdt
naar een viering, dan bid ik het Jezusgebed zowel heen als terug, want ik heb
toch alle tijd.”
Het is wonderlijk hoeveel mensen een
plaats hebben in het bidden van jezuďeten. “Na het ontbijt neem ik gewoonlijk
de tijd om te bidden. Ik ga er voor zitten en meteen komen mij de mensen voor
de geest voor wie ik wil bidden. Eerst dacht ik dat dit een verstrooiing was,
maar later heb ik geleerd dat het een goede manier is om mijn ochtendgebed te
beginnen. Het stimuleert me en geeft richting aan mijn gebed, en het helpt me
om bij de Bijbelpassage te komen waar ik die dag over bid.” Een overste zegt: “Door
de aard van mijn werk ben ik meestal met mensen bezig, van binnen en van buiten
onze Sociëteit. Daarom hebben die mensen een plaats in mijn bidden, bid ik met
hen en voor hen. Onlangs had een huisgenoot een hartaanval en dan merk ik dat
ik de hele week voor hem bid.”
“Ik kan je niet zeggen hoeveel goeds
er gebeurt in mijn geestelijk leven, alleen maar doordat ik mensen ontmoet,”
zegt een pas gepensioneerde. Een ander zegt het zo: “In mijn gebed ben ik meer
aan het verlangen voor anderen, dan dat ik God dank voor een mooie dag.” Een
zeventigplusser laat me een kaartje zien met achttien namen: ”Dit zijn de
achttien intenties voor vandaag. Het zijn mensen die naar me toe komen en me
vragen om voor ze te bidden. Ik help ze voor zover ik dat kan. Hoe ouder je
wordt hoe meer je op deze wijze dienstbaar kunt zijn, omdat andere dingen niet
meer van je gevraagd worden. God, laat mij opgewekt blijven; God, laat mij
dienstbaar blijven.”
Conclusie
Historici die de Sociëteit bestuderen,
maken een onderscheid tussen de letter en de geest, dat wil zeggen tussen wat
nagestreefd wordt en in wetgeving is vastgelegd, en de realiteit zoals die
geleefd wordt. Daarvoor onderzoeken zij niet alleen de decreten en documenten
van de Sociëteit, maar ook de levende traditie, die zichtbaar wordt in de
manier waarop jezuďeten het ideaal van hun instituut beleven op verschillende
plaatsen en in verschillende tijden. Het getuigenis van de ouderen die in dit
project geďnterviewd werden geeft een kijk op die geleefde werkelijkheid. Hun
getuigenis gaat niet over een denkbeeldige of geďdealiseerde Sociëteit, maar
over hoe reële jezuďeten in de reële Sociëteit leven en hoe zij moeite doen om
op een goede manier oud te worden. Ofschoon er maar weinig richtlijnen bestaan
over de manier waarop je in een religieuze orde oud wordt, laten zij toch heel
praktisch zien, dat het mogelijk is om daarin te slagen.
Hun voorbeeld leert ons een aantal
waardevolle zaken. Allereerst is het betekenisvol, omdat deze mannen een weg
gaan die door jezuďeten vóór hen meestal niet begaan is. Er zijn natuurlijk ook
vroeger oudere jezuďeten geweest, maar nooit zijn het er zoveel geweest die zo
lang leefden. Zelfs rond 1900 leefde de gemiddelde Amerikaan niet langer dan 50
jaar. Vandaag is de gemiddelde levensduur meer dan 78. De ouderen van de 21e
eeuw leven dus, in tegenstelling met de generaties vóór hen, ongekend lang. In
een heel reële zin staan zij daarom model voor iets wat er tevoren niet was. We
doen er goed aan naar hen te luisteren.
Wat hebben zij ons te zeggen? Ten
eerste laat hun ervaring zien, dat veel van wat we meenden omtrent ouder worden
onjuist is. Deze mannen brengen dezelfde boodschap over als Jezus in het Evangelie:
De dingen zijn anders als wat ze schijnen te zijn. Het Rijk van God dat de Heer
vergelijkt met het gist in het brood of met de schat in de akker, is niet
altijd zichtbaar. Zo zijn ook de dynamiek en de realiteit van het ouder worden
meestal niet onmiddellijk duidelijk voor de omstanders. Voor ons, die leven in
een cultuur die gericht is op succes waarin je waarde meer wordt bepaald door
wat je doet dan door wat je bent, blijft de schat van iemands latere jaren vaak
in het duister. Als we dan ook nog verblind zijn door de angst om oud en
gepensioneerd te worden, missen we de kans om te zien wat de realiteit daarvan
werkelijk is.
De getuigenissen van deze ouderen
suggereren dat de latere fase van het leven in feite een tijd is van groei en
nieuwe inzichten. Alhoewel oud zijn nog niet vanzelf met zich mee brengt dat
iemand wijs is, is het wel zo dat wie de wereld meer afstandelijk bekijkt
groeit in kennis, mededogen en vrijheid. Voor veel van deze jezuďeten zijn de
latere jaren – ondanks de duidelijke beperkingen waarmee de oude dag ook
gepaard gaat – een tijd van diepe tevredenheid. Gelukkig zijn betekent niet
steeds maar in de zevende hemel zijn, maar wel dat je voldoening hebt gevonden
in de keuzes die je maakte en dat je in staat bent je leven dankbaar af te
sluiten. Bovendien zijn er, terwijl je inderdaad veel niet meer onder controle
hebt, stappen te zetten die het mogelijk maken dat je genade ontvangt, wat je
situatie ook is – zelfs wanneer het moment van de dood is gekomen.
De levens van de tevreden ouderen
onderschrijven het belang van het onderhouden van een sociaal netwerk in je
latere jaren. Wij mensen zijn geschapen om het leven met anderen te delen.
Sommigen gebruiken hun pensionering om hun contacten met mensen die zij door de
jaren heen verwaarloosd hebben, te vernieuwen. Wanneer klas- en andere
leeftijdsgenoten zijn overleden, wordt de oude dag ook een gelegenheid om
nieuwe vriendschappen aan te gaan, ook met jongeren. Ofschoon niet iedere
jezuďet leeft met mensen van de volgende generatie, leggen sommigen contacten
met jongere jezuďeten en ontdekken daarbij dat jong en oud dezelfde
verwachtingen hebben van de Sociëteit.
Deze ervaringen van ouderen suggereren
ook dat er een waarheid schuilt in het gezegde, dat een jezuďet nooit
gepensioneerd wordt. Als je niet meer een maandelijkse cheque ontvangt, wil dat
nog niet zeggen, dat je geen zending meer hebt. Natuurlijk is het hebben van
een zinvolle opdracht en het deel hebben aan de zending van de Sociëteit een
belangrijk element om je gelukkig te voelen in je latere leven, juist zoals het
dat was in een vroegere fase van je leven. Deze bezigheden kunnen variëren van
het op je nemen van pastorale assistenties wanneer je vroegere werk geëindigd
is, tot het zorg dragen voor medebroeders in een verzorgingshuis en het bidden voor de Sociëteit en voor de Kerk.
Wanneer een jezuďet niet de overtuiging heeft “dat wat hij doet een positieve
bijdrage is aan het werk van Christus en zijn Kerk,” merkte Joseph Conwell op, “dan is hij geneigd zich
gefrustreerd en depressief te voelen en hij zal er waarschijnlijk mee ophouden.”
Wat iemand nog kan doen op het eind van zijn leven – en soms zal dat eenvoudig
zijn het in het reine komen met wat je te lijden krijgt – daartoe zou hij ook
gezonden moeten worden.
Ondanks het feit dat sommige
gerontologen, de vooroordelen volgend van de seculiere cultuur, de rol van de
religie voor het leiden van een gelukkig leven buiten beschouwing laten, is dit
niet de ervaring van de jezuďeten. Volgens de mensen die voor dit project geďnterviewd
werden, is juist het leiden van een geestelijk leven iets wat essentieel is
voor het hebben van een vredige oude dag. “Als je dit leven wilt leiden, dan
moet je bidden. Gebed en de tijd die je besteedt aan persoonlijke groei – of
dat nu is door te bidden of door voor anderen dienstbaar te zijn – zijn de
dingen die je op de been houden en die maken dat je het leven aan kunt.”
Terwijl deze religieuzen allemaal zoeken naar een grotere vertrouwdheid met
God, zijn de wijzen waarop ze dat doen individueel heel verschillend. Voor
sommigen is bidden gemakkelijk; voor anderen blijft het even verstrooid als in
hun jongere jaren. En toch zeggen ze allemaal dat ze meer met God verbonden
leven dan ooit tevoren. Een ander gemeenschappelijk trekje is hun voorkeur om
God te zoeken op alle plaatsen en in alle omstandigheden. En als één man zijn
ze allen dankbaar voor hun roeping.
Kortom, het getuigenis van deze
ouderen herinnert ons eraan dat God deze extra jaren geeft met een bedoeling.
“In het licht van het geloof blijkt de oude dag een rijke tijd van het leven te
zijn, een tijd van groei naar binnen en naar innerlijke vindingrijkheid; een
tijd om de gaven van je vroegere leven te oogsten en om te komen tot een nieuwe
en diepere relatie met God.” In één woord: de oude dag is niet een last of niet
alleen een last – het is een geweldige gave.
uit: Studies in the Spirituality of Jesuits 43/3(2011)
vertaling: Hans van Leeuwen S.J., Mary
Blickman, Jan Stuyt S.J.