Homilie bij het overlijden van Ewald
Lampe S.J. door J. van Leeuwen S.J.
Wie was Ewald Lampe?
Een paar
feiten uit zijn leven:
Hij werd
geboren in Arnhem 29 oktober 1928, als
de 11e van 12 kinderen.
Drie van zijn
broers hadden al gekozen voor de weg naar het priesterschap.
Na zijn studie
op het Canisiuscollege trad hij zelf in de Sociëteit op 7 september 1948.
Aloysiuscollege
Na zijn
vorming, priesterwijding in 1960, en tertiaat in Drongen,
kwam hij naar
het Aloysiuscollege om er prefect en katecheet te worden. Ook veel buitenschoolse
activiteiten hadden daar zijn aandacht en zorg. Graag bewoog hij zich onder de
jonge mensen, die hem boeiden.
Aalmoezenier
In 1970 werd
hij aalmoezenier van de luchtmacht, eerst 6 jaar in Duitsland, daarna een paar
jaar op de vliegbasis Soesterberg.
Toen in 1980
zijn benoeming afkwam als hoofdaalmoezenier verhuisde hij weer naar de
regio Den Haag.
Zijn
leidinggevende capaciteiten kwamen daar aan bod en ook dit was een milieu
waarin Ewald zich gemakkelijk bewoog. En toch….
Nieuwe Fase
Toch had hij
zelf het gevoel, dat hij pas echt tot leven is gekomen en zijn roeping
heeft ontdekt,
toen hij na zijn pensionering in 1988, zestig jaar oud, begon aan een nieuwe
fase van zijn leven. Die werd toen zo omschreven: “Ewald gaat zich wijden aan
individuele begeleiding. Hij wil een bijdrage leveren aan de spiritualiteit van
mensen door hen te helpen een gezond ‘zelf’ te ontwikkelen. Daarnaast zet hij
zijn pastorale weekendassistenties voort.“
Omringd door mensen
Dat is de
Ewald die ons het meest vers in het geheugen ligt, en ik denk dat hij zelf
ook graag zou
hebben dat we ons vooral die Ewald herinneren.
Hij schrok er niet voor terug om ons te laten weten, dat hij om in deze
fase te belanden wel door een dal heen had moeten gaan. Maar hij was o zo blij
dat dit gebeurd was: hij wás erdoorheen gekomen en hij wist zich omringd door
mensen die hem daarbij hadden geholpen,
vrienden, familie, medebroeders. Hij was er zelf een gelukkiger mens van
geworden.
Tochtgenoot
Zo wilde hij zelf ook
anderen helpen, als een tochtgenoot voor zoekenden, gekneusden, of ook gewoon
maar mensen die het nog niet helemaal gevonden hadden. Dat vulde in deze fase,
naast liturgie en verkondiging, zijn leven, tot de laatste dag. Dat leven is nu
voltooid. Gedenken wij het dankbaar.
1 Kon 19,
3-15 Mk 2, 1-12
Twee verhalen
die ons kunnen helpen
om ons te
herinneren wie Ewald Lampe was.
Het eerste,
over Elia, geeft ons een dieper inzicht
in het
levensverhaal van Ewald, zijn eigen reisverhaal.
Het tweede
over de lamme en zijn dragers,
zegt iets over
wat hij voor mensen wilde zijn en hoe.
Elia werd bang
en vluchtte om zijn leven te redden.
Dat had
natuurlijk een hele voorgeschiedenis.
Elia had het
er dan ook wel naar gemaakt
in zijn
conflict met de profeten van Baäl.
Hij had de
Heer op zijn hand, maar toch…
de bedreiging
werd nu wel erg groot,
vluchten leek
het enige dat er op zat.
Vluchten om je
leven te redden.
De
omstandigheden kunnen soms zo bedreigend worden
dat je het
leven alleen nog maar kunt redden door te vluchten.
Vluchten is
vaak een eenzaam avontuur.
Je knecht
achterlaten, geen gezel meer,
alleen –
minstens één dagreis – de woestijn in.
Dat gaat vaak
gepaard met het niet meer zien zitten,
er maar bij
gaan liggen,
verlangend dat
er een eind aan zal komen
en alleen nog
maar kunnen zeggen: het is genoeg geweest.
In de slaap
vergetelheid zoeken.
Een absurde
situatie, die zelden voorkomt?
Of één die in
allerlei vormen en gedaanten
keer op keer
ons allen overkomt.
Door een dal
moeten gaan dat zo diep lijkt
dat je er geen
uitzicht meer hebt.
Wat een geluk
dat er altijd weer engelen zijn,
een engel die
je aanraakt, je raakt in je diepste ik,
die je wakker
schudt en op je benen zet
en je voedsel
geeft voor onderweg
én je weer op
weg zet. Sta op en ga verder.
Wat een geluk
dat engelen nooit aflaten,
het niet bij
één keer laten,
maar
terugkomen, ook als de eerste keer
niet meteen
aanslaat, als de vluchtneiging te sterk is.
Sta op en ga
verder, dat is de levengevende boodschap.
Maar die
boodschap geeft alleen maar leven,
omdat de reis
ergens naartoe gaat. Er is een reisdoel.
Je kunt pas
weer leven als je de ontmoeting aangaat,
als de
ontmoeting je overkomt met de Bron van je leven.
En dat gebeurt
als je naar buiten komt
uit jezelf,
uit de put.
Dan mag je
gaan ontdekken dat die levengevende Bron
ergens anders
te vinden is dan je eerst dacht.
Dat
aardbeving, windvlagen en vuur ons wel overkomen
dat het leven
ons zo vaak overkomt,
maar dat we
pas grond raken, bij onszelf komen
als we die
Bron gaan verstaan in het gefluister van de zachte bries.
Als we zijn
Stem, de Stem in het gebeuren verstaan
en wat die ons
zegt: keer terug….
als we een
luisterende mens worden.
Als engelen
ons op dit punt brengen,
ons daarheen
begeleiden en op weg zetten,
dan zijn het
goede engelen.
Nog niet zo
lang geleden zei Ewald in een interview: “In de loop van mijn leven
ben ik sterk
veranderd, doorgegroeid, zij het met veel, letterlijk te nemen, pijn en moeite.
Ik ben, met een aantal van mijn medebroeders, door een diep dal gegaan.
Ik doorworstelde
een identiteitscrisis en ik kwam boven.
Ik ontdekte
gaandeweg dat omgaan met,
luisteren naar
mensen steeds belangrijker werd. Ik heb veel van vroeger moeten verwerken,
veranderen, mezelf moeten ontdekken.
Zo moet ik niets
willen ‘managen’, dat gaat niet goed bij mij.”
En elders: “Ik
moest ervaren dat je er alleen helemaal niet uitkomt.”
Leg dat eens
naast het verhaal van Elia.
Het
reisverhaal van Elia is het levensverhaal van Ewald.
De Bron van je
leven pas bereiken – met de hulp van een engel –
als je de
regie uit handen geeft,
niet blijft
steken in vuur, aardbeving, storm,
hoe vitaal en
dynamisch die ook lijken,
maar open gaat
tot luisteren naar God en mensen.
Hoe blij was
Ewald, dat hem in de derde fase van zijn leven,
na de fasen
van College en Luchtmacht,
precies dit
overkomen is.
Zo blij, dat
hij dit ook aan anderen gunde.
Daarover gaat
dat tweede verhaal, over de lamme en zijn dragers.
De lamme is de
lamme gebleven, de mens die niet verder kan.
De engelen
zijn hier de dragers geworden.
Mensen die
zien hoe iemand eraan toe is,
die luisteren
naar deze mens
en niet zelf
de oplossing aandragen,
maar die mens
opnemen, tussen zich in,
want wie kan
ook dit alleen,
om hem te
brengen bij de Bron van het leven.
Dit verhaal
past zo bij Ewald omdat het een tweesporig verhaal is .
De lamme kan
weer lopen, hij kan weer verder,
maar hij wordt
ook vergeven.
Die twee –
weer lopen en vergeven worden – lijken verband met elkaar te hebben.
Want betekent
vergeven worden
ten diepste niet
evenzeer: weer verder kunnen,
omdat je je
aanvaard weet zoals je bent?
Ewald was
ervan overtuigd en hij was daarin soms bijna profetisch,
dat religieuze
ontwikkeling, ja dat spiritualiteit,
niet kan,
onmogelijk is zonder een gezonde psyche.
Van alle basisnoden
hebben mensen primair behoefte aan veiligheid,
de zekerheid
erkend te worden, te weten dat ze gedragen worden.
Ewald werd
meer en meer een tochtgenoot,
die anderen
met zijn geloof wilde dragen,
maar dan
geloof weer niet alleen in hoog spirituele zin,
maar met als
kern: ik geloof in jou.
Elkander
dragen in geloof
brengt mensen
op de plek waar echt leven te vinden is.
Dit verhaal is
een troost en een oproep tegelijk.
Het gaat over
dragen en gedragen worden.
Maar dat zijn
geen twee klassen van mensen,
zij die dragen
en zij die gedragen worden.
Nu eens mag je
dragen, dan weer moet je gedragen worden.
Hoezeer had
Ewald dat aan den lijve ondervonden,
hoezeer maakte
dit hem geschikt om zelf drager te worden
van tijd tot
tijd.
En tegelijk
nooit te vergeten,
hoe het eerste
verhaal van Elia evenzeer zijn verhaal zou blijven.
In een van
onze liederen zingen wij,
dat het onze
opgave is om voor elkaar als God te zijn.
Daar heb je
het weer: het een is het ander.
Als de blijde boodschap
is: God draagt altijd,
sta op , neem
je bed op en ga naar huis: leef,
dan wordt dat
waar gemaakt door mensen om ons heen,
die ons
meenemen, dragen,
die openingen
maken voor ons,
die aan ons
doen wat God voor ons is, wil zijn.
Het
reisverhaal van Ewald maakte hem
geschikt
om werkelijk tochtgenoot van mensen te zijn.
Daarin heeft
hij gevonden wat hij al zo lang zocht
en maar ten
dele had gevonden in de eerdere fasen van zijn leven.
En zal het dan
niet zo zijn,
om dit leven
van Ewald te voltooien,
dat de engelen
hem zullen dragen naar het paradijs?
Ewald:
In
paradisum deducant te angeli.

Hans van
Leeuwen S.J.